thumb|Voorbeeld van een ‘illuminatie’ in de strikte betekenis van het woord; “Christus in Majesteit uit het "Aberdeen Bestiary"” Boekverluchting is de kunst of het ambacht die zich bezighield met de illustratie en de versiering van middeleeuwse handschriften en andere documenten. Soms wordt dit ook ‘illuminatie’ genoemd, van het Latijn illuminare dat verlichten betekent, hoewel illuminatie strikt genomen slaat op het ‘verlichten’ van handschriften met bladgoud of zilver. In het Vroegmiddelnederlands betekent verlichten trouwens: met goud of kleuren afzetten; inzicht brengen; verlichten.Vroegmiddelnederlands Woordenboek. Red. W.J.J. Pijnenburg, K.H. van Dalen-Oskam, K.A.C. Depuydt, T.H. Schoonheim. Leiden: Instituut voor Nederlandse Lexicologie, 2001. In het moderne Nederlands is dit verluchten geworden.
Doel thumb|Getijdenboek in de stijl van Marmion, Brugge ca. 1480 De boekverluchting had als eerste doel de tekst te verduidelijken, toe te lichten, te ontsluiten en de lezer tot een beter begrip van de tekst te brengen.
De illustratie kon ook een didactische bedoeling hebben: de tekst aanvullen, voorbeelden stellen, gebeurtenissen uit het verleden actualiseren enzovoort. Dat het boek daardoor mooier werd was meegenomen maar was niet de belangrijkste bedoeling, zeker niet in de beginperiode van de boekverluchting toen de meeste handschriften nog religieuze boeken waren en gemaakt werden in de abdijen. Als vanaf de 13e eeuw de boekproductie wordt overgenomen door de lekenateliers gaat de boekverluchting ook belangrijk worden in het kader van het boek als statussymbool. Hoe meer en uitbundiger een boek verlucht was, hoe duurder en exclusiever het werd. Men gaat zelfs boeken die niet voor het gebruik van leken bestemd waren zoals het brevier voor leken (van de hogere adel of vorstenhuizen) maken omdat men er veel meer miniaturen in kwijt kon dan in het gewone getijdenboek. Voorbeelden hiervan zijn het Breviarium Mayer van den Bergh en het Breviarium van Isabella van Castilië.Een meer volledige lijst kan men vinden in het artikel Breviarium Mayer van den Bergh in de sectie Lekenbrevier. Een tweede doel van de boekverluchting was het aanbrengen van structuur in de tekst. De miniaturen en versierde of gekleurde initialen in een handschrift worden niet zomaar lukraak geplaatst, maar zijn te vergelijken met de middeleeuwse versie van onze inhoudslijst. Zo zal men bijvoorbeeld in een getijdenboek bijna altijd dezelfde miniaturen terugvinden aan het begin van de gebedsstonden. Er bestond hiervoor zelfs een Vlaams en een Frans programma.Zie hierover de sectie Het getijdenboek als kunstwerk in het artikel over het getijdenboek. Maar ook de initialen, de grootte en de mate van versiering ervan hielpen de lezer om wegwijs te worden in een handschrift. Zo zal men in een getijdenboek meestal, naast de miniaturen, grote (bv. 3 lijnen hoog) en versierde initialen vinden bij het begin van elke psalm terwijl andere gebeden een iets kleinere (bv. 2 lijnen hoog) initiaal krijgen. Ook de versalenBeginletter van een vers in een psalm of Bijbeltekst worden dikwijls aangemerkt door ze in te kleuren.
Een derde doel was versiering om de versiering en een voorbeeld hiervan zijn de lijnvullingen die in sommige (meestal kostbare) handschriften worden aangebracht om de lege plaats op een lijn op te vullen om zo een mooiere bladspiegel te bekomen. Ook de margeversiering kan soms in deze categorie worden ondergebracht. In andere gevallen wordt de margeversiering ook illustratie of verhalend gebruikt om de tekst toe te lichten of letterlijk af te beelden.
Stijlgeschiedenis Late oudheid thumb|left|Vergilius Romanus; Portret van Vergilius De boekverluchting in de late oudheid ontwikkelde zich van de 2e tot de 4e eeuw via de gebonden codex. Ze ontstond uit de rijke traditie van beschilderde boekrollen. De oudste verluchte manuscripten die de tijd hebben overleefd dateren van de 4e tot de 7e eeuw. Zij werden veelal gemaakt in het Byzantijnse Rijk en kwamen via Italië in het West-Romeinse Rijk of wat er van overbleef terecht. Dankzij deze werken werd de link met de antieke oudheid bewaard, Byzantium had niet de problemen gekend van invasies van de barbaarse volkeren die het West-Romeinse Rijk hadden overspoeld en had de antieke traditie naadloos voortgezet.
De handschriften kwamen terecht bij dat deel van de bevolking dat kon lezen: de geestelijkheid. Dankzij het kopieerwerk van de monniken werd die erfenis bewaard en vermenigvuldigd. De belangrijkste bewaarde werken zijn de "Vergilius Vaticanus" ca. 400,Rome, Biblioteca Vaticana, cod. lat. 3225 "Vergilius Romanus" 5e eeuw,Rome, Biblioteca Vaticana, Vat. lat. 3867 de "Quedlinburger Itala" 5e eeuw,Berlin, Staatsbibliothek Preußischer Kulturbesitz, Cod. theol. lat. fol. 485 de "Ilias Picta" ca. 500,Mailand, Ambrosiana, Cod. F. 205 Inf. het “Augustinus Evangeliarium” 6e eeuwCambridge, Corpus Christi College, Lib. MS. 286 en de "Ashburnham-Pentateuch" 7e eeuw.Paris, Bibliothèque nationale, MS nouv. acq. lat. 2334
Insulaire periode thumb|Tapijtbladzijde uit het "Book of Kells" De traditie van de antieke handschriften werd later weer opgenomen door Ierse monniken na de bekering van Ierland door Saint Patrick. De Ierse monniken zwermden in de 6e eeuw uit naar Iona, vandaar naar Schotland en Northumbria, waar ze in contact kwamen met boeken uit Italië. De boeken die hier zijn ontstaan zijn beïnvloed door de Keltische goudsmeedkunst en hebben geresulteerd in de Anglo-Ierse of de "Insulaire” boekkunst. De insulaire periode loopt van de 7e tot de 8e eeuw. Ze komt ten einde door de invallen van de Noormannen op het einde van de 8e eeuw. Het klooster van Lindisfarne bijvoorbeeld wordt geplunderd en vernield in 793.
thumb|left|Chi-Rho uit het "Book of Kells" Tapijtpagina's, die dikwijls de invloed tonen van de Keltische goudsmeedkunst, zijn een karakteristieke eigenschap van de insulaire manuscripten. Ook de rijkelijk uitgewerkte initialen zoals de christogram uit het "Book of Kells" zijn een insulaire ontwikkeling. De handschriften die gemaakt worden zijn voornamelijk evangeliaria. Naast de tapijtpagina’s en de uitgewerkte initialen, zijn de canontafels en figuurlijke afbeeldingen, vooral de portretten van de evangelisten, ook gebruikelijk in deze handschriften. Via de Ierse missionering op het continent werd deze kunstvorm geëxporteerd naar het vasteland.
De bekendste werken uit dit tijdperk zijn het Book of Kells,Dublin, Trinity College Library, Ms. 58 (A.I.6) het Lindisfarne-evangeliarium (715-721)London, British Library, Cotton MS Nero D. iv en het Book of Durrow ca. 675.Dublin, Trinity College Library, MS A. 4. 15. (57)
Karolingische renaissance thumb|Utrechts Psalter De insulaire periode wordt gevolgd door de Karolingische renaissance (8e tot het einde van de 9e eeuw). Karel de Grote had tijdens zijn veldtochten Italië kennis gemaakt met de antieke en de Byzantijnse cultuur en had een aantal geleerden rond zich verzameld die hem vergezelden naar Aken en de basis vormden van zijn hofacademie. Het is deze hofacademie die vanaf 780 een leidende rol zal gaan spelen in het vervaardigen van handschriften. De handschriften van deze “Ada-groep” zijn gebaseerd op die uit de antieke erfenis maar evenzeer beïnvloed door de insulaire kunst. De portretten van de evangelisten krijgen opnieuw een driedimensionaal aspect en tonen mannen met een realistische lichaamsbouw. Een tweede groep wordt de “Paleisschool” of de “groep van het Kroningsevangeliarium” genoemd. Ze wordt actief vanaf 800 en levert prachtige werken af die zelfs die van Byzantium overtreffen.
Onder Lodewijk de Vrome en Karel de Kale verschoof het zwaartepunt van de boekproductie zich van Aken naar Reims waar men verder werkte in de traditie van de paleisschool. De leidende figuur in Reims is aartsbisschop Ebo. Naast de scholen die ontstonden aan het keizerlijke hof laten ook de abdijen zich niet onbetuigd. Bijvoorbeeld Saint-Martin van Tours wordt een belangrijk centrum tot in de tweede helft van de 9e eeuw wanneer de abdij door de Vikingen vernield wordt. De school van Metz zette de traditie van de Ada-groep verder.
Bekende werken uit deze periode zijn het Ada-evangeliarium ca. 790,Trier, Stadtbibliothek, Cod. 22 het Godescalc-evangelistarium Aken(?), tussen 781 en 783,Parijs, Bibliothèque nationale, Ms. nouv. acq. lat. 1203 het Kroningsevangeliarium ca. 800,Wien, Kunsthistorisches Museum, Schatzkammer Inv. XIII 18 het evangelarium van Ebo, Reims, tussen 816 en 835,Épernay, Bibliothèque Municipale, Ms. 1 het beroemde Utrechts Psalter Reims omstreeks 825Utrecht, Universitätsbibliothek, Ms. 484 en het Sacramentarium van Drogo, Metz 843.Paris, Bibliothèque nationale, Ms. lat. 9428
Ottoonse periode thumb|left|Hitda Codex; Storm op het meer van Genezareth In het West-Frankische rijk ging de cultuur teloor door de invallen van de Noormannen en de groeiende invloed van de feodaliteit. De fakkel werd overgenomen door het Oostfrankische rijk en dit leidt tot de Ottoonse periode (van het midden van de 10e tot de vroege 11e eeuw). Eerst volgt men nog vrij sterk de stijl van de Ada-groep maar stilaan gaat de stijl wijzigen. Men ontwikkelde een zeer gestileerde en formele beeld- en gebarentaal, de afbeeldingen zijn monumentaal maar vlak, diepte ontbreekt volledig, en men beperkt zich (grotendeels) tot afbeeldingen van de evangelisten en van de keizer. In de beginperiode zorgen de abdijen van Sankt Gallen, Fulda en Corvey voor het doorgeven van de Karolingische stijl. Gaandeweg groeit de Abdij van Reichenau, op een eilandje in het Bodenmeer, met de Liuthar groep, uit tot het leidende centrum van de Ottoonse kunst, maar ook de Sint-Maximinusabdij in Trier, de Abdij Sankt Emmeram in Regensburg, de Abdij Sankt Pantaleon in Keulen, de Abdij Sankt Alban bij Mainz, de Abdij van Prüm en de Abdij van Echternach zijn belangrijke centra.
In de werken uit Keulen is zeer duidelijk de Byzantijnse invloed herkenbaar. Dit is niet echt verwonderlijk als men bedenkt dat keizerin Theophanu, een Byzantijnse prinses die gehuwd was met keizer Otto II, tijdens de periode dat ze regentes was in hoofde van haar minderjarige zoon, de latere Otto III, in Keulen resideerde. In haar gevolg had ze een ganse reeks Byzantijnse kunstenaars en ambachtslui meegebracht. De kloosters van Tegernsee, van Niederalteich, van Freising en het Sankt Peter klooster in Salzburg gaan ook in de Ottoonse stijl werken. Bekende werken uit deze periode zijn het Evangeliarium van Otto III, de Codex Aureus Epternacensis, het Evangeliarium van Liuthar, het Sacramentarium van Petershausen, de Codex Egberti, het Pericopenboek van Hendrik II en de Bambergse Apocalyps (Staatsbibliotheek Bamberg, Msc.Bibl.140).
Romaans De volgende kunststroming is de romaanse kunst (11e tot 13e eeuw). Het centrum van de boekverluchting verschuift terug naar Westfrancië met belangrijke centra in Cluny en Cîteaux. In de Zuidelijke Nederlanden zijn ook de abdij van Marchiennes, de abdij van Sint-Vaast bij Atrecht, de abdij van Anchin, de abdij van Liessies, de abdij van Sint-Bertinus in Sint-Omaars en het Maasland belangrijk. thumb|Psalter van Lodewijk de Heilige, 1190-1200, Leiden Universiteitsbibliotheek