Falcarius is een geslacht van uitgestorven theropode dinosauriërs uit de groep van de Maniraptora, meer in het bijzonder de Therizinosauria, dat tijdens het Vroeg-Krijt leefde in het huidige Noord-Amerika.
De eerste fossielen van Falcarius zijn in 1999 in Utah gevonden door een stroper. Het dier kreeg in 2005 zijn naam, die 'sikkelsnijder' betekent, toen de typesoort Falcarius utahensis benoemd werd. Er zijn hele beenderlagen van de soort ontdekt waaruit duizenden losse botten zijn opgegraven. Volledige skeletten zijn echter niet gevonden en hierdoor zijn sommige details van de bouw toch nog steeds onduidelijk. Vooral de schedel is slecht bekend. De algemene kenmerken van het dier hebben de wetenschappers wel weten vast te stellen.
Falcarius was een kleine tweevoetige planteneter die ongeveer vier meter lang werd en honderd kilogram zwaar. Hij liep op zijn achterpoten die vrij kort waren en stevig gebouwd maar waarmee hij nog wel kon rennen. Zijn stevige voorpoten waren nogal lang en voorzien van grote sikkelvormige klauwen, waarnaar ook de geslachtsnaam verwijst. Daarmee kon hij zich verdedigen tegen roofdieren. Falcarius hield zijn romp wat opgeheven maar de lange staart sleepte niet over de grond. De nek was lang en droeg een kleine langwerpige kop waarmee planten konden worden afgebeten die verder verknipt werden door rijen kleine tanden. Falcarius was warmbloedig en zijn lichaam was vermoedelijk bedekt met een primitief verenkleed om warm te blijven.
De vondst van Falcarius was van groot belang omdat het dier onder in de stamboom van de Therizinosauria staat en zo onschatbare informatie verschaft over de verwantschappen en vroege evolutie van die groep. Latere therizinosauriërs waren sterk aangepast aan het eten van planten. Ze hadden een gigantische buikholte en liepen met een opgerichte romp en een waggelende gang op korte achterpoten met vier dragende tenen. Het bekken was enorm versterkt om een gewicht van soms vele tonnen verticaler te dragen. Hun staart was erg kort en hun handen droegen gigantische klauwen. De kop was klein met kleine bladvormige tanden en stond op een lange nek. Hun bouw was dus erg veranderd vergeleken met hun theropode voorouders die snelle rennende roofsauriërs waren geweest met lange achterpoten, korte voorpoten, drie dragende tenen, een horizontale romp in evenwicht gehouden door een lange staart en een grote kop met verscheurende tanden. Falcarius laat zien hoe en in welke volgorde die eigenschappen veranderd zijn. Hij heeft nog steeds spitse voorste tanden, drie tenen en een lange staart maar zijn nek is al lang, de kop is verkleind, de achterste tanden zijn die van een planteneter, zijn klauwen zijn vergroot en het bekken is vooraan al iets naar boven gericht. Als sleutel voor het begrijpen van dit veranderingsproces is Falcarius de laatste jaren intensief bestudeerd.
Vondst en naamgeving In 1999 vond de bone dog Lawrence Walker, dus een illegale stroper van fossielen op federale grond, twee beenderlagen in Utah, het vermoedelijk gevolg van een groepssterven van duizenden individuen. Na een aantal botten opgegraven te hebben verklapte Walker de locatie, de Crystal Geyser Quarry in Grand County, aan James Kirkland, waarbij deze paleontoloog toezegde een goed woordje voor hem te doen bij de autoriteiten. Desalniettemin werd Walker tot vijf maanden gevangenisstraf veroordeeld. thumb|Een steenblok met falcariusbotten Kirkland begon in 2001 met een team van de Utah Geological Survey de beenderen verder bloot te leggen. De vondst werd gemeld in 2004. In 2005 had hij al zo'n tweeduizend verschillende specimina vrijgemaakt. In mei 2005 werd in het blad Nature de typesoort Falcarius utahensis benoemd en beschreven door Kirkland, Lindsay Zanno, Scott Sampson, James Clark en Donald DeBlieux. De geslachtsnaam Falcarius betekent in het Latijn 'sikkelsnijder' en is een verwijzing naar de sikkelvormige handklauwen. De soortaanduiding verwijst naar Utah.
Het holotype, UMNH VP 15000, is gevonden in een laag van de Yellow Cat-afzetting van de Cedar Mountain Formation die dateert uit het Barremien en minstens 125 miljoen jaar oud is. Het bestaat uit een gedeeltelijke hersenpan. Als paratypen zijn aangewezen de specimina UMNH VP 12283, 12285, 12286, 12288, 12290, 12292, 12293, 12315, 12321-12329, 12343-12345, 12347-12349, 12360, 12363, 12366, 12369-12373, 12377, 12380, 12383-12384, 12386-12389, 12392-12394, 12396-12400, 12402-12404, 12406, 12410-12417, 12419-12425, 12427-12439, 12441-12443, 14530-14533, 14537-14538, 14542-14557, 14560-14565, 14568-14582, 14584-14656, 14658-14666, 14668-14670, 14672-14676, 14678-14680, 14682-14690, 14692-14699, 14701-14999 en 15001-15149. Tegelijkertijd werden nog eens tientallen andere botten toegewezen. Een publicatie van Zanno uit 2008 voegde hier nog elf botten aan toe. Ongeveer negentig procent van het skelet is hiermee bekend. De elementen worden echter niet in verband gevonden als hele skeletten maar als losse botten. Dat bemoeilijkt de identificatie en het samenvoegen tot een geheel skelet. Daarbij is er een enorme achterstand in de preparering van de fossielen die echter op zich van goede kwaliteit zijn. Het gaat bij de paratypen om skeletelementen van minstens tien individuen. Er werd in 2010 geschat dat in het beenderbed, afgaande op het toen verzamelde materiaal, minstens driehonderd individuen aanwezig moeten zijn. Het totaal aan specimina was begin dat jaar gestegen tot 2700, eind dat jaar tot boven de drieduizend.
Door het grote aantal individuen is het mogelijk statistische analyses uit te voeren; er schijnen al twee morfen voor de handen gevonden te zijn en er is een duidelijke leeftijdsopbouw in de populatie. De meeste specimina zijn van niet volgroeide dieren en sommige individuen zijn zeer jong.
In 2008 werd een tweede vindplaats gemeld, de Suarez Quarry met voornamelijk oudere dieren. De exemplaren daar zouden in de wervelkolom en het bekken afwijken van de eerdere vondsten maar het is niet duidelijk of dit komt doordat ze aan apart taxon vertegenwoordigen of door het leeftijdsverschil.
De beschrijving in het benoemende artikel in Nature was wat summier dat dat blad strikte beperkingen stelt aan de lengte. Zanno heeft in verschillende artikelen en in haar scriptie uit 2006 en dissertatie uit 2008 de osteologie van Falcarius in detail beschreven.
Beschrijving Algemene bouw en grootte thumb|270px|Een replica van Falcarius Falcarius was een kleine basale therizinosauriër. Hij was zo'n vier tot vijf meter lang met een rughoogte van een meter. Gregory S. Paul schatte in 2010 voor en dier van vier meter het lichaamsgewicht op honderd kilogram. Hoogstwaarschijnlijk was het dier, net als alle Maniraptora, warmbloedig en bevederd. Het maakt meer de indruk van een bizarre vogel dan van wat men zich meestal als dinosauriër voorstelt. left|thumb|Falcarius in grootte vergeleken met een mens Als basale en vroege vorm bezit Falcarius nog niet de extreme aanpassingen aan het eten van planten die latere therizinosauriërs zouden tonen. Het dier lijkt een overgang te vertegenwoordigen van de carnivore levenswijze van de theropoden naar de herbivore van de therizinosauriërs: de wellicht bimorfe tanden, hoewel nog gekromd, zijn al platter met ribbels voor het afscheuren van plantaardig materiaal; het schaambeen steekt slechts iets meer naar achter, wellicht om ruimte te maken voor een vergroot spijsverteringskanaal. Er wordt echter ook wel vermoed dat de Maniraptora oorspronkelijk omnivoor waren — in dat geval kunnen zulke kenmerken veel oorspronkelijker zijn. Ook niet erg veranderd is de lange staart met een smalle staartbasis. Die wordt horizontaal gehouden, evenals de romp: de typische meer opgerichte houding van latere vormen ontbreekt nog. thumb|Falcarius had een verenkleed De handen zijn zeer groot met sikkelvormige klauwen. Latere Therizinosauridae — tot welke meer geavanceerde groep Falcarius overigens vermoedelijk niet behoort — zouden ook zeer grote handen hebben; sommige soorten hadden de langste klauwen die uit het dierenrijk bekend zijn. In combinatie met een vrij lange nek en juist korte benen doet deze eigenschap Falcarius dus al sterk lijken op zijn latere verwanten. De klauwen dienden misschien tot zelfverdediging of voor het reiken naar hoge takken.
Onderscheidende kenmerken Kirkland wist in 2005 een aantal onderscheidende kenmerken vast te stellen. Verschillende daarvan bleken later echter toch bij verwante soorten voor te komen. Zanno gaf in 2008 een verbeterde lijst. Eigenschappen die tegenwoordig nog onbetwist worden, zijn de volgende. In de hersenpan is er een sterk ontwikkelde recessus basisphenoidalis. Tevens zijn er diepe inzinkingen onder de condylus occipitalis en op de subotica, ieder met meerdere pneumatische groeven. De verheffing op de eerste handklauw als aanhechting voor de strekspier heeft diepe uithollingen voor het gewrichtskapsel. De groeve voor de fenestra antorbitalis reikt tot aan het zijoppervlak van het neusbeen. Er zijn minstens vijf paar kegelvormige tanden voor in de onderkaken. De voorste tanden zijn aan de binnenkant uitgehold. De halswervels hebben in de trog op hun onderkant een middenrichel. De groeve op de ruggenwervels die onder hun voorste uitsteeksels loopt is verdeeld in drie kleinere uithollingen. De middelste ruggenwervels hebben een tweede richel die van de basis van de diapofyse naar achteren loopt. Het opperarmbeen heeft sterk ontwikkelde en schuin geplaatste verdikkingen met een holle voorrand die naar de gewrichtsknobbels oplopen. Op de voorrand van het heupgewricht bevindt zich een goed ontwikkelde en van achteren naar bezijden lopende verheffing op het schaambeen.
Skelet Schedel en onderkaken thumb|270px|Deze reconstructie van de schedel is grotendeels op giswerk gebaseerd maar toont correct dat de voorste tanden langer zijn Een volledige schedel van Falcarius is niet bekend. Uit fragmenten is het duidelijk dat de kop matig langwerpig is en afgeplat. Een gevonden bovenkaaksbeen of maxilla, specimen UMNH VP 14565, laat niet zien of er een fenestra maxillaris of promaxillaris aanwezig is, kleine schedelopeningen. Het aantal maxillaire tanden bedraagt minstens zestien en deze lopen uitzonderlijk ver naar achteren door. De tanden zijn bladvormig met nauwelijks een kromming naar achteren en onderaan erg breed. Ze hebben aan de voorste snijrand erg fijne kartelingen met een dichtheid van vijftien vertandingen per strekkende millimeter, zodat ze met het blote oog niet eens zichtbaar zijn. Alleen het bovenste deel van de voorste snijrand is ermee bezet. De achterste snijrand heeft grovere vertandingen, negen per millimeter en daar lopen ze tot op twee derden van de lengte door. De voorste tanden hebben een lengte van ongeveer vijf millimeter, de achterste zijn half zo lang. Het neusbeen heeft een wigvormig raakvlak met het voorhoofdsbeen. De oogkas is groot en rond. Het voorhoofdsbeen is driehoekig en bovenop vrij vlak, zonder de bolling bij sommige andere Maniraptora. De wandbeenderen zijn vermoedelijk vrij kort en liepen in ieder geval niet door tot over het achterhoofd. Het quadratum heeft bovenaan een enkelvoudige kop die spits toeloopt zodat het achtervlak driehoekig is in plaats van rechthoekig. In zijaanzicht is het quadratum naar voren bol, aan de achterkant hol. Het kaakgewricht ligt iets voor de kop en bestaat uit dubbele gewrichtsknobbels, niet driedubbele als bij de therizinosauriden.