thumb|Beeld van een onbekende cynische filosoof in de Musei Capitolini. Romeinse kopie van een Grieks beeld uit de 3e eeuw voor Chr. Het cynisme (van het Oudgrieks κυνικός (honds)) was een invloedrijke hellenistische filosofische school. Het cynisme vindt zijn oorsprong bij Antisthenes in Athene, hoewel anderen het op Diogenes van Sinope houden. De school beroept zich op het denken en leven van Socrates, van wie Antisthenes ook een leerling was. Centraal in het cynisme staat niet zozeer een bepaalde doctrine of theorie, maar een levenswijze: de cynicus verwerpt alle wereldse rijkdom en culturele gewoontes. Het gaat erom een leven te leiden dat trouw is aan de natuur en getypeerd kan worden als een 'waar' leven, namelijk een leven dat zich volledig bewust van zichzelf is en daardoor ook geen schaamte of verborgenheid tegenover derden mag tonen. Het cynisme bleef bestaan tot in de 5e eeuw.
Door de grote nadruk vanaf de 19e eeuw op de negatieve aspecten van het cynisme kwam de moderne opvatting van cynisme tot stand.
Naam De benaming 'cynisch' (Oudgrieks: κυνικός) betekent 'honds'. Er zijn verscheidene opvattingen waarom de school zo genoemd is. Een ervan is het terugherleiden op de naam Cynosarges (wat iets betekent als 'witte hond', 'snelle hond' of 'hondenvlees'), het gymnasion waar Antisthenes, de stichter van de school, zijn bijeenkomsten hield. Er zijn geen directe aanwijzingen dat dit het geval was. Wel was Cynosarges de tempel voor de nothoi, mensen zonder Atheens burgerschap en Antisthenes was een nothos. Ook werd in deze tempel Herakles aanbeden, een van de grote helden van het cynisme.
Ook is er een mogelijk verband met de bijnaam van Antisthenes, die Haplokuōn luidde en zoiets als een 'zuivere en eenvoudige hond' betekent. Door latere auteurs, zoals Epictetus, wordt hij inderdaad kuōn (hond) genoemd, maar tijdgenoten (zoals Plato en Xenophon) gebruikten deze naam niet.
Een andere verklaring is dat cynici werden bespot en bekritiseerd om hun levenswijzen, zoals over Diogenes werd verteld. Zij zouden leven als 'honden': ze leven op straat, eten van de grond, hebben geen bezit. Sterker nog, door Plato werd Diogenes zelf de bijnaam 'hond' toegedicht. Naderhand werd deze term als een geuzennaam door de cynici zelf overgenomen. Iemand als Michel Foucault merkt ook op dat de typering als 'honds' ook inhoudelijk verbonden is met het cynische leven. Cynici werken een levensstijl uit die sterk overeenkomt met de kenmerken van een hond: een hond zwerft rond in het openbaar en leeft in eenzaamheid en onafhankelijk. Ook kenmerkt een hond zich door trouw aan zijn baas en vijandigheid tegenover dreigingen, bijvoorbeeld door te blaffen. Volgens Foucault typeert de cynische leer zich evengoed door deze kenmerken. Een cynicus moet een onverborgen bestaan leven, zonder enige schaamte en alles in het openbaar. Ook is het gericht op een onafhankelijkheid van alle bezittingen en culturele regels. Ten slotte houdt een cynicus zich bezig met het bekritiseren (via openbare toespraken) van de ondeugden van de mensen en prijst het de goede eigenschappen.
thumb|Buste van Antisthenes
Geschiedenis Er zijn verscheidene oudere filosofische stromingen die gelijkaardige standpunten als het cynisme verdedigden. Zo riepen volgelingen van Pythagoras al op tot een 'eenvoudig bestaan'. Ook Anacharsis, een Scythisch filosoof die in de vroege 6e eeuw v.Chr leefde, combineerde een eenvoudige levensstijl met kritiek op de heersende leefgewoontes. Zo'n combinatie werd later typerend voor de cynische levenswijze.
Ook verhalen over de gymnosofisten, die een radicale ascese nastreefden los van de wet, kan als een inspiratiebron beschouwd worden. Een reeks Griekse leraren, vaak sofisten genoemd, hielden zich vanaf de 5e eeuw v.Chr. ook bezig met het bekritiseren van heersende normen en waarden. Het was Socrates die een grote, directe invloed zou hebben op het cynisme. Socrates riep op tot een deugdzaam leven, los van rijkdom en roem en kritisch ten opzichte van de heersende opvattingen. Tegelijkertijd kan cynisme beschouwd worden als een reactie op het te speculatieve denken van andere volgelingen van Socrates, zoals Plato en Aristoteles en het centraal plaatsen van de staat, eerder dan het individu. Voor de cynici deden onderwerpen zoals natuurfilosofie en epistemologie er weinig toe; het ging voor hen om het ontwikkelen van een persoonlijke levensstijl., "Greek Cynicism", Journal of the History of Ideas, 6 (1), januari 1945, pp. 113-114.
Antisthenes De directe link tussen Socrates en het cynisme wordt gelegd via de figuur van Antisthenes, een leerling van Socrates. Hij verbleef een lange tijd van zijn leven in aristocratische kringen, maar tegen het einde van zijn leven (na de dood van Socrates) begonnen zijn opvattingen af te wijken van de andere leerlingen van Socrates. Hij kreeg een afkeer van filosofische speculatie en richtte zich enkel op het verkrijgen van (simpele) goedheid in het leven. Hij ging preken houden voor het gewone volk, in hun taal. Hij geloofde dat een terugkeer naar de natuur noodzakelijk was en dat de waarheid voor iedereen begrijpelijk was.
Hoewel hij door latere auteurs onproblematisch tot eerste cynicus werd benoemd, verschilde zijn denken toch nog van het cynisme zoals het later bekend werd. Zo zijn er verscheidene werken van Antisthenes bekend die thema's zoals taal, dialoog en literatuur behandelen. Er zijn zelfs meer traktaten van hem die zich met zulke niet-cynische thema's bezighouden dan er geschriften zijn die zich bezighouden met de thema's die het cynisme rechtstreeks aanging: ethiek, het goede leven en eventueel politiek. Dit kan te maken hebben met zijn pas late 'bekering' tot een nieuwe filosofie. Wat wel vaststaat is dat hij een leven in armoede bepleitte.
thumb|links|Diogenes in de regenton, schilderij door John William Waterhouse.
Diogenes van Sinope De grootste naam binnen het cynisme is waarschijnlijk Diogenes van Sinope. Hij vluchtte van zijn thuisstad naar Athene, nadat hij en zijn vader werden beschuldigd van valsmunterij. Latere auteurs, zoals Diogenes Laërtius, beweren dat hij een leerling van Antisthenes werd, maar het is zelfs twijfelachtig dat ze elkaar ooit ontmoet hebben. Wel is zeker dat Diogenes de leer van Antisthenes overnam en pleitte voor een radicaal ascetisch leven gericht op autarkeia, ascese en schaamteloosheid. Er zijn talloze anekdotes over het leven van Diogenes bekend, waarin hij deze extravagante levenswijze tentoonspreidt. Zo wordt verteld dat hij sliep in een ton, soms rauw vlees at en in het openbaar masturbeerde.
De bekendste anekdote draait om een confrontatie tussen Diogenes en Alexander de Grote. Toen Alexander in Athene was, besloot hij Diogenes op te zoeken. Hij had een gesprek met hem, waarin Diogenes Alexander een bastaard noemde. Uiteindelijk bood Alexander aan Diogenes de mogelijkheid elke wens te vervullen die hij maar wilde. Diogenes antwoordde hierop door te vragen of Alexander uit zijn zon wil gaan staan. Alexander was verbaasd over dit antwoord en stelde ten slotte dat, als hij Alexander niet was, hij Diogenes wilde zijn.
Hoewel twijfelachtig is of deze anekdote waar is toont hij wellicht wel aan welke levensstijl de voorkeur van Diogenes genoot.
Krates van Thebe Krates van Thebe is de derde grote naam binnen de geschiedenis van het cynisme. Hij is bekend vanwege de anekdote dat hij zijn fortuin wegschonk en vervolgens de cynische armoede aannam. Ook van hem wordt gezegd dat hij een leerling van Diogenes was, maar dit wordt in twijfel getrokken. Krates trouwde met Hipparchia van Maroneia, die bekendstaat als de eerste vrouwelijke vertegenwoordiger van het cynisme. Samen leefden ze als bedelaars in de straten van Athene. Ook van hen zijn er talloze anekdotes bekend, zoals het verhaal dat zij in het openbaar de liefde bedreven. Krates is verder nog bekend vanwege het feit dat hij de leraar van Zeno van Citium werd, de grondlegger van het stoïcisme.
Cynisme bij de Romeinen Het cynisme was zeer lang actief: vanaf de stichting door Antisthenes in de 4e eeuw v.Chr. bleef de filosofie bestaan tot ver in het Romeinse Rijk. In het begin van de 3e eeuw v.Chr. waren de cynici zeer invloedrijk, vooral in steden zoals Alexandrië. Hier gaven zij kleine traktaten uit waarin zij hun levenswijze en de deugdzaamheid ervan uiteenzetten.
Toch zijn er weinig bronnen bekend uit de 1e en 2e eeuw v.Chr. die spreken over het cynisme. Cicero was een uitzondering en vermeldde rond 50 v.Chr. in zijn beschrijvingen van de Griekse filosofie dat het cynisme gemeden moest worden omdat hun provocerend gedrag niet voldeed aan de deugd van nederigheid.
Pas in de 1e eeuw n.Chr. verscheen het cynisme weer meer op het toneel. Een oorzaak hiervan ligt misschien in het feite dat Rome rond deze periode uitgroeide tot een echt wereldrijk waardoor, analoog met de Grieken onder Alexander de Grote, een gevoel van onmacht en frustratie bij het volk ontstond., A History of Cynicism from Diogenes to the 6th Century A.D., Cambridge University Press, 1937, p. 124. Politiek werd een onderwerp dat enkel van belang was voor een kleine elite. Hierdoor was er voedingsbodem bij het volk voor een filosofie die zich richtte op persoonlijk heil en geluk. De bekendste cynicus van de 1e eeuw was Demetrius de cynicus, een naaste vriend van Seneca.
Cynici konden zo op de hoek van de straat gevonden worden, prekend over de deugden, in alle steden van het rijk. Rond deze tijd ontstond ook het beeld van het cynisme als een geïdealiseerde vorm van stoïcisme. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het werk van Epictetus, een stoïcijn, die het cynische leven om zijn idealen prees. Toch wees hij erop dat het cynisme wel het ideaal van het ware leven in zich droeg, maar dit in praktijk vaak niet waar maakte. Hij hekelde dan ook de cynici van zijn tijd. Een gelijkaardige opdeling is te vinden in de werken van Julianus Apostata, die de cynici van zijn dag kritiseerde omdat ze waren afgeweken van het 'oorspronkelijke cynisme'.
Het cynisme bleef nog lang invloedrijk, terwijl bijvoorbeeld het stoïcisme al in de 2e eeuw n.Chr. verdween. De laatste bekende cynicus, Sallustius van Emesa, leefde in de late 5e eeuw. Hij was een leerling van de neoplatoonse filosoof Isidore van Alexandrië, maar wijdde zijn leven aan praktiseren van de cynische idealen en ascese.
Leer Het cynisme is een van de merkwaardigste stromingen van de hellenistische filosofie. Net als gelijkaardige stromingen, zoals het stoïcisme, het epicurisme en het pyrronisme bood het cynisme een weg naar geluk en vrijheid in een tijd van algemene onzekerheid. Hoewel er geen officiële cynische doctrine bestaat en de ideeën maar schaars neergeschreven zijn, kan men de centrale principes van het cynisme als volgt samenvatten: Het doel van het leven is 'eudaimonia' en heldere zelfkennis. Men is dus vrij van de schijn, rook of mist (τύφος) die staat voor onwetendheid, onredelijkheid en bedrog. Eudaimonia wordt bereikt door te leven in overeenstemming met de natuur zoals die begrepen wordt door de menselijke rede. Toch wijken ze hier af van andere stromingen uit die tijd. De mens onderscheidt zich niet zozeer door zijn redelijkheid, maar door zijn dierlijkheid. De te vermijden rook (τύφος) wordt veroorzaakt door foute waardeoordelen die leiden tot negatieve emoties, onnatuurlijke verlangens en een ondeugdzaam karakter. Eudaimonia is afhankelijk van autarkie (αὐτάρκεια), onverstoorbaarheid, voortreffelijkheid (ἀρετή), liefde voor de mensheid, parrèsia of waarheidsspreken (παρρησία) en onverschilligheid tegenover de wisselvalligheden van het leven (ἁδιαφορία). Men bereikt dit geluk en deze helderheid van geest door ascetische praktijken (ἄσκησις), die ervoor zorgen dat men vrij is van invloeden die onnatuurlijk zijn, zoals rijkdom, roem en macht. Zulke praktijken zijn vaak terug te vinden in de anekdotes over de cynische filosofen.