Jacob van Hall (Amsterdam, 14 april 1799 – Utrecht, 19 maart 1859) was een Nederlandse rechtsgeleerde. Hij was de zoon van Maurits Cornelis van Hall, broer van Floris Adriaan van Hall en vader van Jacob Nicolaas van Hall.

Hij kwam op 3 mei 1820 als candidatus juris van het Amsterdamse Athenaeum Illustre naar de Rijksuniversiteit Utrecht en promoveerde aldaar op 19 november 1822 bij C.A. van Enschut op De magistra navis. Hij was vijfentwintig jaar hoogleraar aan dat Athenaeum, werd op 15 september 1848 hoogleraar in het burgerlijk recht en het handelsrecht te Utrecht. In het collegejaar 1855-1856 was Van Hall rector van de Utrechtse universiteit. Hij overleed daar begin 1859 op 59-jarige leeftijd. Zijn opvolger werd Jacobus Anthonie Fruin.

Behalve veel rechtsgeleerde werken, waaronder zijn Bijdragen tot Regtsgeleerdheid en Wetgeving (vijf delen, Amsterdam 1839-'43), schreef hij in 1855 een Levensberigt van Mr. C.A. den Tex voor de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Ook wordt hij gehouden voor de oprichter van het dagblad De Nederlander en voor medewerker aan het weekblad De Noordstar.

Externe links Profiel bij Universiteit Utrecht

Categorie:Rector magnificus van de Universiteit Utrecht Categorie:Nederlands journalist Categorie:Nederlands schrijver Categorie:Nederlands rechtsgeleerde Jacob Categorie:Nederlands persoon in de 19e eeuw Categorie:Hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam Categorie:Lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen