De Honderdjarige Oorlog bestaat uit een reeks oorlogen, gevoerd van 1337 tot 1453, tussen het huis Valois en het huis Plantagenet, ook bekend als het huis Anjou. Inzet van de oorlogen was de Franse troon, die vacant was door het uitsterven van het huis Capet, de eerste lijn van Franse koningen.

De oorlog Het conflict duurde 116 jaar, onderbroken door verscheidene periodes van vrede, voordat het uiteindelijk eindigde door het verdrijven van de Plantagenets uit Frankrijk (behalve uit Calais). Het resultaat was een overwinning voor het huis Valois. De oorlog had de Valois wel bijna geruïneerd, terwijl de Plantagenets zichzelf hadden verrijkt door plundering. Frankrijk leed sterk onder de oorlog, omdat het grootste gedeelte van het conflict plaatsvond op Frans grondgebied.

De "oorlog" was in feite een reeks van conflicten en wordt meestal onderverdeeld in drie of vier fasen: de Oorlog van Eduard (1337–1360), de Oorlog van Karel (1369–1389), de Oorlog van Lancaster (1415–1429) en het trage verval van de Plantagenets (1429–1453) na de verschijning van Jeanne d'Arc (1412–1431).

Verschillende andere eigentijdse Europese conflicten hadden rechtstreeks betrekking tot dit conflict: de Bretonse Successieoorlog, de Castiliaanse Burgeroorlog en de Oorlog van de Twee Peters met Hendrik II van Castilië en Peter IV van Aragón versus Peter I van Castilië en de Portugese burgeroorlog en crisis van 1383–1385 tussen Johan I van Castilië, zoon van Hendrik II en Johan I van Portugal. De benaming "Honderdjarige Oorlog" is een term, uitgevonden door latere historici, om de reeks van gebeurtenissen te beschrijven.

De oorlog dankt zijn historische betekenis aan een aantal factoren. Hoewel het in de eerste plaats een dynastiek conflict was, gaf de oorlog aanzet tot ideeën van zowel Frans als Engels nationalisme. Op militair vlak zag het de invoering van nieuwe wapens (de longbow en uiteindelijk het kanon bij de laatste Slag bij Castillon) en tactieken, die het oudere systeem van feodale legers, gedomineerd door zware cavalerie, ondermijnden. De eerste beroepslegers in West-Europa sinds de tijd van het West-Romeinse Rijk werden ingevoerd tijdens de oorlog, waardoor de rol van de ridders veranderde. Hierdoor, en door de lange duur, wordt de Honderdjarige Oorlog dikwijls gezien als een van de belangrijkste conflicten in de geschiedenis van middeleeuwse oorlogsvoering. Door opstanden, epidemieën (Zwarte Dood, 1347–1351), hongersnood (de grote hongersnood van 1315–1317) en plunderende bendes (voormalige) huursoldaten was aan het einde van de oorlog de bevolking gehalveerd.

De feodale achtergrond - de Engelse koning als Franse leenman De oorsprong van deze lange periode van strijd ligt in de innerlijke tegenstrijdigheden die de inrichting van bestuurlijke en economische verhoudingen en machtsstructuren met behulp van het feodale recht in die tijd in vele plaatsen in Europa aan het licht traden. In de vroegere middeleeuwen was de feitelijke macht in veel gevallen grotendeels bij de plaatselijke leenman (vazal) komen te liggen. Wel lag de officiële juridische macht nog steeds bij de respectievelijke leenheren. In Frankrijk waren veel lenen, zoals hertogdommen, graafschappen, markizaten en dergelijke, groot genoeg om kleine eigen rijkjes te vormen, met de leenman als de absolute heerser, in die zin dat hij als enige alle beslissingen mocht nemen.

Door het sluiten van strategische huwelijksovereenkomsten en oorlogen kwamen de leengebieden door de eeuwen heen onder het beheer van steeds minder leenmannen. Dit proces zorgde niet voor samenhangende grote bestuurlijke eenheden, maar voor een lappendeken van bestuurders door heel Europa. Zo was bijvoorbeeld de hertog van Bourgondië zowel een leenman van de Franse koning, met het graafschap Vlaanderen, als een leenman van de Duitse keizer, met de lenen Brabant en Holland.

De Normandische hertog verovert Engeland In 1066 had de Normandische hertog Willem I Engeland veroverd, door de Angelsaksische koning Harold II te verslaan in de Slag bij Hastings en zich tot koning te laten uitroepen. Vervolgens vormden de edelen, die met hem mee naar Engeland waren gekomen, de nieuwe aristocratie van Engeland. Deze nieuwe adel bleef echter nog lang voor hun culturele identiteit nauw verbonden met hun Franse afkomst. Zo drong het gebruik van de Middelengelse taal bij de heersende klasse bijvoorbeeld pas beetje bij beetje door na 1250. Daarnaast bezat de Engelse aristocratie tot aan het begin van 13e eeuw nog vaak meestal aanzienlijk landgoederen in Frankrijk.

De Engelse koning verwerft Aquitanië Eleonora van Aquitanië (1122-1204), hertogin van Aquitanië, was gehuwd met de zwaarmoedige koning van Frankrijk, Lodewijk VII. Toen zijn kruistocht naar het Heilige Land waar zij aan deelnam mislukte, verloor hij Eleonora's liefde. Ze werd verliefd op de levenslustige hertog van Normandië en graaf van Anjou Hendrik Plantagenet. Haar bloedverwantschap met haar echtgenoot was reden genoeg om haar huwelijk door de Kerk nietig te laten verklaren. Ze hertrouwde met haar minnaar, heerser van het Angevijnse Rijk en met hem had ze onder meer Richard Leeuwenhart en Jan zonder Land als zonen.

Onverwacht besteeg Hendrik de Engelse troon, kort na zijn huwelijk met Eleonora die een tijdlang koningin van Frankrijk was geweest. Zuid-Frankrijk viel hierdoor in Engelse handen. Aquitanië was wel een leengebied van de Franse koning maar in de praktijk stelde de verplichte leenhulde niet veel voor. Eeuwenlang bleef Aquitanië een twistappel tussen Engeland en Frankrijk. De aanvoer van wapens voor de Engelsen via de haven van Bordeaux speelde hierbij. De Franse koning nam ook aanstoot aan de banden die Engeland onderhield met het rijke graafschap Vlaanderen en dit vooral om economische motieven. Vlaanderen was tenslotte ook een leen van Frankrijk maar voer een onafhankelijke koers.

De vazal overtreft zijn leenheer thumb|De lenen van de Engelse koningen (rood) in Frankrijk op het hoogtepunt van hun territoriale expansie (rond 1173).Op het hoogtepunt van zijn territoriale expansie (1173) bestreek het Angevijnse Rijk naast het koninkrijk Engeland de Franse hertogdommen Normandië, Aquitanië, Gascogne en Bretagne alsook de graafschappen Anjou, Maine en Touraine. De soevereine Engelse koning was daarmee tegelijkertijd de grootste grondbezitter in Frankrijk en hierdoor de machtigste vazal van de Franse koning.

Politiek gezien namen de Engelse koningen nu een dubbelrol op zich. Terwijl ze enerzijds over Engeland als soeverein heersten en daarmee de gelijke waren van de koning van Frankrijk, bleven ze tegelijkertijd hertogen en graven in Frankrijk, en waren in deze rol aan de koning van Frankrijk leenrechtelijk ondergeschikt. Omdat het als vernederend werd beschouwd dat een koning aan een andere koning leendiensten zou moeten verrichten en de ene koning geen militaire diensten aan de andere koning kon leveren, omdat de belangen vaak tegengesteld waren, trachtten de Normandische koningen van Engeland over het algemeen onder deze verplichting uit te komen.

De Franse koning laat zijn macht gelden Het Franse koningsgeslacht van de Capetingen streefde er echter steeds naar de rol van de Engels-Franse vazallen te verzwakken. - eHistory staff, The Hundred Years War: Overview, ehistory.osu.edu (2001-2007). In een lange reeks van veelal diplomatieke, maar ook gewapende conflicten slaagden ze erin beetje bij beetje de ongeliefde vazal terug te dringen. Omstreeks de wisseling van de 13e eeuw kwam het tot een oorlog tussen de Franse koning Filips II August en zijn Engelse vazal Jan zonder Land. Hierdoor gingen in 1202 de graafschappen Touraine en Anjou, in 1204 het hertogdom Normandië alsook in 1205 het graafschap Maine verloren. En na een strijd om de opvolging maakte Bretagne zich in 1213 los van Engeland. Alle pogingen van het Engelse koningshuis om de verloren gebieden te heroveren in de daarop volgende jaren mislukten (zie Frans-Engelse Oorlog (1202-1214) en de slagen bij Roche-aux-Moines en Bouvines). In 1224 bezette koning Lodewijk VIII het merendeel van Aquitanië. En in 1242 verloor de Engelse koning Saintonge. Hendrik III erkende de verliezen uiteindelijk in 1259 met het Verdrag van Parijs. De weinige overgebleven gebieden van Aquitanië werden samen met Gascogne tot het nieuwe hertogdom Guyenne samengevoegd.

Ook toen het in de volgende decennia op grond van goede persoonlijke verhoudingen tussen Eduard I en Filips IV tot een zekere rust kwam, bleef de fundamentele tegenstelling sterk bestaan. Onder Eduard II aan Engelse zijde en Lodewijk X, Filips V en uiteindelijk Karel IV aan Franse zijde intensiveerden de geschillen zich vanaf 1307. Behalve de feodale tegenstrijd werd er bezwaar gemaakt tegen de circulatie van Engelse munten in Frankrijk met daarop de beeltenis van de Engelse koning. Verder was er de strijd om de rechterlijke bevoegdheid die de verhoudingen sterk negatief beïnvloedde. Als gevolg van een decreet konden Franse onderdanen in een juridische strijd met de vorstelijke overheid zich rechtstreeks tot het Parlement van Parijs richtten, waardoor de Franse koning opperste rechter werd en direct in het territorium van een vazal recht kon spreken. Vaak eigende Parijs zich toentertijd het zeggenschap over processen van de Franse onderdanen van de Engelse koning toe of besliste "politiek/tactisch", waardoor de Engelse koning zijn autoriteit en handelingsbekwaamheid als hertog van Guyenne bewust werd ondergraven.Vgl. , The Hundred Years War I: Trial by Battle, Philadelphia, 1991, pp. 1-99.

De dynastieke achtergrond - de Engelse koning als Franse troonpretendent Er ontstond in de jaren 1314–1328 een dynastiek probleem in Frankrijk. In 1314 stierf de Franse koning Filips IV. Hij had drie zoons en een dochter, Isabella, die sinds 1308 getrouwd was met Eduard II van Engeland.

De eerste zoon, Lodewijk X stierf al in 1316. Op dat moment was Johanna II van Navarra zijn enige levende nakomelinge, uit zijn eerste huwelijk met de overspelige Margaretha van Bourgondië (zie schandaal van Tour de Nesle). Toch werd nog postuum een zoon geboren uit zijn tweede huwelijk, Jan I, die echter na enkele dagen al overleed. Zo ging de kroon over naar de tweede zoon van Filips IV, die als Filips V regeerde. Hij stierf na zes jaar koningschap, in 1322, zonder mannelijke nakomeling. De derde en veel jongere broer, Karel IV mocht, profiterend van het door zijn oudere broer gestelde precedent, op zijn beurt de kroon dragen. En op zijn beurt stierf hij na amper zes jaar koningschap, zonder mannelijke opvolging. Aldus was op 1 februari 1328 het huis Capet in directe mannelijke lijn uitgestorven.

Karel IV droeg de troon over aan zijn neef Filips, zoon van zijn oom Karel van Valois. Hiermee zette hij niet alleen zijn eigen dochters buitenspel, maar ook zijn nicht Johanna, zijn zus Isabella en vooral haar zoon Eduard. Isabella had intussen als koningin van Engeland een complot gesmeed met haar vermoedelijke minnaar Roger Mortimer en liet haar echtgenoot in 1327 vermoorden, waarna zij het land regeerde in naam van haar zoon, de latere koning Eduard III van Engeland. In 1330 liet de achttienjarige Eduard Mortimer ombrengen en zijn moeder verbannen. Bovendien vond hij dat hij meer aanspraak maakte op de Franse troon dan Filips, die zichzelf intussen had laten verkiezen als Filips VI van Valois en daarmee een nieuw koningshuis had gesticht.