Het Algemeen Belgisch Vakverbond (ABVV), in het Frans Fédération Générale du Travail de Belgique (FGTB), is een socialistische vakbond met een sociaaldemocratische filosofie. De vakbond maakt deel uit van de Socialistische Gemeenschappelijke Actie (SGA).

Ideologie Het ABVV is een socialistische vakbond die het sociaal overleg centraal plaatst. Haar basiswaarden steunen op de vier pijlers gelijkheid, rechtvaardigheid, democratie en solidariteit. Deze vormen de leidraad op de verschillende syndicale actieterreinen.

Geschiedenis

Ontstaan van het syndicalisme Het syndicalisme vindt zijn oorsprong in de industrialisatie van West-Europa in de tweede helft van de 19de eeuw. De artisanale productie werd in een recordtempo vervangen door nieuwe fabrieken en machines. Meteen ontstond ook een nieuwe beroepscategorie, de fabrieksarbeider.

Thuisarbeid was niet meer rendabel dus trokken mensen massaal naar de steden om werk te zoeken in de vele fabrieken, aanvankelijk vooral in de textielindustrie. Arbeiders werkten en leefden er in erbarmelijke omstandigheden. Ze klopten werkdagen van 14 uur in ongezonde werkplaatsen en tegen een hongerloon. Onder de arbeiders waren ook veel kinderen. De arbeiders en hun gezinnen hadden te kampen met huisvestingsproblemen. Bovendien was er geen enkele vorm van sociale bescherming. Wie ontslagen werd of getroffen werd door een arbeidsongeval of ziekte, viel van de ene op de andere dag zonder inkomen.

De wantoestanden veroorzaakten groeiend ongenoegen en geregeld braken rellen uit. Alleen waren de arbeiders nauwelijks georganiseerd en veranderde er in de praktijk weinig aan hun situatie. Stilaan groeide echter bij de arbeiders het besef dat ze zich moesten verenigen om hun leef- en arbeidsomstandigheden te kunnen verbeteren. Op 4 maart 1857 werd in Gent de "Broederlijke Maatschappij der Wevers" opgericht. Een maand later hielden de spinners hun "Maatschappij der Noodlijdende Broeders" boven de doopvont. Die eerste vakverenigingen stelden zich relatief gematigd op en stonden ook open voor alle arbeiders, ongeacht de politieke strekking of levensbeschouwing waartoe ze zich bekenden.

Vakbondsstrijd

Die eensgezindheid was echter van korte duur. Al snel viel de arbeidersbeweging uiteen in een socialistische en een christelijke vleugel. Hierbij kozen de socialisten voor de klassenstrijd als strategie om sociale vooruitgang te boeken in tegenstelling tot de christelijke vakbeweging die zich afzette tegen de 'goddeloze' socialisten, onder impuls van de Rooms-Katholieke Kerk. Deze ondersteunde de uitbouw van een christelijke arbeidersbeweging, enerzijds om de arbeiders uit het vaarwater van het vrijzinnige socialisme te houden en anderzijds omdat ook zij de nood inzag van sociale vooruitgang voor de werkende massa. Zo werd in 1886 de "Antisocialistische Katoenwerkersbond" opgericht, waaruit later het Algemeen Christelijk Vakverbond zou groeien.

De economische depressie van 1873 tot 1895 maakte de arbeidersmisère nog dramatischer. Het Belgische patronaat, dat reeds bekendstond voor zijn uitgesproken lage lonen, verscherpte die strategie nog om zo zijn concurrentiekracht te handhaven. De werkloosheidsgraad nam in deze periode onwezenlijke proporties aan en de situatie verslechterde zienderogen. Door artikel 310 van het strafwetboek was het zo goed als onmogelijk hiertegen syndicale actie te ondernemen en van de politiek moest ook geen heil verwacht worden. Door het cijnskiesrecht bestond de arbeidersklasse immers niet. Deze politieke onmondigheid leidde tot de oprichting van de Belgische Werklieden Partij (BWP) in 1885.

In de schoot van deze politieke partij werd op 11 april 1898 de Syndikale Kommissie opgericht, als antwoord op de wet van 31 maart 1898 die de beroepsverenigingen legaal maakte. De hoofdtaak van deze organisatie was de eenheid van de verschillende beroepsfederaties en afzonderlijke vakbonden te bewerkstelligen en het coördineren van de vakbondsactiviteiten binnen de socialistische zuil. Zij was ook verantwoordelijk voor de explosieve groei van het socialistische syndicalisme tijdens het Interbellum.

Op 1 januari 1938 werd de commissie omgevormd tot het Belgisch Vakverbond (BVV) of Confédération générale du Travail de Belgique (CGTB).

Op 22 november 1940 verplicht de Duitse bezetter de vakbonden op te gaan in een gemeenschappelijke organisatie met het Vlaams-nationalistische Arbeidsorde wat leidde tot de oprichting van de Unie van Hand- en Geestesarbeiders (UHGA).

Een Algemene Vakbond Vanaf oktober 1944 bereidden het BVV en enkele andere linkse vakbonden de oprichting van een nieuwe syndicale eenheidsorganisatie voor. Ook het Algemeen Christelijk Vakverbond (ACV) werd uitgenodigd maar haakte af. De onderhandelingen verliepen moeizaam omwille van de rivaliteit tussen het BVV en het BVES. Daar kwam bij dat het BVV pas na lange onderhandelingen ermee instemde de directe banden met de socialistische partij op te zeggen. Het tot stand komen van het ABVV onder zijn huidige benaming gebeurde op 29 april 1945 na succesvolle fusiegesprekken tussen het Belgische Vakverbond (BVV) en een aantal andere linkse vakverenigingen die ontstaan waren tijdens de Duitse bezetting en Wereldoorlog II. Zo traden naast het BVV het communistische Belgisch Verbond der Eenheidssyndicaten (BVES), het onafhankelijke Algemeen Geünifieerd Syndicaat der Openbare Diensten (ASOD) en de Mouvement Syndical Unifié (MSU) van André Renard toe tot het ABVV. Deze houding verandert echter na de oprichting van de Socialistische Gemeenschappelijke Actie (SGA) in 1949 en de BSP een deel van het ABVV-programma overnam. Daarnaast werd er met de partij samengewerkt tegen de terugkeer van koning Leopold III. Hoewel de communistische tendens in oorsprong zeer sterk was, heeft na verloop van tijd de sociaaldemocratie de overhand gehaald. In sommige gevallen werden de communistische vakbondsleiders uitgesloten. De groep rond Renard integreerde beter in de structuren, maar bleef zich linkser en onafhankelijker opstellen. Ze verdedigde de syndicale onafhankelijkheid en de directe actie en had vooral invloed in Wallonië.

Bij de oprichting van het ABVV eisten de voorstanders van de directe actie een cumulatieverbod tussen een politiek en een syndicaal mandaat. Zelfs algemeen secretaris Louis Major hield zich er echter niet aan, waardoor er een intern conflict ontstond dat pas in 1964 opgelost geraakte. De macht van de beroepscentrales werd beetje bij beetje ingeperkt en de gewestelijke afdelingen van de centrales moesten zich aansluiten bij een interprofessionele gewesten. Deze laatste namen dan de meeste administratie over. De vakcentrales van hun kant kregen zitting in de bestuursorganen van het ABVV.Algemeen Belgisch Vakverbond; ODIS

vakbond aantal leden BVV 250.000 BVES 165.969 MSU 59.535 ASOD 51.535

Koningskwestie In 1950 ontketende de socialistische vakbond een grote staking omtrent de Koningskwestie. Dit was een van de eerste grote ideologische strijden in België tussen vrijzinnigen (liberalen, socialisten en communisten) versus katholieken. In een volksraadpleging in datzelfde jaar had (katholiek) Vlaanderen massaal voor de terugkeer van Leopold III op de troon gestemd, (vrijzinnig) Wallonië en Brussel massaal tegen. In het totaal was er hierdoor een meerderheid pro terugkeer. Dit zorgde voor ongenoegen in Franstalig België en lokte een luide roep voor een Waalse republiek uit. Ook het ABVV is tegen en legt hierom de Waalse industriebekkens lam. Al snel breidt de staking ook uit naar Vlaanderen. Leopold III ziet zich hierdoor gedwongen alsnog af te treden ten gunste van Boudewijn. Datzelfde jaar komen vrijzinnigen en katholieken in de schoolstrijd wederom lijnrecht tegenover elkaar te staan.

Oprichting van de ABVV-gewesten Toen de arbeidersbewegingen een cruciale rol kregen toebedeeld bij de uitbetaling van de sociale uitkeringen. Besloten werd dat de mutualiteiten de ziekte- en invaliditeitsuitkeringen voor hun rekening zouden nemen en de vakbonden de uitbetaling van de werkloosheidsuitkeringen. Alzo ontstond de noodzaak aan een regionale structuur, die in 1952 leidde tot de oprichting van de gewestelijke afdelingen. Onder voorzitter Louis Major (1952-1968) werden ze verder organisatorisch uitgebouwd en gaandeweg kregen zij er ook interprofessionele vakbondstaken bij.

Recessie van de jaren 50 Doordat de Belgische economie relatief ongeschonden uit de Tweede Wereldoorlog was gekomen, kon de overheid op minder financiële steun uit het Marshallplan rekenen dan de buurlanden. Deze moderniseerden hun economie in sneltreinvaart, waardoor de verouderde Belgische industrie niet meer kon concurreren. België zakte hierdoor in een diepe structurele economische crisis. Doordat de zwaarst getroffen industriële sectoren voornamelijk in Wallonië gelegen waren, werd deze regio het hardst getroffen. De regering-G. Eyskens III had zich immers voorgenomen de helft van de Waalse mijnen te sluiten, wat leidde tot een algemene mijnstaking in Henegouwen op 13 februari 1959. Al snel breidde deze zich uit over de andere mijnbekkens en ook de metaalarbeiders uit onder andere Charleroi sloten zich aan. De staking was wederom succesvol en leverde de Waalse mijnwerkers een reconversieplan op.

Eenheidswet De rooms-blauwe regering Gaston Eyskens III trachtte de crisis te bekampen met een soort vijfjarenplan. Deze "Wet voor de economische expansie, de sociale vooruitgang en het financieel herstel" (ook wel de eenheidswet genoemd), moest een oplossing bieden voor zowel de stijgende werkloosheid, als de sluiting van de Waalse mijnen, als de oplopende staatsschuld en ten slotte ook nog voor de financiële gevolgen van het verlies van Belgisch Congo. Om dit te realiseren besloot de regering Eyskens III de fiscale druk te verhogen en terzelfder tijd te snoeien in de overheidsfinanciën. Zo werden de indirecte belastingen verhoogd, een "staat van behoefte" ingevoerd, een verscherpte controle op de werkloosheidsverzekering doorgevoerd, een herziening van de lonen en het statuut van het overheidspersoneel opgelegd en ten slotte ingrijpende besparingen in de ziekte- en invaliditeitsverzekering doorgevoerd.

De Staking van 1960-'61 De dramatische gevolgen van deze beslissing werden al snel zichtbaar en de socialistische partij en de vakbonden hekelden de beslissing, des temeer daar er zich begin 1960 een licht economisch herstel aftekende. Het ABVV legde een alternatief voor de Eenheidswet op tafel van André Renard waarin gepleit werd voor structuurhervormingen zoals de controle op holdings, nationalisering van bedrijven en de oprichting van een nationale gezondheidsdienst om meer economische democratie te realiseren. Op 29 januari 1960 brak dan het echte verzet uit tegen de eenheidswet door middel van een 24-urenstaking waaraan 700.000 werknemers deelnamen. Op 27 maart 1960 volgde dan een grote protestbetoging die opgezet was door het ACOD waarbij het stakingsrecht in de publieke sector centraal stond.

In oktober van datzelfde jaar zette de Socialistische Gemeenschappelijke Actie een brede informatiecampagne op rond de socialistische alternatieven op de eenheidswet door middel van een zeventigtal meetings, gevolgd door een werkonderbreking te Luik die gevolgd werd door 50.000 arbeiders. Tijdens de nationale actie legden 140.000 werknemers het werk neer in de provincies Luik en Henegouwen. Het protest mondde uit in een algemene staking op 20 december 1960 die was uitgeroepen door ACOD en waarbij de andere bonden zich al snel aansloten. In Wallonië werd de staking gedragen door het intergewestelijke "Coördinatiecomité van Waalse gewestelijke afdelingen", in Vlaanderen waar zo'n orgaan nog niet was opgericht, beperkte de grote staking zich in eerste instantie tot de openbare sector te Antwerpen en Gent.