Zandloopkevers (Cicindelinae), ook wel zandkevers of zandroofkevers, zijn een groep van kevers die als onderfamilie in de familie van de loopkevers (Carabidae) worden geplaatst. Voorheen werd de groep ook wel als de aparte familie Cicindelidae opgevat.

Zandloopkevers zijn een vrij uniforme groep van kevers, enkele uitzonderingen daargelaten. Ze komen over vrijwel de gehele wereld voor, er zijn momenteel ruim 2300 soorten bekend.Cassola & Pearson, 2000 De meeste soorten hebben lange, sprieterige poten waarmee ze snel kunnen rennen, en grote ogen waarmee ze goed kunnen zien. Ook het voor insecten zeer actieve gedrag waarbij de kever zich snel lopend dan wel vliegend voortbeweegt is karakteristiek voor de zandloopkevers. Veel soorten hebben heldere kleuren als groen en blauw of soms geel en rood waarbij ze extra opvallen door een parelmoerachtige glans. De kaken zijn in de regel erg groot, sikkelvormig en aan de binnenzijde getand, ze vallen op omdat ze vaak licht gekleurd zijn.

Zandloopkevers zijn carnivoor en bovendien bijzonder roofzuchtig, de kevers jagen actief op levende prooien. De larven van veel soorten leven in een zelfgegraven, loodrechte tunnel, van waaruit ze in een hinderlaag loeren op langslopende diertjes. Zandloopkevers komen vaak voor in zanderige streken waar de larven hun hol kunnen graven. In Europa komen ongeveer 12 soorten voor waarvan er vijf leven in België en Nederland, zie ook onder verspreiding.

Kenmerken thumb|Lichaamsindeling van de soort Cicindela sylvicola Vrijwel alle zandloopkevers hebben een enigszins langwerpige lichaamsvorm maar verder een typisch keverachtige bouw. De kop (A) is duidelijk afgesnoerd van het borststuk of thorax (B), het achterlijf of abdomen (C) is vanaf de bovenzijde niet duidelijk te onderscheiden maar aan de onderzijde duidelijk te herkennen aan de segmenten die worden beschermd door de buikplaten of sternieten. Het lichaam van de kever bestaat van boven bezien uit het kopschild of vertex (1) dat de gehele bovenzijde van de kop bedekt. Hierachter is het halsschild of pronotum (2) gelegen dat het voorste deel van het borststuk beschermd. De rest van het borststuk is gelegen onder de dekschilden of elytra (3), dit zijn de verharde voorvleugels van de kever. Het halsschild is bij zandloopkevers altijd smaller dan de breedte van de dekschilden. Onder de dekschilden zijn de achtervleugels gelegen, dit zijn de vleugels waarmee gevlogen wordt. De kwetsbare achtervleugels zijn dun en doorzichtig, ze hebben een duidelijk patroon van aderen. De vleugeladering kan verschillen tussen soorten waaraan ze te onderscheiden zijn. Als de kever niet vliegt worden de achtervleugels onder de voorvleugels gevouwen, het oppervlak van de achtervleugels is echter veel groter dan dat van de voorvleugels waardoor ze drie keer gevouwen moeten worden.

Net als alle insecten hebben zandloopkevers drie paar poten, die door middel van een heup of coxa gehecht zijn aan het lichaam. De heup is middels de trochanter verbonden met het breedste deel van de poot; de dij of femur (4). Bij de middelste poot (5) is de scheen of tibia aangegeven, die net als de achterpoot onder de dekschilden is gelegen en uit één deel bestaat. De voorpoot (6) heeft zijn basis onder het halsschild. Op het gewricht tussen de scheen en de voet zijn bij de afgebeelde soort twee stekels of sporen aanwezig. Van de voorpoot is de voet of tarsus aangegeven, deze is gesegmenteerd en bestaat uit vijf delen waarvan het laatste deel is voorzien van kleine haakjes. Het zijn de sterk verlengde tarsi die de poten van de kevers zo sprieterig maken, door de lange poten kan de kever ook bijzonder snel rennen. De kop draagt grote, bolvormige ogen (7) waardoor de kop breder is dan halsschild. De kevers hebben twee antennes (8) die korter zijn dan het lichaam. De antennes zijn draadvormig of filiform, ze hebben geen verdikkingen en bestaan uit elf segmenten. De antenne-uiteinden zijn bij de zandloopkevers naar beneden gebogen. Aan de voorzijde van de kop zijn de grote, sikkelvormige mandibels (9) aanwezig.

thumb|Onderdelen en aanhangsels van de kop, afgebeeld is Cephalota circumdata Wat direct opvalt aan de voorzijde van de kop is het grote labrum of bovenlip. Deze is bij veel soorten opvallend wit tot geel van kleur. Onder het labrum zijn de mandibels gelegen, dit zijn de kaken van de kever. Ze zijn bij veel soorten zo lang dat ze niet in de mond kunnen worden teruggetrokken. De kaken zijn aan de binnenzijde getand, de uitstulpingen worden gebruikt als maalstenen bij het eten van een prooi. Aan weerszijden van de mandibels zijn de palpen aanwezig, ze dienen als 'vingers' om het voedsel in de mondholte te duwen. Op de afbeelding is de maxillaire palp afgebeeld, aan de onderzijde van de kop is ook een paar labiale palpen aanwezig maar deze zijn hier niet te zien. Boven het labrum is een brede maar dunne plaat aanwezig, de clypeus. Bij veel insecten, zoals wespen, is de clypeus juist zeer groot en het labrum kleiner. Wat de zandloopkevers van alle andere loopkevers onderscheidt, is het feit dat de clypeus breder is dan de afstand tussen de antennen. Boven de clypeus is de frons gelegen, dit is bij zandloopkevers een gewelfde (bolvormige) plaat op het midden van de kop tussen de ogen.

Zandloopkevers zijn vaak in één oogopslag te herkennen aan de kleuren in combinatie met de vlekken en de lichaamsvorm. De grote ogen en middellange antennes in zijn kenmerkend voor de meeste soorten. Veel zandloopkevers hebben daarnaast een metaalachtige, groene tot blauwe en soms rode kleur met een iriserende glans. Dit wil zeggen dat het lichaam het licht breekt zodat een parelmoerachtige glans ontstaat. Dit wordt veroorzaakt door een waslaagje op de dekschilden. Zandloopkevers hebben aan de onderzijde van de kop en poten een vrij dichte beharing die setae wordt genoemd. De haren zijn relatief lang en zijn bij veel soorten licht van kleur. De beharing heeft een tastzintuiglijke functie en dient waarschijnlijk ook ter isolatie van het lichaam.

thumb|Vlekkenpatroon van de basterdzandloopkever Zandloopkevers zijn een van de weinige insecten die een sterk variabele tekening op de dekschilden hebben, die per individu kan verschillend. Deze vlekken zijn echter kenmerkend voor de groep omdat ze steeds een bepaald patroon volgen. Wat daarbij opvalt is dat de vlekken smal beginnen maar vaak eindigen in een ronde vlek. Vaak zijn de vlekken S- vormig gekromd. Op de afbeelding rechts zijn de dekschilden van de groene zandloopkever afgebeeld, met vooraan de basale vlek (A), hierachter de humerale vlek (B) en de middenband (C). Deze vlek is vaak het grootst en aan de basis loopt de vlek vaak door langs de schildrand wat de marginale lijn wordt genoemd maar bij de afgebeelde soort ontbreekt. Aan de vleugelpunt ten slotte is de apicale vlek aanwezig (D).Een aantal zandloopkevers heeft zeer kleine vlekken en er zijn ook soorten die helemaal geen vlekken hebben of een anderszins afwijkende kleur hebben. De Amerikaanse soort Cicindela dorsalis heeft geheel witte dekschilden met zwarte vlekken.United States Geological Survey - Tiger Beetles of the United States - Cicindela dorsalis - Website Naast vlekken is ook de oppervlaktestructuur van de dekschilden een belangrijk determinatiekenmerk. Zandloopkevers hebben vaak rijen putjes, richeltjes of groefjes op de dekschilden, die per soort kunnen verschillen. Deze structuren hebben namen die samenhangen met de positie op het lichaam, de rijen putjes langs de naad van de dekschilden bijvoorbeeld worden de suturale putjes genoemd (suturaal = aan de naad) en die aan de rand van het dekschild worden aangeduid met marginale putjes (marginaal = aan de rand).

De meeste zandloopkevers zien er ongeveer hetzelfde uit maar er zijn enkele uitzonderingen zoals de zeer langgerekte soorten uit het geslacht Neocollyris en de meer op mieren lijkende Tricondyla- soorten. Soorten uit deze laatste groep kunnen niet meer vliegen. Ook de soorten uit het geslacht Manticora voldoen niet aan het basisplan van de zandloopkevers; deze soorten worden erg groot, hebben een meer ronde lichaamsvorm en zijn meestal zwart van kleur. De mannetjes hebben niet zelden enorme kaken die doen denken aan het vliegend hert. Ook Manticora- soorten kunnen ondanks de aanwezigheid van vleugels niet meer vliegen.

Larve thumb|Lichaamsdelen van de larve. De larve is wormachtig en heeft drie paar kleine pootjes aan de voorzijde van het lichaam, het uiterlijk is kenmerkend door de zeer grote kop. De larve is slechts enkele millimeters lang als het ei wordt verlaten maar groeit snel en doorloopt drie larvale stadia, die de instar worden genoemd. Na ieder stadium is de larve groter en krijgt meer beharing, zowel op de kop als het lichaam. Zie voor de ontwikkeling van de larve ook onder voortplanting. De kop is sterk verbreed en wordt beschermd door het kopschild, de kop is bijna rond van vorm en wordt gebruikt om het hol waarin de larve leeft af te dichten. Het kopschild heeft dezelfde kleur als het substraat waarin de larve leeft en valt daardoor nauwelijks op. Aan de bovenzijde van de kop zijn zes enkelvoudige ogen aanwezig. Het blikveld van de larve is groot waardoor aankomende prooien goed kunnen worden waargenomen.

Het lichaam van de larve, op de afbeelding rechts aangegeven met een A, is voorzien van vele lange, dikke en borstelachtige haren maar van een dichte beharing is geen sprake. Wat direct opvalt aan de larve -maar niet te zien is op de afbeelding- is dat het lichaam duidelijk geknikt is op ongeveer twee derde van de voorzijde. Op de rugzijde zijn bij deze knik twee haakachtige structuren aanwezig, die op de afbeelding zijn omcirkeld. Hiermee verankert de larve zich in het hol zodat grote prooien de larve er niet uit kunnen trekken, ook de lichaamsbeharing speelt hierbij een rol. Op de afbeelding is de onderzijde van de kop weergegeven (B) zodat alle aanhangsels goed te zien zijn. De monddelen zijn verder uitvergroot bij (C). De maxillaire palp (D) is bezet met vele haartjes of setae. Aan de binnenzijde is de galea aanwezig, op de afbeelding is dit het rechter uitsteeksel. De poten van de larve (E) zijn relatief kort en het einde is nog niet vijfvoudig gesegmenteerd.

Onderscheid met andere groepen

Soorten uit slechts enkele andere groepen van kevers kunnen verward worden met zandloopkevers. Dergelijke soorten komen vooral uit de loopkeverfamilie, waar de zandloopkevers ook toe behoren. Voorbeelden zijn sommige bombardeerkevers maar ook sommige bladkevers kunnen dezelfde kleuren hebben.

De grootoogjes uit het geslacht Asaphidion lijken sterk op zandloopkevers maar ze behoren tot de onderfamilie Trechinae. Ze hebben soms eenzelfde bouw en snelle voortbeweging en danken hun Nederlandse naam aan de relatief zeer grote ogen. Ook in België en Nederland komen enkele soorten voor.Nederlandse soortenregister - Asaphidion - Website Sommige zandloopkevers zijn echter op het eerste gezicht niet als zodanig te herkennen, zoals de rechts afgebeelde Amblycheila schwarzi die geheel zwart van kleur is.

Verspreiding en habitat Zandloopkevers hebben een wereldwijde verspreiding en komen op alle continenten voor behalve Antarctica. Ook in de Arctische zone boven de noordtegraad van 65° komen geen soorten voor en de zandloopkevers ontbreken ook in geïsoleerde eilanden zoals Tasmanië en enkele oceanische eilandengroepen zoals de Maldiven.

Zandloopkevers zijn te vinden van uitgesproken laaglanden tot een hoogte van ongeveer 3500 meter boven zeeniveau. De meeste soorten leven in tropische gebieden, maar een aantal soorten leeft in meer gematigde gebieden als in noordelijk Noord-Amerika en noordelijk Europa. In de Verenigde Staten komen ongeveer 100 verschillende soorten voor uit vier geslachten.