Het aristotelisme is de filosofische stroming die zich baseert op de werken van Aristoteles (384–322 v.Chr.). Het was de eerste filosofie die streefde naar een volledig wereldbeeld, en daardoor was het aristotelisme ook zeer breed. Het omvatte de richtingen metafysica, natuurkunde, biologie, psychologie, wiskunde, logica, kenleer, ethiek, politieke filosofie, retorica en de schone letteren. Door de eeuwen heen heeft het aristotelisme zich verder ontwikkeld, waarbij het behoorlijk af kon wijken van het gedachtegoed van Aristoteles, en waarbij niet alle richtingen gelijkblijvende aandacht kregen.
Het werk van Aristoteles valt op te delen in de exoterische dialogen of hoi exōterikoi logoi, bestemd voor het publiek, en de esoterische, voor ingewijde studenten van het Lykeion bestemde, vaktechnische werken. Van de exoterische werken is nauwelijks iets overgeleverd, zodat het Corpus Aristotelicum vooral bestaat uit de vaktechnische werken, die niet altijd gemakkelijk te volgen zijn.
Aristoteles Aristoteles bouwde voort op de filosofie van zijn leermeester Plato (ca. 427–347 v.Chr.), maar bestreed deze deels ook. Zo verwierp Aristoteles de ideeënleer van Plato. Plato zag de waarneembare kenmerken van voorwerpen als tijdelijke manifestaties van eeuwig bestaande Ideeën of Vormen. Deze essentiële Vormen bevinden zich buiten de materie, ze zijn transcendent. Voor Aristoteles bevond de essentie van een voorwerp of substantie zich in de substantie zelf, de essentie van een voorwerp is immanent. Wel zag hij de werkelijkheid als meer dan slechts de reductie tot de materiële delen. Zo bestaat er niet slechts een menselijk lichaam, maar is er ook een ziel, die zich evenwel in en niet buiten het lichaam bevindt. Bij Aristoteles is dus sprake van een dualisme, tussen het materialisme van de eerdere, ionische natuurfilosofen en het idealisme van Plato in, ofwel het hylomorfisme (Grieks hylē, materie en morphē, vorm).
Een belangrijk onderscheid met Plato was dat deze, als echte rationalist, stelde dat ware kennis alleen door de rede of ratio via deductie kan worden verkregen, en dan nog slechts van de onveranderlijke en onvergankelijke Vormen. Kennis omtrent de afgeleiden hiervan, de veranderlijke en vergankelijke voorwerpen, zoals deze zintuiglijk waarneembaar zijn, is daarmee onmogelijk. Omdat Aristoteles meende dat de eigenschappen in de materie zelf zaten, was waarneming van de verschijnselen (φαινόμενα, phainomena) voor hem wel zinvol om tot kennis te komen, en in die zin was Aristoteles een empirist. Pas na de waarneming kwam de ratio, om verbindingen te kunnen leggen tussen de opgedane zintuiglijke indrukken. Hoewel deze empirische houding van Aristoteles dogmatische standpunten zou moeten voorkomen, was de autoriteit van Aristoteles later dusdanig, dat zijn wetenschappelijke inzichten niet kritisch benaderd werden als er nieuwe waarnemingen werden gedaan, die met deze inzichten in tegenspraak waren.
Begrippenapparaat Om zijn filosofie uit te drukken, ontwikkelde Aristoteles een begrippenapparaat waarin verandering centraal staat. Parmenides (520/515–460/455 v.Chr.) had eerder gesteld dat verandering niet mogelijk was. Aristoteles zag echter de potentie en actualiteit van een vorm. In potentie beschikt een ding over een beperkt aantal vormen, waarvan er een daadwerkelijk in actualiteit is. Zo heeft een eikel de potentie om een eik te worden, maar geen goudvis. Zowel de eikel als de eik zijn in actualiteit of als begrip onveranderlijk, maar tussen beide is een overgang mogelijk, de actualisering. Deze actualiseringen verklaart Aristoteles met de vier oorzaken: materie vorm bewegingsoorzaak doeloorzaak Aristoteles gaf daarbij het voorbeeld van het bouwen van een huis: stenen, hout ontwerp van architect opdrachtgever, aannemer en bouwvakkers beschutting, comfort
De vier genoemde oorzaken zijn volgens Aristoteles alle noodzakelijk om verandering teweeg te brengen. De doeloorzaak betekent daarbij de introductie van het begrip teleologie, waarbij alles met een doeleinde gebeurt. Bij de beschrijving van een fenomeen dient dan ook niet alleen verteld te worden hoe iets eruitziet, maar ook wat de functie is, het waarom.
Het doel van de mens was volgens Aristoteles geluk of eudaimonia, dat bereikt kon worden via de deugd en het volgen van de gulden middenweg.
Peripatetische school De eerste volgelingen van Aristoteles vormden de Peripatetische School, waarbij onder meer Theophrastus (ca. 371–287 v.Chr.) en Strato van Lampsacus (ca. 335–ca. 269 v.Chr.) als scholarch van het Lykeion van Aristoteles dienden. Dit was vooral een periode van consolidatie, met wel wat verbeteringen, maar weinig vernieuwing. Na Strato volgde een periode van verval waarbij er nog wel belangstelling was voor de retorica en de empirische natuurfilosofie, maar de school geen relevante rol meer speelde binnen het speculatiever deel in de Hellenistische filosofie, die gedomineerd werd door het stoïcisme.
Theophrastus had de bibliotheek met de werken van Aristoteles nagelaten aan Neleus van Skepsis, die deze mee zou hebben genomen naar zijn geboortestad. Daar zou deze gedurende de eeuwen daarna verborgen zijn gehouden in de kelder, totdat de bibliofiel Apellikon van Teos de bibliotheek in handen kreeg en naar Athene bracht, al is deze overlevering niet zeker. Het zou echter wel een verklaring kunnen zijn voor de snel afgenomen invloed van de Peripatetische school. Waarschijnlijk circuleerden er daarnaast echter ook na Theophrastus nog kopieën van - in ieder geval - delen van het werk van Aristoteles, binnen en buiten de Peripatetische school.
De Romeinse generaal Sulla (ca. 138–78 v.Chr.) veroverde tijdens de Eerste Mithridatische Oorlog in 86 v.Chr. Athene, waarna de bibliotheek werd overgebracht naar Rome. Daar zou het Andronicus van Rhodos zijn geweest die tussen 40–20 v.Chr. een begin maakte met de indeling van het overgebleven werk, in wat bekend werd als het Corpus Aristotelicum. Er zijn echter ook aanwijzingen dat dit werk vijftig jaar eerder al in Athene zou zijn voltooid. In ieder geval bracht dit werk een heropleving van het aristotelisme op gang. Gedurende deze Romeinse periode was Alexander van Aphrodisias rond 200 n.Chr. de belangrijkste commentator van de werken van Aristoteles. Hij probeerde terug te keren naar de originele opvattingen van Aristoteles en de invloed of syncretisme van andere opvattingen te verminderen. Het aristotelisme zou gedurende de derde eeuw echter plaatsmaken voor het neoplatonisme en het christendom. Binnen het neoplatonisme had Aristoteles nog wel invloed, zoals bij Porphyrius (ca. 234–ca. 305), die een harmonisatie tussen Plato en Aristoteles nastreefde.
Met de opkomst van het christendom verminderde echter ook de invloed van het neoplatonisme, zeker nadat er in 476 een einde kwam aan het West-Romeinse Rijk. Het christendom stond immers op een aantal vlakken lijnrecht tegenover Aristoteles, met name wat betreft de eeuwigheid van de wereld, en de ziel als onderdeel van het lichaam.
In het Byzantijnse Rijk verbood keizer Justinianus I in 529 het verspreiden van heidense denkbeelden, waarmee ook een praktisch einde kwam aan de platoonse Akademeia in Athene. Een aantal filosofen vertrok daarop naar de Academie van Gondesjapoer, het intellectuele centrum van het Sassanidische rijk, dat toen geregeerd werd door Khusro I (501–579), een groot liefhebber van zowel westerse als oosterse filosofie. Na de islamitische verovering van Perzië (636–654) vond onder meer de Griekse filosofie zo zijn weg naar de islamitische wereld.
Binnen het christendom behield de Griekse filosofie echter nog wel invloed, zoals de methodiek van het logisch redeneren.
Islamitische filosofie Binnen de islamitische filosofie hadden het neoplatonisme en het aristotelisme een grote invloed. Kalief al-Ma'moen (813–833) vestigde een bibliotheek die later bekend zou staan als Huis der Wijsheid of bayt al-ḥikma. Hier verbleef al-Kindi (ca. 801–873) die toezag op de vertalingen uit het Grieks of Syrisch van onder meer Aristoteles en daarmee aan de wieg stond van de vertalingsbeweging. Dit was het begin van de islamitische peripatetische filosofie. Al-Farabi (ca. 872–950), Avicenna (980–1037) en Averroes (1126–1198) waren belangrijke filosofen die deze filosofie of falsafa in het algemeen en het werk van Aristoteles – de eerste meester – in het bijzonder voortzetten, uitbreiden en verbeterden, daarmee bijdragend aan het islamitische gouden tijdperk. Voor een belangrijk deel was de belangstelling voor falsafa gelegen in de praktische filosofieën van geneeskunde, astronomie en wiskunde, maar de falasifa of filosofen deden ook pogingen om de metafysische aspecten te verenigen met de islam. Er werd echter geen nieuw filosofisch systeem opgezet en in die zin was de falsafa weinig creatief.
Falsafa ging uit van de rede, iets wat gedeeld werd met het moetazilisme, een school van islamitische theologie. Daar waar de moetazilieten een conflict zagen tussen openbaring en praktijk, probeerden zij met logica via de dialectiek tot een oplossing te komen. Deze kalam of discussie was gebaat bij de technieken van de falsafa, al gebruikten beide verschillende premissen. En net als bij het christendom maakten juist deze verschillende premissen beide uiteindelijk onverenigbaar, de praktisch gerichte falasafa misschien uitgezonderd.
Volgens Al-Ash'ari (873–935) was de logica een bruikbaar instrument, maar niet om het handelen van God te doorgronden. Hij was daarmee de grondlegger van een nieuwe stroming, het asharisme, die het opnam tegen zowel de falsafa als de kalam, beiden beschouwd als heterodox. Een belangrijke aanhanger was Al-Ghazali (1058–1111) die Tahafut al-falasifa of Incoherentie van de filosofen schreef waarin hij afrekende met de falasifa, gebruikmakend van de logica van de falasafa. Averroes schreef met Tahafut al-tahafut of Incoherentie van de incoherenten een weerwoord, maar zowel de falsafa als de kalam verdwenen praktisch gezien gedurende de twaalfde eeuw. Pas in de negentiende eeuw werd falsafa weer opnieuw ontdekt tijdens de al-Nahda of islamitische renaissance.
De invloed van de falsafa verdween daarmee niet, en zou vooral een grote invloed hebben in het Westen. Dit betrof vooral Averroes, die poogde terug te keren tot een zuiver aristotelisme en inging tegen de poging van al-Farabi om Plato en Aristoteles samen te laten gaan en ook tegen het neoplatonisme van Avicenna. Averroes schreef daartoe commentaren op het werk van Aristoteles, wat hem in het Westen de naam de commentator op zou leveren. Deze commentaren bestonden uit drie soorten, de uitgebreide letterlijke commentaren of tafsir, de middellange parafrases of talkhis en de korte epitomen of jami. Elk soort commentaar heeft zijn eigen publiek, waarbij de tafsir slechts bedoeld is voor filosofen, terwijl hij zich met de jami op het grote publiek richt. Dit onderscheid tussen intellectuele elite en de massa is terug te vinden bij de Almohaden, de dynastie die regeerde over Al-Andalus. In Fasl al-maqal of Het beslissende woord stelde Averroes dat er geen sprake was van wat later het scholastische probleem werd genoemd en kan de waarheid zowel via filosofische weg als via openbaring bereikt worden en spreken beide elkaar niet tegen. Hij beriep zich daarbij onder meer op soera De Bijen 16.125: Roep op tot de weg van uw Heer door wijsheid (hikma) en door welwillende vermaningen, en als je redetwist, gebruik dan het schoonste betoog Wel waarschuwde hij voor de gevaren van de filosofische weg als deze gebruikt wordt door de massa, dit was slechts voorbehouden voor ingewijden.