De doodgravers (Nicrophorus) vormen een geslacht van kevers uit de familie aaskevers. Soorten uit dit geslacht hebben een voor insecten uitzonderlijke vorm van broedzorg.

Kenmerken Vrij grote, 10–35 mm lange kevers. Ze zijn glanzend zwart met soms een helder oranje tekening op de rug die na de dood echter snel aan levendigheid inboet. De buik is vrij uitgebreid behaard, de rugkant ook weleens. Grote kop met ook grote ogen. Halsschild met een aantal bobbels en een platte rand. De dekschilden bedekken het achterlijf niet geheel, er blijven 3 achterlijfsegmenten onbedekt. De kevers kunnen tsjirpen door kammen op de dekschild-achterrand en een dubbele rij getande ribbels op de 5e tergiet tegen elkaar te wrijven. De antennes zijn kort en hebben een knots die uit vier geledingen bestaat. Mannetjes hebben duidelijk bredere voortarsen dan de vrouwtjes, die aan de onderkant behaard zijn en de leedjes zijn tweelobbig.

Gedrag De kevers zijn rovers en eten als imago voornamelijk de maden van vliegen, die men aantreft op aas. Het aas kan ook dienen als voedingsbron voor de kever. Voor de voortplanting wordt het aas gebruikt. Bij het vinden van een klein kadaver (muis, vogeltje) wordt de bodem beoordeeld en het lijkje zo nodig verplaatst en ingegraven door de aarde eronder weg te duwen. Komt er een tweede kever op het aas af dan wordt er samengewerkt, mits het er een van de andere sekse is; anders wordt er gevochten. Het aas wordt ook verdedigd tegenover andere soorten kevers. De eigenlijke paring vindt ondergronds plaats. Hierna wordt een opening in het aas gemaakt waar verteringssappen in worden opgegeven. Eitjes worden in een gang afgezet die van de aasbal wegloopt. Het vrouwtje blijft bij de eitjes tot ze uitkomen en lokt de larven door te tsjirpen. De larven worden door de vrouwelijke kever gevoerd. De verpopping vindt reeds na zeven dagen plaats.

Naamgeving thumb|Nicrophorus germanicus De wetenschappelijke naam verwijst naar het Griekse (nekrophoros; lijkdrager). De naamgever van het geslacht, Johann Christian Fabricius, schreef in de protoloog in 1775 herhaaldelijk Nicrophorus, met een "i" in plaats van de verwachte "e". (1775). Systema entomologiae: 71 Doordat hij dat meermaals deed, kan het niet als een zetfout worden afgedaan. Carl Peter Thunberg "verbeterde" de naam in 1789 in Necrophorus. (1789). Periculum entomologicum: 7 Hoewel ook Fabricius later de naam van het geslacht wel als Necrophorus spelde, is volgens de nomenclatuurregels de spelling in de protoloog maatgevend, en daarom is Nicrophorus de correcte naam. In de literatuur komt het ongeldige Necrophorus voor hetzelfde geslacht echter ook vaak voor.

Soorten in Nederland right|thumb|De krompootdoodgraver (Nicrophorus vespillo) met de oranjerode uiteinden van de tasters Er zijn in Nederland acht soorten gevonden, waarvan er echter drie of vier zeldzaam zijn of zelfs in Nederland als uitgestorven moeten worden beschouwd. Nicrophorus vespillo, de krompootdoodgraver (algemeen). Deze heeft oranje antenne-uiteinden, een oranje achtervlek die tot aan de middennaad doorloopt en sterk naar binnen gebogen achtertibiae. Nicrophorus humator (algemeen). Zelfde lichaamsbouw maar geheel zwart, met uitzondering van oranje antenneknotsen. Nicrophorus vespilloides (tamelijk algemeen). De gewone doodgraver. Herkenbaar aan de geheel zwarte antennen en de niet tot aan de dekschildnaad doorlopende achterste oranje vlek. Nicrophorus investigator (vrij algemeen) Nicrophorus vestigator (zeldzaam) Nicrophorus fossor (Sinds 1960 maar twee keer gevonden in Nederland) Nicrophorus sepultor (waarschijnlijk niet meer in Nederland) Nicrophorus germanicus (waarschijnlijk niet meer in Nederland)

Soorten algemeen Nicrophorus antennatus (Reitter, 1884) Nicrophorus apo Arnett, 1950 Nicrophorus argutor Jakovlev, 1890 Nicrophorus basalis Faldermann, 1835 Nicrophorus carolinus (Linnaeus, 1771) Nicrophorus chilensis Philippi, 1871 Nicrophorus concolor Kraatz, 1877 Nicrophorus confusus Portevin, 1924 Nicrophorus dauricus Motschulsky, 1860 Nicrophorus defodiens Mannerhelm, 1846 Nicrophorus didymus Brullé, 1836 Nicrophorus encaustus Grouvelle, 1885 Nicrophorus germanicus Fairmaire, 1896 Nicrophorus guttula (Linnaeus, 1758) Nicrophorus heurni Motschulsky, 1845 Nicrophorus hispaniola Portevin, 1926 Nicrophorus humator Sikes & Peck, 2000 Nicrophorus hybridus (Gleditsch, 1767) Nicrophorus insularis Grouvelle, 1893 Nicrophorus interruptus Stephens, 1830 Nicrophorus investigator Zetterstedt, 1824 Nicrophorus japonicus Harold, 1877 Nicrophorus kieticus Mroczowski, 1959 Nicrophorus lunatus Fischer von Waldheim, 1842 Nicrophorus maculifrons Kraatz, 1877 Nicrophorus marginatus Fabricius, 1801 Nicrophorus mexicanus Matthews, 1888 Nicrophorus mongolicus Shcheogoleva-Barovskaya, 1933 Nicrophorus montivagus Lewis, 1887 Nicrophorus morio Gebler, 1817 Nicrophorus nepalensis Hope, 1831 Nicrophorus nigricornsis Faldermann, 1835 Nicrophorus nigrita Mannerheim, 1843 Nicrophorus oberthuri Portevin, 1924 Nicrophorus obscurus Kirby, 1837 Nicrophorus olidus Matthews, 1888 Nicrophorus orbicollis Say, 1825 Nicrophorus pliozaenicus Gersdorf, 1969† Nicrophorus podagricus Portevin, 1920 Nicrophorus przewalskii Semenov-tian-shanski, 1894 Nicrophorus pustulatus Herschel, 1807 Nicrophorus quadraticollis Portevin, 1903 Nicrophorus quadrimaculatus Matthews, 1888 Nicrophorus quadripunctatus Kraatz, 1877 Nicrophorus reichardti Kieseritzky, 1930 Nicrophorus satanas Reitter, 1893 Nicrophorus sausai Růžička, Háva & Schneider, 2000 Nicrophorus sayi Castelnau, 1840 Nicrophorus scrutator Blanchard, 1842 Nicrophorus semenowi (Reitter, 1887) Nicrophorus sepulchralis Heer, 1841 Nicrophorus sepultor Charpentier, 1825 Nicrophorus smefarka Háva, Schneider & Růžička Nicrophorus tenuipes Lewis, 1887 Nicrophorus tomentosus Weber, 1801 Nicrophorus ussuriensis Portevin, 1923 Nicrophorus validus Portevin, 1920 Nicrophorus vespillo (Linnaeus, 1758) Nicrophorus vespilloides Herbst, 1784 Nicrophorus vestigator Herschel, 1807 Nicrophorus chryseus (Mazokhin-Porshnyakov, 1953) Nicrophorus funerarius (Weigel, 1808)

Categorie:Aaskevers