thumb|Waarschijnlijk Valentin de Boulogne: Sint Paulus schrijft zijn brieven, omstreeks 1618 tot 1620. De meeste nieuw-testamentici denken dat Paulus zijn brieven dicteerde aan een secretaris. Zo noemt Romeinen 16:22 ene Tertius die de brief had opgeschreven. Van de helft van de veertien Brieven van Paulus in het Nieuwe Testament die traditioneel aan de apostel Paulus worden toegeschreven, wordt Paulus' auteurschap betwist.David E. Aune: The Blackwell Companion to The New Testament, , pag. 9: "While seven of the letters attributed to Paul are almost universally accepted as authentic (Romans, 1 and 2 Corinthians, Galatians, Philippians, 1 Thessalonians, Philemon), four are just as widely judged to be pseudepigraphical, i.e. written by unknown authors under Paul's name: Ephesians and the Pastorals (1 and 2 Timothy and Titus).James D. G. Dunn (2003): Eerdmans Commentary on the Bible, , pag. 1274: "There is general scholarly agreement that seven of the thirteen letters bearing Paul's name are authentic, but his authorship of the other six cannot be taken for granted... Romans, 1 and 2 Corinthians, Galatians, Philippians, 1 Thessalonians and Philemon are certainly Paul's own."Daniel B. Wallace: Hebrews: Introduction, Argument, and Outline De discussie over Paulus' auteurschap begon al in de 2e eeuw, toen Marcion van Sinope de eerste canon van het Nieuwe Testament opstelde en daarin alleen het Evangelie volgens Lucas en de brieven van Paulus opnam, maar 1 en 2 Timoteüs en Titus ontbraken. De huidige stand van zaken qua wetenschappelijke consensus met betrekking tot de authenticiteit van de brieven van Paulus is als volgt:

Authenticiteit Reeds 2 Tessalonicenzen 2:2 bevat een aanwijzing dat ten tijde van het ontstaan van deze brief al onechte Paulusbrieven circuleerden2 Tessalonicenzen 2:2: "verlies niet meteen uw verstand en raak niet in paniek wanneer een profetie, een uitspraak of een brief die door ons zou zijn geschreven, het voorstelt alsof de dag van de Heer op het punt staat aan te breken." (overigens wordt door veel onderzoekers aangenomen dat 2 Tessalonicenzen zelf ook niet door Paulus geschreven is). Het was in de antieke wereld niet ongebruikelijk dat schrijvers hun tekst toeschreven aan beroemde personen. Zulke pseudepigrafische teksten ontstonden ook in het vroege christendom en vaak werden deze teksten door de auteur aan Paulus toegeschreven. Voorbeelden van brieven die aan Paulus zijn toegeschreven maar waarvan we weten dat ze pseudepigrafisch zijn, zijn 3 Korintiërs en de Brief aan de Laodicenzen. Echter, andere (veelal Angelsaksische) nieuwtestamentici menen dat er voorzichtig omgegaan moet worden met de claim van pseudepigrafie.Zo schrijft de evangelicale nieuwtestamenticus D.A. Carson: ‘…we should exercise great care before we accept the view that any writing on the New Testament is pseudonymous. That there was pseudonymity in the ancient world is clear. That the Jews and the early Christians sometimes produced pseudonymous gospels and acts is also clear, as is the fact that the early Christians sometimes produced pseudonymous gospels and acts. But to this date there is no evidence that the church accepted any pseudonymous epistle’. (D.A. Carson, D.J. Moo & L. Morris, An Introduction to the New Testament, Leicester 1992, 371. Cf. C.L. Blomberg, From Pentecost to Patmos. Acts to Revelation. An Introduction and Survey, Nottingham 2006, 343-348)

Onder andere omdat bij het onderling vergelijken van de Paulusbrieven een aantal duidelijke verschillen naar voren komt, lijkt het aannemelijk dat een aantal van deze brieven niet door Paulus geschreven is. Hoewel twijfel over het auteurschap van Paulus wat betreft een aantal van de brieven vooral sinds de opkomst van de schriftkritiek tijdens de Verlichting bredere aandacht gekregen heeft, was deze kwestie toen zeker niet nieuw.

Toen de allereerste lijst van de Nieuw Testamentische canon werd opgesteld, nam de maker van deze lijst, Marcion van Sinope, daar alleen het Evangelie volgens Lucas en de brieven van Paulus in op. In de lijst van de Paulus brieven ontbraken echter 1 en 2 Timoteüs en Titus.

Criteria die door wetenschappers worden gebruikt Wetenschappers gebruiken verschillende methodes van geschiedschrijving en schriftkritiek om te bepalen of een tekst terecht aan een auteur wordt toegeschreven. De belangrijkste methoden die worden toegepast op de brieven van Paulus zijn:

Intern bewijs Dit bestaat uit wat de auteur over zichzelf vertelt in de brief, zowel expliciet (de auteur identificeert zichzelf) of impliciet (de auteur verschaft autobiografische details). Dit bewijsmateriaal is belangrijk ondanks de problemen ervan. Bijvoorbeeld: omdat de auteur van de Brief aan de Hebreeën zichzelf niet identificeerde, vermoedden geleerden al zo vroeg als vanaf Origenes in de 3e eeuw dat Paulus niet de auteur was.

Extern bewijs Dit bestaat uit verwijzingen, ook weer expliciet of impliciet, naar de tekst, vooral gedurende de vroegste periodes waarin men toegang had tot betrouwbare bronnen die verloren zijn gegaan. Expliciete verwijzingen betreft het met name noemen van een tekst of brief, of een herkenbare vorm van die tekst. Voorbeelden hiervan zijn lijsten met geaccepteerde Bijbelboeken, zoals de Canon Muratori, of de inhoud van een vroeg manuscript, zoals Papyrus 46. Helaas is dit soort bewijsmateriaal vaak beschadigd of van een te late datum om veel hulp te kunnen bieden.

Impliciete verwijzingen zijn citaten van Paulus, in het bijzonder indirect of zonder Paulus te noemen, of het gebruik van ideeën of formuleringen die in zijn werken voorkomen. Dit gebruik of verwijzen impliceert dat het geciteerde materiaal in gebruik was op het moment dat het externe bewijs werd gecreëerd. Bijvoorbeeld: de Tweede brief aan de Thessalonicenzen wordt genoemd door Ireneüs in het midden van de 2e eeuw, net als door Justinus Martyr en Ignatius van Antiochië; het is daarom onmogelijk dat die brief na deze tijd is geschreven. Aan de andere kant wijst het ontbreken van oude bronnen die naar de tekst verwijzen op een latere datum, een "argument van de stilte". Redeneren in deze lijn kan gevaarlijk zijn, want historische bronnen zijn nooit compleet: veel oude teksten zijn verloren gegaan, beschadigd geraakt of aangepast.

Historische context

Een onafhankelijk geschreven weergave van Paulus' leven en bediening, zoals kan worden gevonden in Handelingen van de Apostelen, kan worden gebruikt om de datum en mogelijk auteurschap van Paulijnse brieven te bepalen, door hun ontstaan in de context van zijn leven te plaatsen. Zo vermeldt Paulus bijvoorbeeld in Filemon 1:7 dat hij in gevangenschap verkeert; op basis van deze uitspraak betoogde J.A.T. Robinson dat deze gevangenschap die in Caesarea betrof,Robinson pag. 61 terwijl W.M. Ramsay deze identificeerde als Paulus' gevangenschap in Rome,Ramsay pag. 357 terwijl weer anderen deze gevangenschap in Efese plaatsten. Een moeilijkheid met deze bewijsvoering is de beperkte hoeveelheid gegevens die over Paulus' historische context bekend is, en dit betreft vooral het einde van Handelingen voorafgaande aan Paulus' dood. Daarnaast wordt uitgegaan van de aanname dat Handelingen is geschreven door een feitelijke reisgenoot van Paulus.

Taal en stijl Woordgebruik, zinsconstructies, het gebruik van idioom en bepaalde uitdrukkingen, etc. worden geanalyseerd op consistentie met de andere werken die van de auteur bekend zijn. Een overeenkomende stijl impliceert een gemeenschappelijk auteurschap, terwijl een heel afwijkend woordgebruik op een afwijkend auteurschap wijst. Zo wees E.J. Goodspeed erop dat het woordgebruik in de Brief aan de Efeziërs een literaire verwantschap vertoonde met de Eerste brief van Clemens, die tegen het einde van de eerste eeuw werd geschreven.Goodspeed, pag. vii. E. Percy betoogde dat het woordgebruik en de stijl van de Brief aan de Kolossenzen Paulijns auteurschap eerder ondersteunde dan weersprak.E. Percy (1964): Die Probleme der Kolosser und Epheserbriefe, pag. 66 Natuurlijk kan de stijl en het taalgebruik door andere aspecten afwijkend zijn, zoals het onderwerp van de brief, de ontvanger, de omstandigheden of de ontwikkeling die de auteur doormaakte.

Inhoud en theologie Vergelijkbaar met het interne bewijs, worden doctrinaire consistentie en ontwikkeling onderzicht in relatie met de andere werken die van de auteur bekend zijn. Theologische thema's zoals de eschaton of de Mozaïsche wet kunnen in verschillende werken opduiken, maar op dezelfde manier. Een consistent vertelperspectief kan duiden op eenzelfde auteur; tegenstrijdige of ongerelateerde leerstellingen wijzen op verschillende auteurs. Zo zag W. Michaelis bijvoorbeeld christologische overeenkomsten tussen de Pastorale brieven en sommige onbetwiste werken van Paulus en pleitte hij daarom voor Paulijns auteurschap.W. Michaelis (1930): Pastoralbriefe und Gefangenschaftsbriefe pp. 99-100 Een probleem van deze methode is het analyseren van een corpus van diverse en zich ontwikkelende leerstellingen. Dit heeft geleid tot verschillende standpunten van wetenschappers. Zo kwamen anderen, zoals B.S. Easton, bijvoorbeeld tot een andere conclusie inzake de Pastorale brieven op basis van wat zij beschouwden als afwijkende theologische opvattingen in dezelfde werken en verwierpen zij Paulijns auteurschap.B.S. Easton (1948): The Pastoral Epistles, pag. 25 G. Lohfink voerde aan dat de theologie in de Pastorale brieven overeenkwam met die van Paulus, maar zag hij hierin aanwijzingen dat iemand de autoriteit van een apostel wilde gebruiken door de beroemde kerkleider te kopiëren.G. Lonhfink (1981): Paulinische Theologie in der Rezeption der Pastoralbrief, in Paulus in den neutestamentlichen Spatschriften ed. K. Kertelge, pp. 70–121

Onbetwiste brieven Over 7 brieven van Paulus is wetenschappelijke consensus dat Paulus hiervan ook daadwerkelijk de auteur is. Deze onbetwiste brieven zijn (in chronologische volgorde van schrijven):

1 Tessalonicenzen Galaten 1 Korintiërs Filippenzen Filemon 2 Korintiërs Romeinen

Deze zeven brieven worden geciteerd en er wordt naar verwezen in de vroegste bronnen en ze werden opgenomen in alle oude canons, inclusief die van Marcion (rond 140).Bruce, F.F.: The History of New Testament Study, Marshall, I. Howard (uitg.): New Testament Interpretation: Essays on Principles and Methods, 1977, Carlisle: The Paternoster Press, herzien 1979, , pag. 23 Er is geen verslag van wetenschappelijke twijfel over Paulus' auteurschap tot in de 19e eeuw, toen de Duitse geleerde Ferdinand Christian Baur rond 1840 slechts 4 brieven die Paulus als auteur noemen als authentiek accepteerde; hij noemde deze de Hauptebriefe (Romeinen, 1 en 2 Korintiërs en Galaten). In tegenstelling hiermee accepteerden Hilgenfeld (1875) en H. J. Holtzmann (1885) naast deze 4 brieven ook Filemon, 1 Tessalonicenzen en Filippenzen als authentiek. Weinig wetenschappers betwisten deze lijst van 7 brieven, die gemeenschappelijke thema's, nadruk, woordgebruik en stijl delen. Ze laten ook een uniformiteit zien als het gaat om leerstellingen inzake de Mozaïsche wet, Christus en geloof.