miniatuur|Kaart met bekende locaties van jappenkampen in de Groot Oost-Aziatische Welvaartssfeer tussen 1941 en 1945.
Jappenkamp is de Nederlandse benaming voor Japanse interneringskampen, dat wil zeggen plaatsen waar burgers of krijgsgevangen militairen gedurende de Japanse bezetting van Nederlands-Indië (1942-1945) gedwongen waren te blijven op last en onder toezicht van het Japanse gezag.
De Groot Oost-Aziatische Welvaartssfeer was een Japans imperialistisch idee met als doel het unificeren van de volkeren in Oost-Azië en ze te bevrijden van westers kolonialisme, onder leiding van het Japans Keizerrijk. Nederlanders werden door de Japanse bezetter, als staatsburgers van landen waarmee Japan direct in oorlog was, beschouwd als 'vijandelijke buitenlanders'. Tijdens de Japanse bezetting van Nederlands-Indië was er sprake van een systematisch harde en wrede behandeling van zowel burger- als krijgsgevangenen, soms met de dood tot gevolg. Hoewel er geen voedseltekorten waren in Nederlands-Indië, was er binnen de kampen een groot tekort aan voedsel, water, medicijnen en gezondheidszorg. Besmettelijke ziekten, mede veroorzaakt door slechte sanitaire voorzieningen, hadden vrij spel en kostten aan duizenden het leven.
Jappenkampen werden door ex-gevangenen beschreven als concentratiekampen, of zelfs passieve vernietigingskampen. Door het grootschalig en consequent onthouden van voedsel en medicijnen stierven de bewoners na verloop van tijd vanzelf.
De Amerikaanse atoombomaanvallen op Hiroshima en Nagasaki, die de onvoorwaardelijke overgave van Japan tot gevolg hadden, maakten een einde aan de kampen.
Inleiding
Gedurende het verloop van de Tweede Wereldoorlog werd Nederlands-Indië in 1942 door Japan bezet. De interneringskampen werden door het Japanse bezettingsleger gebruikt om Nederlanders en mensen van andere nationaliteiten, die nog in het land verbleven, te interneren. Er waren krijgsgevangenkampen voor militairen,E. van Witsen. Krijgsgevangenen in de Pacific-Oorlog (1941-1945). Franeker, 1971https://www.japansekrijgsgevangenkampen.nl/. Gearchiveerd op 15 augustus 2023. en kampen voor burgers.D.van Velden. De Japanse Interneringskampen voor burgers gedurende de Tweede Wereldoorlog. Franeker, 4de druk, 1985http://www.japanseburgerkampen.nl/ Een volledig register van kampen wordt gegeven in Atlas van Nederlandse kampen.Geïllustreerde Atlas van de Japanse Kampen in Nederlands-Indie 1942-1945. Blz. 21-23https://www.indischekamparchieven.nl/. Gearchiveerd op 15 augustus 2023. De burgerkampen waren weer onderverdeeld in kampen voor mannen, vrouwen en kinderen en (oudere) jongens. Sommige vrouwen werden door Japanse soldaten tot prostitutie gedwongen; zij werden troostmeisjes genoemd.
De gevangenen werden over het algemeen slecht behandeld. Er was vaak weinig eten beschikbaar en men moest hard werken. Overtreders van de regels konden vaak rekenen op strenge straffen of martelingen. Naast deze kampen waren er ook werkkampen voor Indonesiërs (romoesja's) en kampen voor Indo-Europese jongeren.Jongenskampen.nl Veel mannen (militairen, dienstplichtigen en romoesja's, aangevuld met fysiek 'sterke' burgers) werden ingezet als dwangarbeiders aan de Birmaspoorweg, de zogenaamde Dodenspoorlijn tussen Nong Pladuk in Thailand en Thanbyuzayat in Myanmar (Birma), of aan de Pakanbaroe-spoorweg tussen Pekanbaru en Muaro op Midden-Sumatra. Ook werden de mannen als dwangarbeider ingezet voor het aanleggen van vliegvelden op Flores, op de Molukken1000 van Amahei. Gearchiveerd op 4 oktober 2013. en het werk in mijnen of andere industrieën in Japan.
Het woord "jappenkamp" is een samenstelling van "jappen" (enkelvoud "jap", een verkorting van "Japanner") en "kamp". Tegenwoordig wordt het woord "jap" als beledigend beschouwd en een ongepast synoniem voor "Japanner", maar "jappenkamp" geldt als een algemeen gangbare historiografische term voor de Japanse interneringskampen tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Krijgsgevangenen Aantallen en categorieën miniatuur|links|Krijgsgevangene in een fase van verhongering in het Kamp Batu Lintang, september 1945 In de periode 1941-1942 sneuvelden 1.653 officieren en minderen van de Koninklijke Marine en 896 KNIL-militairen: in totaal: 2.549.L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 11b, pag. 1123 Met de capitulatie van het KNIL op 8 maart 1942 raakten ongeveer 42.240 Nederlandse militairen (waaronder ook Indo-Europese en 'gelijkgestelde' Nederlandse militairen) in Japanse krijgsgevangenschap.Zwitzer, H.L. (1978) Mededelingen van de Sectie Krijgsgeschiedenis 5-23.https://www.niod.nl/nl/CijfermateriaalJapanseBezetting.htm Het aantal inheemse beroepsmilitairen werd geschat op 24.000. Zij waren afkomstig uit Java (15.000), Manado (3000), Ambon (5000) en Timor (1000). Hiervan zijn naar schatting later in 1942 15.000 militairen weer vrijgelaten.Geïllustreerde Atlas van de Japanse Kampen in Nederlands-Indië 1942-1945. Blz. 5 Een deel van hen nam daarna dienst in het Japanse leger als hulpsoldaat (heiho's).
Een aanzienlijk aantal, speciaal onder de Ambonezen, bleef echter in gevangenschap. De Indo-Europeanen bleven in de meeste gevallen samen met de Europeanen zonder een gemengde afkomst geïnterneerd. Een uitzondering hierop was een verzamelkamp in Tjimahi.Geïllustreerde Atlas van de Japanse Kampen in Nederlands-Indië 1942-1945. blz. 6/7 De meeste krijgsgevangenen bevonden zich tijdens de capitulatie in de provincies West-Java (zie bijvoorbeeld Tjimahi) en Oost-Java. Ook op Borneo, Sumatra, Celebes en de Oostelijke eilanden bevonden zich kampen. Een aanzienlijk deel van de krijgsgevangenen werd daarna in werkkampen elders in de Archipel of daarbuiten te werk gesteld. De leefomstandigheden in de meeste kampen waren zeer zwaar. Berucht was daarbij het optreden van de Japanse militaire politie (Kempeitai). De moeilijkste omstandigheden deden zich voor waar krijgsgevangenen steeds weer op transport werden gesteld naar nieuwe werkkampen (de zogenaamde "dodenmarsen") en op locaties waar de Japanse kampleiding zich liet gelden door wreedheid en onverschilligheid in de behandeling van gevangenen. Berucht zijn de dodenmarsen van het kamp Sandakan in Noord-Borneo. In de werkkampen werden gevangenen onder vaak onmenselijke omstandigheden tewerkgesteld. Japan heeft de Conventie van Genève van 1929 nooit geratificeerd en ook niet nageleefd. Aan het einde van de oorlog verkeerden veel krijgsgevangenen in een 'toestand van lichamelijke en geestelijke uitputting waaronder ook de sterkste nauwelijks nog enige weerstand konden opbrengen'.Geïllustreerde Atlas van de Japanse Kampen in Nederlands-Indië 1942-1945. Blz. 12 In totaal stierven 8.200 krijgsgevangenen (1 op de 5, of 20%) tijdens gevangenschap. Meer dan de helft (ongeveer 5600) kwam om bij dwangarbeid verricht aan de Birmaspoorweg (3100 slachtoffers) en de Pakanbaroe-spoorweg op Sumatra (bijna 2500 slachtoffers onder de krijgsgevangenen, naast waarschijnlijk meer dan 9.000 slachtoffers onder de geïnterneerde romoesja's).Hovinga, H.,(1976) Dodenspoorweg door het oerwoud. Blz. 147
Krijgsgevangenkampen Inleiding Het totaal aantal krijgsgevangenen was omstreeks 42.000; daarbij waren er 37.000 van het Indische leger, 3.900 van de Koninklijke Marine en 1.500 zogenaamde stads- en landwachten. Deze werden ook wel landstorm genoemd. Deze militairen vormden ongeveer een derde deel van de Nederlandse mannen in Indië. In tegenstelling tot de situatie in Nederland (na de capitulatie voor Duitsland op 14 mei 1940) was er in Indië geen afwikkeling of afvloeiing geweest. Alle militairen werden zonder meer naar de kampen gezonden. Ook de commandanten mochten geen verslagen meer maken of officiële mededelingen doen. Het gevolg hiervan was dat er na de capitulatie van het Indische leger allerlei (veelal negatieve en verwarrende) geruchten de ronde gingen doen. Onderscheidende rangtekens moesten worden ingeleverd en diverse legeronderdelen raakten zozeer uit hun verband gerukt dat alle organieke structuur verloren ging. Voorraden waren in beslag genomen en kleding en schoeisel werd niet meer aangeleverd. Dit alles betekende dat de militairen ineens volslagen rechteloos waren geworden. S.A. Lapré. Nederlands-Indië in kort bestek. Bladzijde 52-53
Per kamp was in de meeste gevallen de hoogste in rang zijnde Nederlandse officier verantwoording schuldig aan de Japanse kampcommandant, veelal een kapitein of luitenant. De dagelijkse routinecontrole in de kampen gebeurde bijna altijd door onderofficieren en manschappen, waaronder zich vrijwel altijd Koreanen bevonden. Om indruk op de leiding te maken trad men vaak bij de geringste overtreding sadistisch op. De krijgsgevangenen werden over de gehele Nederlandse archipel verspreid en ver daarbuiten. Krijgsgevangenen met de rang van kolonel en hoger werden naar Formosa getransporteerd en vandaar naar Mantsoerije. Vanuit de basiskampen vertrokken groepen met diverse bestemmingen, maar "waarheen" wist niemand. Zodoende wist men uiteindelijk alleen nog maar waar zich de eigen groep bevond; van andere eenheden was niets bekend, slechts geruchten deden hieromtrent de ronde. Behalve Nederlanders zijn ook veel Engelse en Amerikaanse krijgsgevangenen, de laatsten vooral op de Filipijnen, in de kampen overleden.
Werkzaamheden en sancties
De krijgsgevangenen werden gedwongen allerlei werkzaamheden te verrichten, zoals het aanleggen van vliegvelden, het construeren van wegen, spoorlijnen en bruggen, havenwerkzaamheden en diverse andere zaken. Deze slavenarbeid, vaak onder zeer slechte omstandigheden, in ruige en mensvijandige gebiedsdelen, was voor velen fataal. Dat was onder meer het geval bij de aanleg van spoorwegen op Sumatra, Birma en Siam, bij de vliegveldaanleg in het oosten van Nederlands-Indië en Singapore, bij het werk in de mijnen in Japan en bij vele andere werkzaamheden in Zuidoost-Azië. Sancties bestonden onder meer uit het opsluiten in een kooi, zonder dak, zodat men dagenlang blootgesteld was aan alle weersinvloeden, het urenlang op de appelplaats laten staan en soms zelfs dagenlang en ranselpartijen met de vuist, gelaarsde voet, de schede van het samoeraizwaard, de knuppel of de zweep. Ontsnappingspogingen werden meedogenloos bestraft en wel door middel van de doodstraf; de uitvoering hiervan geschiedde met de bajonet, door onthoofding of een enkele maal door een vuurpeloton.
De Japanse premier Tojo had duidelijk gemaakt dat de Geneefse Bepalingen niet zouden worden nagekomen en dat de westerse krijgsgevangenen vooral vernederende arbeid dienden te verrichten en wel bij voorkeur in het zicht van de door de Japanners "bevrijde" volkeren. Vertegenwoordigers van het Rode Kruis en de neutrale mogendheid Zweden kregen geen kans daadwerkelijk controle uit te oefenen op de behandeling van krijgsgevangenen.
miniatuur|Verhongerende Amerikaanse krijgsgevangenen in een kamp op de Filipijnen
Transporten De meeste verliezen aan levens van krijgsgevangenen kostten de transporten over zee. Ongeveer 90 procent van hen werd een of meerdere malen met dat soort vervoer geconfronteerd. De transporten vonden niet plaats op gemarkeerde schepen, dus zonder duidelijk Rode Kruis teken, die meevoeren in Japanse militaire konvooien. Aldus werden er schepen met vele krijgsgevangenen door de geallieerden getorpedeerd en gebombardeerd. De gevangenen zaten opgesloten in de ruimen en als ratten in de val tijdens zo'n aanval. Het grootste verlies aan levens van krijgsgevangenen kostte de torpedering van het Japanse vrachtschip de Junyo Maru in september 1944 in de Indische Oceaan, nabij Zuidoost-Sumatra, waarbij 5.600 mensen om het leven kwamen. De schepen werden Hellships genoemd. In het algemeen kon worden gesteld dat er bij de krijgsgevangenen in de Japanse kampen drie keer meer slachtoffers vielen dan bij die in Duits gevangenschap in Europa. S.A. Lapré. Nederlands-Indië in kort bestek. Bladzijde 54-55.
POW-nummers