thumb|Short video about Oslo Accords from the Israeli News Company

De Oslo-akkoorden ("Oslo Accords") zijn een reeks overeenkomsten tussen de PLO en Israël die tot doel hadden de eerste aanzet te zijn om het Israëlisch-Palestijns conflict op te lossen door de oprichting van Palestijns zelfbestuur onder een Palestijnse Autoriteit op de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook. Zij bestaan uit respectievelijk het Oslo I-akkoord van 13 september 1993 en het Oslo II-akkoord van 24 september 1995. Op 4 mei 1994 werd een tussenakkoord gesloten, dat bekend staat als het "Gaza-Jericho-akkoord" of "Caïro-akkoord". Kenmerkend voor de Oslo-akkoorden zijn de talloze annexen, waarin specifieke onderdelen tot in de kleinste details zijn uitgewerkt.

De akkoorden beloofden geen onafhankelijke Palestijnse staat. Dit vredesproces kwam in de tweede helft van de jaren 90 tot stilstand. Latere pogingen om dit te redden faalden.

Mahmoud Abbas tekende voor de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie en Simon Peres tekende voor de regering van Israël. De getuigen waren Warren Christopher namens de Verenigde Staten en Andrei Kozyrev namens Rusland. De ondertekening vond plaats in Washington in aanwezigheid van Bill Clinton, president van de Verenigde Staten, Yitzchak Rabin, minister-president van Israël en Yasser Arafat, voorzitter van de PLO.

Voorgeschiedenis De Eerste Intifada

In 1987, twintig jaar na de Zesdaagse Oorlog, brak in de Palestijnse bezette gebieden een opstand uit. De voornaamste aanleiding was de uitzichtloosheid van de toen begonnen bezetting, die daar zeker ook door jongeren ervaren werd. Het duurde tot 1993 eer deze opstand door Israël geheel was uitgedoofd.

Conferentie in Madrid De Verenigde Staten en de Sovjet-Unie organiseerden op 30 oktober 1991 een internationale vredesconferentie in Madrid. Ter voorbereiding had de VS acht bezoeken aan de regio gebracht en overlegd met Arabische staten, Israël en de Palestijnen. Uitgenodigd waren Israël, Syrië, Libanon, Jordanië (met in hun delegatie enkele onafhankelijke Palestijnen). De Samenwerkingsraad van de Arabische Golfstaten, Egypte, de Europese Unie en de Verenigde Naties waren uitgenodigd als deelnemer-observator.The Madrid Peace Conference. MidEastWeb, 30 okt 1991

Voor de vredesbesprekingen in Madrid stuurden de Verenigde Staten twee verschillende brieven naar beide partijen. In de brief voor Israël verklaarden de Verenigde Staten dat ze de oprichting van een Palestijnse staat niet steunden. De brief aan de Palestijnen was anders verwoord; daarin verklaarden de Verenigde Staten dat er een einde moest komen aan de Israëlische bezetting, zodat de Palestijnen weer controle zouden hebben over onder andere politieke en economische aspecten die invloed hebben op hun leven. Met andere woorden, de brieven gaven aan dat de Verenigde Staten vanaf het begin van de onderhandelingen geen intentie hadden om tot een erkenning van een Palestijnse staat te komen; zelfbestuur was het uiteindelijke doel.Noura Erakat, "Justice for Some — Law and the Question of Palestine". Stanford University Press, april 2019; , Erakat, Justice for Some, p.138

Doel van de conferentie was enerzijds directe onderhandelingen tussen Israël en de Arabische staten en anderzijds tussen Israël en de Palestijnen. De onderhandelingen zouden moeten zijn gebaseerd op de VN-Veiligheidsraadsresoluties 242 en 338 en uiteindelijk moeten leiden tot een duurzame vrede. Wat betreft de Palestijnen, leek de agenda een exacte reflectie van het eerdere voorstel van de Israëlische regering van Yitzhak Shamir in 1989.

De agenda voorzag in: Een vrijblijvende openingsconferentie zonder resoluties en met bilaterale gesprekken tussen Israël en de Arabische buurlanden Gesprekken met de Palestijnen over een vijf jaar durende tussenperiode van zelfbestuur Multilaterale gesprekken over regionale hoofd-issues, zoals vluchtelingen

Officieel had Israël geen politieke banden met de PLO en weigerde het met deze organisatie te onderhandelen. Het regeringsbeleid was vanouds een verdeel-en-heers-politiek, waarbij uitsluitend met afzonderlijke Arabische staten werd onderhandeld en niet rechtstreeks met de Palestijnen. De Israëli's waren dan ook niet geïnteresseerd in een dergelijke conferentie, omdat zij meer dachten te bereiken in afzonderlijke onderhandelingen.

Geheime onderhandelingen Wat betreft Israël en de Palestijnen dachten de Israëliër Yossi Beilin en de Noor Terje Rød-Larsen dat een geheime onderhandeling, buiten het oog van de pers, tot meer resultaat zou kunnen leiden dan de officiële onderhandelingen die in 1991 in Madrid waren begonnen. De aanzet tot de geheime besprekingen werd in december 1992 gegeven door Terje Rød-Larsen, die in Londen de Israëlische hoogleraar geschiedenis Yair Hirschfeld in het geheim met het PLO-lid Abu Ala in contact bracht (in die tijd was contact met PLO-leden voor Israëliërs nog bij wet verboden).

Tijdens een tweede ontmoeting verzorgden Terje Rød-Larsen en zijn vrouw Mona Juul zelf alle faciliteiten en zorgden voor een dekmantel om de ontmoeting geheim te kunnen houden. De ontmoeting werd in tegenstelling tot de besprekingen in Madrid in een huiselijke sfeer verzorgd, waarbij de delegaties gezamenlijk een woning betrokken. Drie Palestijnen en twee Israëliërs kwamen bij deze serie ontmoetingen tot een eerste versie van een principe-akkoord.Jane Corbin, De Oslo Connectie, 1994 De Oslo-akkoorden waren uiteindelijk het resultaat van deze serie geheime besprekingen in Noorwegen.

Oslo I De Oslo-akkoorden waren geen vredesakkoord, maar slechts bedoeld om onderhandelingen over zo'n akkoord mogelijk te maken. Het Oslo I-akkoord, officieel "Declaration of Principles on Interim Self-Government Arrangements", geeft een globaal overzicht van de doelstellingen en de weg om die te bereiken. Later zouden de praktische details worden uitgewerkt in vervolg-overeenkomsten. Oslo I bestond uit een basisovereenkomst en 4 annexen plus de "Agreed Minutes to the Declaration of Principles in Interim Self-Government Arrangements", kortweg de "Agreed Minutes", waarin een aantal basisafspraken staan weergegeven.Declaration of Principles on Interim Self-Government Arrangements (Oslo I), 13 sep 1993. pdf

Voorafgaand aan de officiële onderhandelingen waren twee "Brieven van wederzijdse erkenning" getekend en gewisseld. Deze erkenningen waren asymmetrisch. In de ene erkende Rabin namens Israël de PLO als de wettelijke vertegenwoordiger van het Palestijnse volk. In de andere erkende Arafat namens de PLO het recht van de staat Israël om in vrede en veiligheid te bestaan (stond daarbij 78% van historisch Palestina af), aanvaardde men VN-VR resoluties 242 en 338, verbond zich er toe alle "openstaande kwesties" (Jeruzalem/Al-Quds, vluchtelingen) met Israël uitsluitend via onderhandelingen op te lossen, waarbij men het gebruik van terrorisme en geweld afzwoer en het deel van het Palestijnse Handvest, dat over het ontkennen van het recht van bestaan van Israël ging en andere niet met de Oslo-Akkoorden verenigbare artikelen, tot vervallen verklaarde.

De Israëlische regering besloot nu een officiële afvaardiging te sturen. Aan Palestijnse kant was er sinds het begin één 'officiële' afgevaardigde, Ahmed Qurei, die destijds penningmeester en derde in lijn van de PLO was. De informele sfeer viel weg toen de Israëlische delegatie plaats moest maken voor Uri Savir, onderminister van Shimon Peres en Joel Singer, een militair opgeleid advocaat. In een hotelkamer in Oslo werd in het geheim het Oslo I-akkoord ondertekend door Mahmoud Abbas en Shimon Peres

Hierna werden ook de pers en de officiële delegatie van de "Madridconferentie" van het bereikte akkoord op de hoogte gesteld. De publieke ceremonie met vele genodigden en de wereldpers in Washington vond op 13 september 1993 plaats in de tuin van het Witte Huis.

Doel Volgens artikel I was het doel onder andere het instellen van een "Interim-Autoriteit voor Palestijns Zelfbestuur" ("Palestinian Interim Self-Government Authority") en een democratisch door de bevolking van de Westoever en de Gazastrook te kiezen parlement ("Council"). Het vredesproces zou – via een overgangs- of interim-periode van ten hoogste vijf jaar – moeten leiden tot een eindovereenkomst (“permanent settlement”), gebaseerd op de VN-resoluties 242 en 338.

De inhoud van dit akkoord betreft de gedeeltelijke terugtrekking van het Israëlische leger uit de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever en het recht op (beperkt) zelfbestuur van de Palestijnen door de vorming van de Palestijnse Autoriteit.

Bepaalde onderwerpen zoals de stad Jeruzalem (al-Quds), de Palestijnse vluchtelingen, Israëlische nederzettingen en grenzen zouden dan daarna in de slotfase ( 'Final Status') van de onderhandelingen worden uit-onderhandeld. Deze fase moest in het derde jaar van de interim-periode beginnen. Niet later dan na het vijfde jaar (4 mei 1999) zou er dan een "permanente status", vrede, moeten zijn bereikt gebaseerd op Resoluties 242 en 338). Er werd overigens nergens over "een Arabische" of "Palestijnse staat" gesproken, noch in de teksten, noch in de officiële toespraken.

Palestijns zelfbestuur zou in fases worden ingevoerd en uitgebreid, te beginnen met de Israëlische terugtrekking uit de Gazastrook en het gebied rond Jericho. Een aantal civiele taken die tot dan toe werden uitgevoerd door het Civiel Bestuur ("Civil Administration") van het Israëlische leger werden overgedragen aan die van de Palestijnen. Dat betrof onderwijs en cultuur, gezondheidszorg en maatschappelijk welzijn, directe belastingen en toerisme, en een sterke politiemacht. Israël zou daarentegen verantwoordelijk blijven voor de militaire veiligheid en de joodse nederzettingen.

Gaza-Jericho-akkoord miniatuur|OCHA oPt-kaart van 2011 met rechts in beige het over te dragen gebied "Area A", ongeveer overeenkomend met Map No. 2. In paars de omringende joodse nederzettingen.

Het "Gaza-Jericho-akkoord" of "Caïro-akkoord" van 4 mei 1994, officieel "Agreement on Gaza Strip and Jericho Area",Gaza-Jericho Agreement ("Caïro-akkoord"), 4 mei 1994 was een zeer belangrijk tussen-akkoord, want hierin werd het Oslo I-akkoord concreet uitgewerkt. Met deze overeenkomst werd de als tijdelijk, voor maximaal 5 jaar, bedoelde Palestijnse Autoriteit (PA) opgericht. Voor de Palestijnen het gehoopte begin van een soevereine staat, voor Israël een zelfbestuur (Self-Government) voor een aantal bestuurlijke taken.

Hiermee werd tevens het begin van de Israëlische terugtrekking – conform artikel II te beginnen in Gaza en de Jericho-regio, met uitzondering van joodse nederzettingen en de grond daaromheen – vastgelegd en daarmee ook de even lange overgangsperiode ("interim period" of "transitional period"). Hoewel deze 5-jarige interim-periode op 4 mei 1999 formeel afliepArtikel V van Oslo I en artikel XXIII.3 van het Gaza-Jericho-akkoord (waarbij het leger zich slechts deels had teruggetrokken), werd deze daarna (ook na het afsluiten van het Oslo II-akkoord) stilzwijgend voor onbepaalde tijd verlengd.

Het "Gaza-Jericho-akkoord" was feitelijk de uitvoering van artikel XIV en ANNEX II van Oslo I. Het bestaat uit een basisovereenkomst, 4 annexen en 6 kaarten. ANNEX II bevat ook nog 5 appendices en ANNEX IV (het 'Paris Protocol') 3 appendices met 3 'uitputtende lijsten' die de bevoegdheden van de Palestijnen over te importeren goederen sterk inperken.

Specifieke onderwerpen Nederzettingen Het Caïro-akkoord bepaalde dat Israël de 21 nederzettingen in Gaza mocht behouden (map No. 1), net zoals de kolonies op de Westoever, zolang er nog geen overeenstemming over was bereikt in de zogenoemde vredesonderhandelingen met de PLO. Het had de opmaat moeten zijn van de terugtrekking uit het grootste deel van de Westoever en teruggave daarvan aan de Palestijnen (wat in werkelijkheid nimmer zou gebeuren).