Het vliegend hert, ook wel groot vliegend hert of hertkever (Lucanus cervus) genoemd, is een kever uit de familie vliegende herten, waarvan deze soort de naamgever is. Het vliegend hert komt onder andere voor in België en Nederland, maar is daar erg zeldzaam.

Het vliegend hert is een van de grootste kevers van Europa en kan een totale lengte bereiken van meer dan 9 centimeter. De Nederlandse naam is te danken aan de enorme kaken (mandibels) van de mannetjes. Deze zijn aan het einde vertakt, en doen denken aan het gewei van een hert. Bij de vrouwtjes ontbreekt dit gewei, waardoor ze gemakkelijk zijn te onderscheiden van de mannetjes.

De kaken dienen alleen om te imponeren en kunnen niet krachtig worden samengetrokken. De vrouwtjes hebben weliswaar kleinere kaken, maar deze zijn in tegenstelling tot die van de mannetjes krachtig en scherp en kunnen gemakkelijk verwondingen aan de huid veroorzaken. Vrouwtjes knagen er gaten mee in de schors van bomen om vervolgens de sapstromen op te likken.

Het verspreidingsgebied van het vliegend hert beslaat grote delen van Europa en strekt zich uit tot in Azië. Het is een bewoner van bosrijke gebieden, waar de larven hun voedsel vinden. Deze eten vermolmd, vochtig hout dat ten minste half begraven is en door bepaalde schimmels is afgebroken. Door deze hoge eisen aan het voedsel en de lange ontwikkelingscyclus van vier tot acht jaar is het vliegend hert een kwetsbare soort. Het voortbestaan van de kever is in veel streken afhankelijk van bescherming.

Naamgeving en taxonomie De wetenschappelijke naam van de soort werd in 1758 als Scarabaeus cervus gepubliceerd door Carl Linnaeus. (1758). Systema naturae ed. 10: 353 De naam cervus betekent 'hert' en verwijst naar de geweivormige kaken van de kever.

Het vliegend hert heeft de noordelijkste verspreiding van de soorten uit het geslacht Lucanus.

Ondersoorten Van deze soort worden vier ondersoorten onderscheiden en daarnaast kent de ondersoort Lucanus cervus cervus een variëteit. Lucanus cervus cervus (Linnaeus, 1758) var. Lucanus. c. c. microcephalus Mulsant, 1842 Lucanus cervus judaicus Planet, 1902 Lucanus cervus mediadonta Planet, 1902 Lucanus cervus turcicus Sturm, 1843

Uiterlijke kenmerken miniatuur|---- Het vliegend hert is de grootste kever van Europa. De lichaamslengte is zeer variabel: bij de vrouwtjes varieert deze van 28 tot 45 millimeter en bij de mannetjes van 34 tot 86 mm. Van een ondersoort uit Turkije (Lucanus cervus akbesianus) wordt vermeld dat deze een lengte van 10 centimeter kan bereiken.

Kop Het rechts afgebeelde exemplaar is een mannetje, wat te zien is aan de kaken (1). Die zijn niet alleen lang en breed, maar ook vertakt, waardoor ze op een gewei lijken. Ze vallen op door de roodbruine tot purperachtige kleur, die intenser is dan de eveneens roodbruine, maar donkerder gekleurde dekschilden. De kaken hebben een glad oppervlak en zijn dik en van elkaar af gekromd. Ze eindigen in twee doornachtige uitsteeksels. Aan de binnenzijde van iedere kaak is bij het einde een tandachtige vertakking aanwezig. Bij deze vertakking draagt de binnenzijde van de kaak kleine stekeltjes; de binnenzijde van de kaak bij de kop is glad. De vorm van de kaken is afhankelijk van de grootte van het mannetje. Zie ook onder de sectie imago. Wanneer een mannetje zich bedreigd voelt of een rivaal tegenkomt, heft hij zijn kop omhoog en spreidt hij zijn grote kaken wijd open. Dat ziet er indrukwekkend uit en dient om de tegenstander af te schrikken. Mannetjes gebruiken hun kaken om andere mannetjes beet te pakken — meestal bij de poten, het halsschild of het lichaam — en proberen de tegenstander omver te duwen of van een boom af te tillen. Het is dus meer een soort worstelen of duwen dan bijten. Tegen natuurlijke vijanden (zoals vogels of egels) kunnen ze de kaken ook gebruiken om te knijpen of te klemmen. De kaken zijn bij mannetjes echter niet heel scherp, dus ze dienen vooral als afschrikking.

Bij de vrouwtjes zijn de kaken kleiner maar krachtiger — zij kunnen wél echt bijten als ze zich verdedigen.

De bovenste kaaktasters (2) zijn lang en goed zichtbaar. De onderste twee zijn kleiner (niet afgebeeld). Aan de voorzijde van de kop zitten de monddelen van de kever (3). Omdat de kever geen harde prooien eet, maar alleen vloeistoffen op likt, zijn de monddelen zachte, penseelachtige structuren. De zwarte ogen (4) zijn klein en kraalachtig. Het gezichtsvermogen van het vliegend hert is bijzonder slecht: alleen voorwerpen die heel dichtbij zijn kunnen worden onderscheiden. De kever gebruikt met name zijn andere zintuigen, die chemoreceptoren bevatten, om voedsel en een partner te vinden. Deze receptoren bevinden zich op de antennes en de poten. De antennes (5) zijn gelobd, waarmee het oppervlak vergroot is, wat de effectiviteit ervan verhoogt. De bovenzijde van de kop wordt beschermd door het kopschild (9), dat zwart is en een korrelige textuur heeft. Bij het vrouwtje is dit plat, wat goed aansluit bij het gestroomlijnde lichaam. Bij het mannetje is het kopschild bijna vierkant en heeft duidelijk opstaande randen aan de voorzijde evenals twee doornachtige uitstulpingen voor de ogen.

Borststuk Het borststuk is verdeeld in drie segmenten, van voor naar achter zijn dit het prothorax, het mesothorax en het metathorax. Aan ieder deel is aan de onderzijde een paar poten gehecht en aan de bovenzijde dragen het prothorax en het mesothorax een paar vleugels. Het borststuk wordt aan de voorzijde beschermd door het halsschild of pronotum (10). Net als het kopschild heeft het halsschild een korrelige structuur en een zwarte kleur, zodat ze beide afsteken tegen de roodbruine kaken en de bruine dekschilden.

De voorpoten hebben aan de binnenzijde van de heup een opvallende plek met goudgele beharing. Deze beharing speelt een rol bij de communicatie, zodat de mannetjes en vrouwtjes elkaar beter kunnen vinden. Het voorste borststuksegment draagt de dekschilden, ook wel elytra of voorvleugels genoemd (12). De dekschilden zijn verhard en ondoorzichtig en zijn in de lengte gegroefd, maar dit is moeilijk te zien. De achtervleugels zijn wel doorzichtig en hebben een vliezige structuur. De achtervleugels worden gebruikt om te vliegen, hiertoe worden eerst de dekschilden opgetild.

Achterlijf Het achterlijf beslaat het grootste deel van het lichaam. Het achterlijf is gesegmenteerd en wordt aan de bovenzijde beschermd door de tergieten of rugplaten en aan de onderzijde door de sternieten of buikplaten. Het achterlijf bevat het maag-darmstelsel, het belangrijkste deel van het zenuwstelsel en de voortplantingsorganen. Het achterlijf wordt beschermd door de dekschilden en is volledig aan het oog onttrokken. Ook de achterlijfspunt is niet zichtbaar, dit in tegenstelling tot veel andere kevers waarbij deze wel te zien is.

Onderscheid met andere soorten Het mannetje is door de grote kaken niet te verwarren met andere kevers. De kaken zijn zelfs bij kleine exemplaren duidelijk verlengd. De neushoornkever doet enigszins denken aan een vliegend hert vanwege het neushoornachtige uitsteeksel aan de bovenzijde van de kop. Dit is echter een enkelvoudige structuur die niet lijkt op de kaken van de mannetjes.

In Nederland komen naast het 'gewone' vliegend hert nog drie andere, veel kleinere, soorten voor. Het klein vliegend hert (Dorcus parallelipipedus) is van deze drie de grootste soort. Het klein vliegend hert lijkt veel op de vrouwtjes van het vliegend hert, maar blijft kleiner (tot 3 centimeter). Ook het blauw vliegend hert (Platycerus caraboides) en het rolrond vliegend hert (Sinodendron cylindricum) komen hier voor, al zijn ze zeldzaam. Het blauw vliegend hert heeft meer de vorm van een loopkever en het rolrond vliegend hert doet door het sterk gewelfde lichaam meer denken aan een mestkever. Ze zijn beiden veel kleiner dan het 'gewone' vliegend hert. Het belangrijkste verschil is echter dat bij alle drie de soorten een gewei-achtige vergroeiing van de mandibels ontbreekt.

Larven De larve is gemakkelijk te verwarren met die van verschillende soorten bladsprietkevers, zoals de neushoornkever (Oryctes nasicornis) en de meikever. Ook deze larven hebben een enigszins gekromd, c-vormig lichaam dat wit van kleur is met een oranje kop en poten. De belangrijkste verschillen zijn de kaken en de achterlijfspunt. De mandibels van de larve van het vliegend hert zijn recht, die van de andere twee soorten zijn gekromd. De achterlijfspunt van de larve van het vliegend hert is kaal, terwijl die van de andere soorten behaard is. Een ander verschil zijn de plooien op de bovenzijde van de larven; bij het vliegend hert zijn alleen plooien aanwezig tussen de lichaamssegmenten. Bij de meikever en de neushoornkever (en alle andere bladsprietkevers) zijn aan de bovenzijde ook tussenliggende plooien te zien. De larven van de neushoornkever hebben daarnaast een meer geprononceerde verdikking rond het stigma, de oranjerode vlekjes op de flanken die bestaan uit ademopeningen. Zie voor afbeeldingen van de larven onder larve.

Verspreiding en habitat Het vliegend hert is een Palearctische soort die voorkomt in zuidelijk, centraal en delen van noordelijk Europa. Het verspreidingsgebied strekt zich van west naar oost uit van noordelijk Spanje en delen van Portugal tot in oostelijk Rusland. Het zuidelijkste deel van het verspreidingsgebied bevindt zich in Turkije, het noordelijkste deel in Scandinavië. Ook in Groot-Brittannië komt de kever voor, hoewel uitsluitend in het zuiden en voornamelijk in het zuidoosten. In Wales zijn de populaties zeer versnipperd. Slechts in enkele streken is de soort nog plaatselijk algemeen. In Duitsland komt het vliegend hert in het gehele land voor met uitzondering van hoger gelegen delen. Ook in andere landen binnen het verspreidingsgebied komt de kever vrij algemeen voor, al wordt hij niet vaak waargenomen. Langs de randen van het Europese verspreidingsgebied zijn de populaties versnipperd. De randen van het areaal worden bepaald door de wintertemperatuur; in te koude streken kan de larve zich niet ontwikkelen. Nederland is een van de landen die op de grens liggen; alleen in het oosten en zuiden komt de kever nog voor. Toch is de soort ook noordelijker te vinden zoals Denemarken en volgens een verspreidingskaart van Mario Franciscolo uit 1997 zelfs in zuidelijk Finland.

België In België komt de kever in Vlaanderen voor in twee kerngebieden; de grootste in het Brussels Gewest rondom de stad Brussel en in het oosten rond het bosachtige gebied bij Voeren tot in het oostelijke deel van de Kempen. Tot 1950 - 1960 was de soort rond Brussel nog vrij algemeen, maar deze aanwezigheid verminderde sterk tussen 1970 en 1980. In Wallonië komt de kever vooral voor aan de rand van stedelijke gebieden, zoals Luik en Hoei. Biologen vermoeden dat ook in gebieden met brede riviervalleien populaties voorkomen, zoals in Hene, Ourthe en Viroin.Thomaes, A., Kervyn, T., Beck, O. & Cammaerts, R. - Verspreiding van het Vliegend hert in België (Coleoptera: Lucanidae) - Website In Antwerpen kwam de soort vroeger ook voor, maar is hier al lange tijd verdwenen: de laatste waarneming was van voor 1967. Nog langer geleden kwam de soort voor rond de plaats Mol: de laatste waarneming hier is uit 1877. De kever wordt gevonden rond het Zoniënwoud, waarbij opvalt dat vrijwel alle aangetroffen dieren uit de buurt van het woud komen en zelden uit het bos zelf.

Uit een verspreidingskaart van 1973 blijkt dat de soort verspreid over het land werd aangetroffen.

Nederland thumb|Kerngebieden in Nederland