De Islamic University of Applied Sciences Rotterdam (voorheen: Islamitische Universiteit Rotterdam - IUR) werd op 21 november 1997 opgericht door de Turks-Nederlandse wetenschapper Dr. S.T.K. Damra. De eerste voorzitter van het bestuur was de bekende pedagoog en auteur, wijlen Hamdi Mert. Het oprichtingsbestuur bestond uit vooraanstaande en gerespecteerde figuren die de etnische en culturele diversiteit van de moslimgemeenschap in Nederland weerspiegelden. Onder deze leden bevonden zich onder anderen: wijlen Hamza Zeid Kailani, bekend om zijn vaderlijke houding en verbindende rol binnen de gemeenschap; Kacem Achahboun, die vanwege zijn belangrijke bijdrage aan maatschappelijke ontwikkeling werd onderscheiden met een Koninklijke onderscheiding; en wijlen Mohamed Zabar Bhoelan, die jarenlang actief was in het onderwijs en een leidende rol speelde bij de oprichting en het bestuur van diverse islamitische basisscholen.
Oprichting en ontwikkelingsfasen (1997–2001)
Deze eerste fase, die de periode 1997–2001 beslaat, vormt de oprichtingsperiode waarin de intellectuele en institutionele fundamenten van de universiteit zijn gelegd. Onder leiding van oprichtingsrector Dr. Damra kreeg deze fase gestalte en begon officieel met de oprichting van de universiteit op 21 november 1997. Zij duurde tot het vertrek van Dr. Damra in augustus 2001. In deze periode werd de missie van de universiteit ontwikkeld, de programmastructuur vormgegeven, het academisch personeel samengesteld en de institutionele identiteit opgebouwd. Tevens werden er belangrijke stappen gezet in het proces van erkenning, zowel binnen Nederland als in de internationale publieke sfeer.
Het eerste academisch jaar (1998–1999) links|miniatuur|303x303px|14 september 1998. Grote belangstelling van de media bij het eerste college Ongeveer een jaar na de officiële oprichting op 21 november 1997 startte de universiteit haar eerste onderwijsactiviteiten op 14 september 1998, na een intensieve voorbereidingsperiode. In dit openingsjaar (academisch jaar 1998–1999) werden meer dan 200 aanmeldingen ontvangen, voornamelijk van studenten met een Turkse of Marokkaanse achtergrond, maar ook afkomstig uit andere islamitische etnische gemeenschappen. Gezien de beschikbare fysieke en pedagogische capaciteit konden uiteindelijk slechts 60 studenten worden toegelaten: 30 in de voorbereidingsklas en 30 in het eerste jaar van de opleiding. In de daaropvolgende jaren nam zowel de maatschappelijke belangstelling als het aantal studenten gestaag toe.
De opening van het eerste academisch jaar op 14 september 1998 trok aanzienlijke aandacht van de Nederlandse media. Journalisten woonden de eerste colleges bij, waarbij interviews werden gehouden met studenten en docenten, wat zorgde voor een brede verslaggeving in de pers.miniatuur|244x244px|1) 1997-1999: Eerste locatie van de universiteit. De eerste colleges werden hier gegeven op 14 september 1998. Afrikaanderplein 40, Rotterdam276x276px2) 1999-2002. Tweede locatie van de universiteit. Aelbrechtskade 100, Rotterdam 250x250px3) Huidig gebouw. Bergsingel 135, Rotterdam
Eerste locatie – oprichtingsadres (1997–1999) De eerste onderwijsactiviteiten van de universiteit vonden plaats aan het Afrikaanderplein 40, Rotterdam, op de eerste verdieping van een groot gebouw dat eigendom was van de Rotterdamse Kocatepe Moskee. Deze verdieping bevond zich in een zijvleugel die grotendeels ongebruikt en buiten de actieve gebeds- en dienstverleningsruimtes van de moskee lag. Deze ruimte werd gehuurd van de Kocatepe Moskee en ter beschikking gesteld aan de universiteit. Het onderwijs werd op deze locatie voortgezet tot eind 1999.
Tweede locatie (1999–2002) In het tweede academisch jaar (1999–2002) verhuisde de universiteit naar een nieuw adres binnen Rotterdam: Aelbrechtskade 100. De derde verdieping van dit vier verdiepingen tellende gebouw werd door oprichter-rector Dr. Damra en zijn medebestuurders gehuurd en ingericht voor onderwijsdoeleinden. Gedurende het tweede (1999–2000) en derde academisch jaar (2000–2001) vonden de onderwijsactiviteiten hier plaats.
Aangekochte definitieve campus (vanaf 2003) Vanwege de beperkingen en problemen die voortkwamen uit het gebruik van tijdelijke locaties, gingen Dr. Damra en zijn medebestuurders op zoek naar een permanent onderkomen. Uiteindelijk werd overeenstemming bereikt over de aankoop van het huidige universiteitsgebouw voor een bedrag van 5.625.000 Nederlandse gulden (circa 2,5 miljoen euro). Na het vertrek van Damra en zijn team in augustus 2001, werd de aankoopprocedure voltooid door de bestuurders van de Tweede Generatie. Hiermee kwam een einde aan de periode van frequente verhuizingen, en verkreeg de universiteit haar permanente huisvesting. Het monumentale pand aan de Bergsingel 135 in Rotterdam beschikt over de capaciteit en infrastructuur om te voorzien in alle ruimtelijke behoeften van de universiteit.
De voormalige, als “derde” geplande gemeentelijke Hoogere Burger School (HBS) aan de Bergsingel, die bij de ingebruikneming inmiddels de 4e gemeentelijke Hoogere Burger School was geworden, werd gebouwd tussen halverwege 1921 en einde 1923. De ontwerper was een architect van Gemeentewerken Rotterdam: Walter Dahlen. Door zijn Duitse achtergrond – geboren in Krefeld op 23 februari 1883 en op 28 mei 1914 ingeschreven in Rotterdam – kreeg het gebouw enigszins het karakter van Noord-Duitse romantiek. De kapitelen bij de ingang en de terracotta versieringen aan en in de gevels zijn ontworpen door Willem Coenraad Brouwer. Aannemer was J.J. Kanters die het karwei voor ca. 700.000 gulden uitvoerde.
Doelstelling van de Universiteit (1997–2001) Het oprichtingsdoel van de universiteit berustte op eentweeleidge missie:
Enerzijds wilde de universiteit imams en geestelijk begeleiders opleiden die niet alleen deskundig en goed toegerust waren, maar ook gevoelig voor de culturele context waarin zij zouden werken, en tegelijk diepgeworteld in de islamitische geloofsleer; Anderzijds streefde de universiteit ernaar om de rijke kennis, intellectuele traditie en historische ervaring van de islam in te brengen in de opbouw van een multiculturele, multireligieuze en pluralistische samenleving in Europa – een samenleving waarin miljoenen moslims hun plaats zoeken.
Oprichter Damra legde deze doelstellingen uitvoerig uit in zijn historische toespraak tijdens de Oprichtingsconferentie van 8 december 1997. In zijn rede benadrukte hij dat de Islamitische Universiteit Rotterdam (IUR) niet louter bedoeld was als een instelling voor religieuze kennisoverdracht, maar als een academische structuur die beoogde de intellectuele vermogens van moslimgemeenschappen in Europa te versterken. Hij omschreef de IUR als een bruginstelling tussen de islamitische kennistraditie en het westerse academische denken.
De volledige tekst van deze toespraak, die als referentie dient voor de oprichtingsfilosofie van de universiteit, is opgenomen in het encyclopedische werk: De onbekende geschiedenis van de Islamitische Universiteit. Deel-1 Woorom en hoe zij werd opgericht
Opleidingen De universiteit biedt een masteropleiding 'Islamitische Geestelijke Verzorging' (per 2011) en een bacheloropleiding 'Islamitische Theologie' (per 2013), geaccrediteerd als hbo-opleidingen door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO).NVAO: Accreditatie vermelding Islamitische Geestelijke Verzorging. Bekeken op 13 december 2015.NVAO: Accreditatie vermelding Islamitische Theologie. Bekeken op 13 december 2015 (gearchiveerd) In januari 2015 werd het opleidingsinstituut onder verscherpt toezicht van de onderwijsinspectie geplaatst.Onderwijsinspectie plaatst Islamitische Universiteit onder toezicht De kwaliteit van het onderwijs was in dit onderzoek niet aan de orde.Omstreden Islamitische Universiteit werkt niet meer mee aan onderzoek, volkskrant.nl, 15 september 2016 De instelling heette tot 2019 'Islamitische Universiteit Rotterdam'. Na een wetswijziging moest de naam gewijzigd worden.
Chronologie van het universitair bestuur en leiderschap De institutionele ontwikkeling van de universiteit laat zich grofweg indelen in drie historische tijdvakken. De eerste periode begon op 21 november 1997 en liep tot eind augustus 2001, onder leiding van oprichtingsrector Dr. S.T.K. Damra. De tweede periode ving aan in september 2001 en liep door tot eind 2024. Vanaf 2025 wordt een nieuw bestuurshoofdstuk verwacht, waarmee een derde fase in het bestuur van de universiteit aanvangt.
Bestuurlijke Functies1997– 2001 Eerste Generatie Bestuurders2001 – 2024 Tweede Generatie BestuurdersVanaf 2025 – Derde Generatie BestuurdersRectorDr. S.T.K. DamraProf. Dr. Ahmet AkgündüzEmrullah AkgündüzVoorzitter van het BestuurHamdi Mert (1997-1999) en M.Z. Bhoelan (1999-2001)Nevzat Yalçıntaş en anderenProf. Dr. Ahmet Akgündüz
Periode van de eerste generatie bestuurders (1997–2001) Oprichter en Eerste Rector (1997–2001):
Dr. S.T.K. Damra (van Turkse afkomst)
Leden van het Bestuur van de Eerste Generatie – Raad van Toezicht / Stichtingsbestuur (1997–2001):
Hamdi Mert – Voorzitter (van Turkse afkomst) Hamza Zeid Kailani – Vicevoorzitter (van Palestijnse afkomst) Dr. S.T.K. Damra – Rector, Voorzitter van het College van Bestuur en Algemeen Secretaris (van Turkse afkomst) Mohamed Zabar Bhoelan – Bestuurslid (van Surinaams/Pakistaanse afkomst; werd in 1999 tot voorzitter gekozen na het aftreden van Hamdi Mert) Kacem Achahboun – Bestuurslid (van Marokkaanse afkomst; fungeerde later als penningmeester) Osman Yaşar – Bestuurslid (van Turkse afkomst; vervulde enige tijd eveneens de functie van penningmeester) Berna Yılmaz – Bestuurslid (van Turkse afkomst) Raja Alouani – Bestuurslid (van Marokkaanse afkomst) Ahmet Gündoğdu – Bestuurslid (van Turkse afkomst) Ali Yozgat – Bestuurslid (van Turkse afkomst) Wegens het aanvankelijk ontbreken van een voldoende aantal gekwalificeerde bestuursleden was oprichtingsrector Dr. Damra genoodzaakt om meerdere functies gelijktijdig te bekleden. Naast het rectoraat nam hij ook het voorzitterschap van het College van Bestuur en de rol van algemeen secretaris binnen de Raad van Toezicht op zich.
Universele islambegrip van de eerste generatie bestuurders (1997–2001) De principiële keuze van de eerste generatie bestuurders om zich neutraal en onafhankelijk op te stellen, maakte het mogelijk om alle religieuze, confessionele en culturele stromingen met gelijke afstand te benaderen. Deze houding was richtinggevend bij de samenstelling van zowel het bestuurlijke als het academische kader van de universiteit. Er werd bewust gestreefd naar een inclusieve structuur waarin de etnische, culturele en confessionele diversiteit van de islamitische gemeenschap tot uitdrukking kwam.
Binnen de islamitische denktraditie werd bovendien niet gestreefd naar uniformiteit. Integendeel: de verschillende stromingen, interpretaties en methodologische scholen werden niet beschouwd als bronnen van verdeeldheid, maar als verrijkende elementen die de kennisoverdracht verdiepen en verbreden. Dankzij deze benadering wist de universiteit een academisch klimaat te creëren dat niet gebonden was aan één specifieke ideologische lijn, maar dat zich kenmerkte door openheid voor universele waarden en ruimte bood voor intellectuele diversiteit.
In de periode 1997–2001 hebben tal van vooraanstaande academici met uiteenlopende geloofsovertuigingen, culturele achtergronden en intellectuele benaderingen bijgedragen aan de academische vormgeving van de universiteit. Onder hen bevonden zich onder meer de vermaarde Egyptische geleerde Prof. Dr. Abdulhaliym Awiss, de gerenommeerde hadithspecialist Prof. Dr. Raja Huzayyen, Prof. Dr. Abulnaim Ali, Prof. Dr. Mohammed Al-Aidoroos, Prof. Dr. Amina Noseir, alsook prominente westerse academici zoals Prof. Dr. Dick Mulder, voormalig voorzitter van de Raad van Kerken in Nederland, Dr. J. N. Sengers, en Prof. Dr. Guido Deraeck.