miniatuur|Een kopje koffie Koffie is een meestal warm genuttigde drank, die wordt bereid op basis van water en gedroogde en gebrande pitten van de koffieplant (Coffea spp.) die vanwege hun vorm koffiebonen worden genoemd. Koffie bevat het stimulerende middel cafeïne.https://www.voedingscentrum.nl/encyclopedie/cafeine.aspx. Gearchiveerd op 23 juli 2023.https://www.jellinek.nl/vraag-antwoord/bestaat-cafeineverslaving-of-koffieverslaving/. Gearchiveerd op 26 april 2023. De meeste soorten in het geslacht Coffea komen van nature voor in tropisch Afrika en op de eilanden in de Indische Oceaan. Ze vinden hun oorsprong in Ethiopië, Jemen en Soedan.

De koffieboon is een exportproduct van landen rondom de evenaar, zoals Brazilië, Vietnam en Colombia. Koffieplanten worden vooral gecultiveerd op plantages in tropische landen, voor export naar landen met een gematigd klimaat. Samen met kennis van de drank verspreidde de plant zich vanaf de 15e eeuw uit tropisch Afrika naar Noord-Afrika, het Midden-Oosten en Europa. Sinds de 19e eeuw bevinden de producenten en exporteurs van koffiebonen zich met name in de tropische gebieden van Zuid- en Centraal-Amerika, Afrika en Azië. De meest geteelde soorten zijn Coffea arabica (arabica) en C. canephora (robusta).

Koffie wordt in veel culturen genuttigd. De drank is, voor wat betreft de smaak, bitter en licht zuur en wordt daarom soms aangevuld met melk en/of suiker. Koffie wordt ook als smaakmaker gebruikt in gebak, taart en ijs. Een gematigde consumptie (gefilterde koffie, zonder suiker) kan een gunstig effect hebben op de gezondheid.

Geschiedenis Legenden en mythe Het verhaal van Kaldi, de Ethiopische geitenhoeder die de koffie zou hebben ontdekt nadat hij merkte dat zijn geiten energiek werden van rode bessen, wordt algemeen beschouwd als een legende zonder historische grondslag.

Hij zag dat zijn geiten na het eten van bepaalde bessen erg opgewonden werden. De herder plukte er een aantal van, kookte ze en verkreeg hierdoor een aftreksel met een tot dan toe onbekende geur. Die drank was bitter, maar gaf ook een gevoel van voldoening en helderheid van geest.

Een ander verhaal gaat over een Soefigeleerde uit Jemen die naar Kaffa reisde en van de bessen een drankje maakte. Koffie zou hierna wijn hebben vervangen als religieuze drank. Ook is er nog een verhaal van een naar de woestijn verbannen geestelijke uit de Jemenitische havenstad Mokka die vanwege de honger besloot de bessen van een koffieplant te koken.

De drank werd zowel opgemerkt door Arabische handelaren als door de beroemde Perzische arts Avicenna.

Ontdekking en cultivering Oorsprong en verspreiding miniatuur|Koffieplant (Arabica-koffie) met onrijpe bessen in Colombia miniatuur|Koffieplant (Arabica-koffie) met rijpe bessen in Brazilië miniatuur|KoffiebesNaar alle waarschijnlijkheid hebben Arabieren de teelt van koffieplanten in gang gezet. Ondanks pogingen tot geheimhouding en het handhaven van een uitvoerverbod, werd koffie spoedig populair in de meeste islamitische landen. De havenstad Mokka werd de belangrijkste distributeur vanwaar de koffie naar Egypte en Syrië werd getransporteerd. De koffiesoort mokka is naar deze stad vernoemd. Zowel islamitische geestelijken als Ethiopische christelijke geestelijken hebben de drank verboden vanwege het stimulerende en verslavende effect. Deze verboden zijn altijd weer na verloop van tijd ongedaan gemaakt.

Het eerste Europese koffiehuis zou in het 16e-eeuwse Venetië zijn geopend, maar het is niet duidelijk wie daarvoor gezorgd heeft.

Teelt in Nederlandse en Franse koloniën Op instigatie van de Amsterdamse burgemeester Nicolaas Witsen, stuurde de commandeur van Malabar, Adriaan van Ommen, enkele koffieplantjes naar zijn collega van de VOC-vestiging in Batavia op. Deze werden geplant op de Kedawoeng-plantage in Batavia, maar deze oogst mislukte, waarna de door Henricus Zwaaydecroon in 1699 vanuit Malabar meegebrachte stekjes wel een goede oogst opleverden.Jon Thorn, Koffie, alle informatie voor de liefhebber; Uitgever: Librero Nederland B.V., 1999, De eerste koffiemonsters en een koffieplant werden in 1706 naar Amsterdam verscheept. In de botanische tuin van Amsterdam werden de zaden van de plant verder opgekweekt en van daaruit verstuurd naar andere Europese landen.

De Nederlanders teelden voor de export koffie op plantages op Celebes en Sumatra, waardoor Nederland het eerste commerciële koffie-exporterende land werd. Op het einde van de 17e eeuw smokkelden Nederlandse zeevaarders Coffea arabica van Mokka naar Java, waar de plant goed bleek te groeien. De slechte levensomstandigheden van de Javanen die werkten op de koloniale koffie- en suikerplantages in Nederlands-Indië werden beschreven door Eduard Douwes Dekker (Multatuli) in zijn boek Max Havelaar (1859). De Nederlanders brachten ook koffie naar Sri Lanka en Zuid-Amerika, waar de koffiecultuur van start ging in de 18e eeuw. Aldus verspreidde de productie zich snel over de meeste tropische gebieden. De Nederlanders waren naar verluidt de eerste handelaars die koffie op grote schaal naar Europa brachten. Amsterdam zou zo het eerste internationale koffiehandelscentrum zijn geworden. Volgens sommigen gaat deze eer naar de grote concurrent in die tijd, Londen.

In 1709 gaf het Amsterdamse stadsbestuur een koffieplantje cadeau aan Lodewijk XIV, dat werd opgekweekt in de Jardin des Plantes in Parijs. Stekken vonden hun weg naar de Franse overzeese gebiedsdelen en naar Zuid- en Midden-Amerika en het Caribisch gebied. In het begin van de 18e eeuw wist de Franse marineofficier Gabriel de Clieu, die in dienst was op Martinique, stekjes van een koffieplant naar de Franse Caraïbische eilanden Martinique, Haïti, Santo Domingo en Guadeloupe te smokkelen waarna de koffieproductie ook daar op gang kwam. Rond 1727 wist men ook koffiezaden vanuit Frans-Guyana naar Brazilië te smokkelen.

Teelten in Zuid-Amerika, Afrika en andere landen Nadat de Nederlanders in 1718 koffieplanten naar Nederlands Guyana (Suriname) brachten en daar koffieplantages inrichtten, verspreidde zich de teelt snel over heel Zuid-Amerika. Portugezen wisten rond 1727 in Franse koloniën zoals Martinique en Frans-Guyana koffiezaden of -stekjes te bemachtigen en zetten in Brazilië koffieplantages op. In 1760 werden koffieplanten of zaaigoed uit Goa in het huidige India geïmporteerd. Goa en Brazilië waren beide Portugese kolonies. Door de almaar grotere productie daalde de prijs van koffie verder. Brazilië ontwikkelde zich tot de grootste koffieproducent ter wereld, een positie die het nog steeds heeft.

Vanaf eind 19e, begin 20e eeuw werd in de verschillende Afrikaanse koloniën van België, Duitsland en Frankrijk de teelt van koffie ter hand genomen. In 1857 ging de teelt in de Franse protectoraten in Vietnam van start.

In de laatste decennia van de twintigste eeuw groeide de koffieproductie sterk in enkele landen die eerder een bescheiden positie op de koffiemarkt innamen, waaronder Ethiopië en Vietnam, dat rond 2000 het op een na grootste koffieproducerende land ter wereld werd.

Meest geteelde soorten Arabica-koffie miniatuur|left|Ongebrande C. arabica miniatuur|Bloemen van C. arabica Van oorsprong komt arabica-koffie (C. arabica L.) uit het Ethiopisch Massief. Van daaruit werd de soort naar de Arabische landen verspreid. In 1690 werd de plant, waarschijnlijk afkomstig uit Jemen, door de Nederlanders ingevoerd op Java en in 1699 opnieuw. In 1708 werd vanuit Java een plant die bloeide en bessen gaf, overgebracht naar de Hortus Botanicus van Amsterdam. In 1715 stuurde de toenmalige burgemeester van Amsterdam nazaten van deze plant naar koning Lodewijk XIV in Parijs, waar ze verder werden verzorgd door Antoine de Jussieu. Ook werden er in 1718 planten vanuit Amsterdam verstuurd naar Suriname van waaruit ze in 1725 door de Fransen werden verspreid over Frans-Guyana.Amsterdam als de 'coffeeshop' van Brazilië. Gearchiveerd op 18 augustus 2023. Vanuit Frans-Guyana vond in 1727 verdere verspreiding plaats naar Brazilië. Nakomelingen van de Parijse plant kwamen rond 1720 in Martinique terecht en van daaruit in 1730 op Jamaica. De arabica-koffie is vanuit deze introducties verder verspreid naar het Caraïbische gebied, Centraal-Amerika en Zuid-Amerika.

Aan het eind van de zeventiende eeuw werd de arabica-koffie ook ingevoerd in India en Ceylon. In 1740 kwamen Amsterdamse nakomelingen op de Filipijnen en in 1825 op Hawaï terecht. De Fransen namen de plant mee naar hun Afrikaanse kolonies. Ook is via de Edinburgse Botanische Tuin in 1878 een nakomeling van de Amsterdamse plant in Nyasaland terechtgekomen, van waaruit zij omstreeks 1900 verder naar Oeganda werd verspreid.

Brazilië en Colombia zijn de belangrijkste producenten van arabica-koffie. Daarnaast zijn Mexico, El Salvador, Guatemala en Costa Rica belangrijke koffieproducenten.

Robusta-koffie miniatuur|left|Niet-gebrande C. canephora miniatuur|Bloemen van C. canephora Robusta-koffie (C. canephora A. Froehner, C. robusta L.Linden) komt van oorsprong uit het middelgebergte van Afrika rondom de evenaar, tussen 10° Noorder- en Zuiderbreedte, van de westkust tot Oeganda.

Robusta-koffie is minder vatbaar voor plantenziekten dan arabica-koffie. De soort is daardoor met minder bestrijdingsmiddelen te telen. Bovendien levert ze een grotere oogst dan arabica-koffie. Robusta-koffie is daardoor goedkoper te produceren dan arabica. Deze koffie wordt veel gebruikt voor het maken van koffiepoeder. De bonen bevatten ongeveer 2 - 2,5 % cafeïne, zo'n 70 % meer dan arabica. De Baganda en andere Oegandese stammen teelden deze koffie lang voor de ontdekking door Europese ontdekkingsreizigers en gebruikten de koffiebonen om op te kauwen. Ook werden de bessen gekookt en gedroogd. Daarnaast werden de twee zaden uit een bes gebruikt voor de ceremonie van bloedbroederschap.

In 1900 stuurde Lucien Linden (1851-1940) vanuit Brussel 150 planten naar Java. De planten bleken daar goed te groeien en resistent te zijn tegen koffieroest (Hemileia vastatrix) en al snel breidde de koffieteelt met robusta-aanplant zich sterk uit op Java. Sinds 1900 is de robusta-koffie over de hele wereld verspreid; belangrijke teeltgebieden liggen nu in tropisch Afrika, Azië en Zuid-Amerika. Belangrijke productiegebieden zijn Vietnam, Brazilië, Ivoorkust, Angola, Oeganda, Congo, Madagaskar en Indonesië.

Liberica-koffie Liberica-koffie (C. liberica W.Bull) is afkomstig uit Liberia en Congo-Kinshasa en wordt vooral geteeld in Maleisië, West-Afrika en de Guyana’s. De productie van Liberica is ongeveer één procent van de wereldproductie aan koffie.

Deze koffie is een laaglandsoort die goed aangepast is aan warme equatoriale bossen.

Deze koffiesoort werd, door zijn resistentie tegen ziekten, aan het einde van de 19e eeuw in Indonesië aangeplant als vervanger van de door de koffieroestziekte aangetaste Arabica-koffiebomen.

De plant produceert bessen die twee keer zo groot zijn als die van de C. arabica. De bonen zijn echter van veel mindere kwaliteit. Daarom wordt liberica-koffie meestal geteeld voor lokale consumptie en zelden voor de export. Alleen in Scandinavische landen werd veel liberica-koffie gedronken. Noorwegen was rond de Tweede Wereldoorlog de belangrijkste afnemer van Surinaamse liberica-koffie.

Excelsa-koffie Excelsa-koffie wordt gekenmerkt door de uitgesproken smaak: zurig en fruitig. Vaak wordt deze koffie gemengd met de arabica of robusta. De variant maakt slechts 2% van de handel in koffie uit. De Excelsa werd aanvankelijk gezien als aparte soort maar later als een variëteit van de Liberica-boon, met name de dewevrei-variëteit. Toch wordt de koffievariant in de praktijk nog vaak behandeld als een aparte soort. De koffie wordt hoofdzakelijk gekweekt in Zuidoost-Azië, met name in Vietnam en de Filipijnen. 4 soorten koffiebonen: wat maakt ze anders, Methodical, 27 juli 2023

Plantenziekten