Metasequoia is een geslacht van bomen, waarvan nog maar één soort bestaat, de watercipres. In het Tertiair kwam Metasequoia algemeen voor op het noordelijk halfrond zoals fossielen aantonen.

De nog levende soort wordt gezien als een levend fossiel en kwam voor de laatste ijstijd vrij algemeen voor in Oost-Azië (Japan, Korea en China). Nu is de watercipres van nature alleen nog aanwezig in Centraal-China in een gesloten vallei in het Shui-Hsa-Pal-dal en in de provincie Hubei.

De watercypres heeft een chromosoomgetal van 2n = 22.

Systematiek In 1941 werd Metasequoia afgesplitst van Sequoia. Er zijn tien Metasequoia-soorten bekend uit het Krijt. Ze waren verspreid over grote delen van het noordelijk halfrond. Van deze soorten overleefde alleen de oorspronkelijke sequoia. Het werd voor het eerst beschreven in 1948 door Hu Xiansu (1894–1968) en Cheng Wan-Chun (1908–1987) als Metasequoia glyptostroboides. Het wordt als uiterst onwaarschijnlijk beschouwd dat Sequoia is geëvolueerd uit Metasequoia.

Soorten †Metasequoia foxii Metasequoia glyptostroboides - Watercypres †Metasequoia milleri †Metasequoia occidentalis †Metasequoia disticha

Paleontologie Fossielen van Metasequoia komen voor op het Noordelijk halfrond. Meer dan 20 fossiele soorten zijn beschreven, waarvan sommige nu tot Sequoia gerekend worden. Tegenwoordig worden maar drie fossiele soorten Metasequoia onderscheiden: Metasequoia foxii Metasequoia milleri Metasequoia occidentalis

Tijdens het Paleoceen en Eoceen waren er uitgestrekte wouden van Metasequoia vanaf het noorden, Strathcona fjord op het Ellesmere-eiland en plaatsen op Axel Heibergeiland (Noord-Canada) tot de tachtigste noordelijke breedtegraad. Metasequoia was waarschijnlijk in die tijd bladverliezend door de jaarlijkse verschillen in licht en niet door temperatuurdaling in de winter, omdat tijdens deze periode op de tachtigste breedtegraad een tropische temperatuur heerste. Tijdens de drie zomermaanden scheen de zon 24 uur per dag en tijdens de drie wintermaanden was het 24 uur per dag donker. In LePage et al (2005).

Grote versteende boomstammen en -stompen van de uitgestorven Metasequoia occidentalis (soms Sequoia occidentalis genoemd) maken het grootste gedeelte uit van het Tertiaire fossiele plantenmateriaal in de badlands van West-Noord-Dakota.

De fossiele bomen komen veel voor in de lagen vanaf het late Krijt tot het Mioceen. Fossielen uit latere perioden zijn niet gevonden. Voor de ontdekking van de watercipres nam men aan dat het taxon tijdens het Mioceen was uitgestorven.

Categorie:Cipresfamilie Categorie:IUCN-status bedreigd