thumb|De poffer hoort bij de traditionele klederdracht in Noord-Brabant thumb|v.l.n.r.: Volendam, Urk, Scheveningen, Spakenburg, Marken, Arnemuiden, Walcheren. knielend: Staphorst thumb|Demonstratie van Oudhollandse klederdrachten ten bate van de buitenlandse bezoekers van het Holland-festival (beelden uit het bioscoopjournaal van 4 juli 1950) thumb|Bioscoopjournaal uit 1954: In voorbereiding op het toeristenseizoen maken Volendamse meisjes in klederdracht klederdrachtpoppen Klederdracht of streekdracht (kortweg: dracht) is de traditionele kleding die in Nederlandse gemeenschappen gedragen werd door een groot deel van de bevolking. Er is een aantal dorpen en streken in Nederland waar nog dagelijks klederdracht wordt gedragen, in het algemeen alleen nog door oudere vrouwen. Alleen in Staphorst-Rouveen en in Bunschoten-Spakenburg-Eemdijk maakt klederdracht nog deel uit van het gewone straatbeeld, maar ook daar wordt het aantal mensen in dracht snel minder.

Definitie Het woord klederdracht betekent letterlijk niet anders dan het dragen van kleding en wordt ook wel gebruikt voor de kleding die hoort bij een bepaald beroep (bijvoorbeeld het uniform van een politieman of een verpleegster), of een bepaalde religieuze groep (bijvoorbeeld het hoedje van een streng gereformeerde vrouw, het keppeltje van een joodse man of de hoofddoek van een orthodox-christelijke of moslimvrouw). In vakliteratuur wordt de voorkeur gegeven aan de term "streekdracht", omdat de dracht typisch is voor een bepaalde regio of soms ook een enkel dorp.

In de literatuur wordt klederdracht dan ook gedefinieerd als door autochtone mensen gedragen kostuum van een zekere ouderdom, met een voorgeschreven model, kleur, stof en versiering, waarin weinig individuele variaties worden toegelaten.

Het beroep en godsdienstige achtergrond van de gemeenschappen zijn van invloed op de klederdracht. In Bunschoten-Spakenburg waren er bijvoorbeeld (kleine) verschillen tussen de boeren- en de vissersdracht. Op Zuid-Beveland bestaan er verschillen tussen de dracht van protestanten en die van rooms-katholieken en in Het Gooi en Eemland werd de vierkante kap met bijbehorende kleding uitsluitend door katholieken gedragen.

Hoewel de streekdracht op het oog erg homogeen lijkt, en iedereen er hetzelfde uit lijkt te zien, zijn er wel individuele verschillen. Vrouwen gebruiken voor hun kleding soms andere soorten kant, ander motieven van sits, of ze laten hun graad van rijkdom zien aan hun sieraden of details van de sieraden.

Ontstaan thumb|Kanten muts met zilveren oorijzers en gouden rozetten (Drenthe) In het algemeen hebben de streekdrachten zich ontwikkeld uit de burgermode, die in de steden, vaak ook elders in Europa, werd gedragen. Doordat op het platteland de mode vaak "achterbleef" ten opzichte van de mode in de steden, bleven soms oude kledingvormen bewaard. Gaandeweg ontstonden daar ook weer eigen variaties in.

Bij de Nederlandse streekdrachten kan onderscheid gemaakt worden tussen "volksdrachten", vaak teruggaand op kledingvormen uit de zeventiende eeuw, en "modedrachten" ontstaan uit de 19e-eeuwse mode. Er zijn echter weinig klederdrachtstukken bewaard gebleven uit de periode voor de 18de eeuw.

Tot de volksdrachten kunnen de drachten van onder andere Staphorst, Spakenburg, Marken, Walcheren en Zuid-Beveland gerekend worden.

Een voorbeeld van volksdracht is bijvoorbeeld een kledingstuk als de kraplap. Dit is een rechthoekig stuk stof waarmee aan de voorkant de borst en aan de achterkant de rug wordt bedekt. Voor- en achterzijde zijn, met een uitsparing voor de hals, aan elkaar genaaid. Van oorsprong behoorde de kraplap eigenlijk tot de onderkleding en was dan een tamelijk onopvallend kledingstuk, maar in de verschillende drachten heeft de kraplap een eigen ontwikkeling doorgemaakt. Het spectaculairst was die ontwikkeling in Bunschoten-Spakenburg, waar de kraplap zich ontwikkelde tot een voor die plaats hard kenmerkende gesteven "harnas". Elders, bijvoorbeeld in Volendam, wordt de kraplap nog bedekt door een jakje, maar met uitsparingen aan de voor- en achterzijde zodat de bloemenversiering op de kraplap duidelijk opvalt. Soortgelijke ontwikkelingen hebben ook de gevouwen doek, die over de kraplap heen gaat, en het oorijzer gekend.

Een ander voorbeeld, het gebruik van kleurrijke sits, bijvoorbeeld in Spakenburg, was een afgeleide van het gebruik bij de hogere standen, die deze exotische stoffen als eerste droegen.Kostuum 2000

De modedrachten sluiten meer aan op de mode van de negentiende eeuw. In het algemeen bestaat zulke kleding uit een lange, wijde rok met onderrokken, een jak dat versierd is met plooien, kantjes, knoopjes en bandjes en soms een schort. Typische modedrachten zijn bijvoorbeeld de drachten van het Kampereiland, Rijssen, Huizen en Noord-Beveland.

Mannenkleding thumb|Kleding van een Walcherse boer (1914) met de typische 'tuunhoed' Over de klederdracht van mannen valt minder te vertellen. Een van de oorzaken is dat de mannendracht in het algemeen minder verschilt van de burgerdracht dan die bij de vrouwen. Ook is het zo dat de mannendracht meestal ten minste één generatie eerder uitsterft dan de vrouwendracht. Alleen Urk lijkt op deze regel een uitzondering te vormen.

Typisch voor veel mannendrachten zijn de "klepbroek", die niet met een rits maar met een klep gesloten wordt, en de gouden "keelknopen" waarmee het hemd wordt gesloten.

Daags en zondags In vrijwel alle streekdrachten bestaat er een duidelijk verschil tussen de zondagse kleding en de daagse kleding. De zondagse kleding is vaak zeer kostbaar en wordt alleen gedragen om erin naar de kerk te gaan, of -niet overal- bij bijzondere andere gelegenheden. In veel drachten geldt dat zondagse kleding nooit gewassen mag worden. Moet dat toch een keer gebeuren, dan is "de zondag eraf".

Vooral aan mutsen is te zien dat er zondagse kleding wordt gedragen. De knipmuts werd bijvoorbeeld uitsluitend op zondag gedragen. Ook de sieraden zijn vaak kostbaarder en mooier dan die voor de week. Bij de daagse kleding kan een onderscheid gemaakt worden tussen werkkleding en "opknapkleding". De "opknapkleding" is meer voor "netjes", nadat het werk in de stal, de tuin of de keuken is gedaan. Ook zou men nog de "uitgaanskleding" kunnen onderscheiden die bijvoorbeeld gedragen wordt bij het boodschappen doen of als men op bezoek gaat.

Werkkleding is meestal gemaakt van sterke en goed wasbare stof. Ook het "doorschuiven" van kledingstukken kwam vaak voor: een kledingstuk dat eerst voor de zondag bestemd was, wordt dan bijvoorbeeld na het eerste wassen als opknapkleding gebruikt, en uiteindelijk als werkkleding afgedragen.

Rouw Anders dan in de burgerdracht is bij de meeste streekdrachten ook het dragen van rouw bewaard gebleven. Na het overlijden van een familielid, buur of goede vriend, wordt gedurende een bepaalde periode rouw gedragen. Deze rouwperiodes waren aan strikte voorschriften gebonden: bijvoorbeeld 2 of 3 jaar rouw na het overlijden van een ouder, of 3 maanden na het overlijden van een neef of nicht. De lengte van de rouw was niet overal gelijk. In sommige streken was het gebruikelijk dat een weduwe de rest van haar leven in rouwdracht bleef, tenzij ze opnieuw trouwde. Rouwdracht wordt soms ook gedragen vanwege de geloofsovertuiging, als een uiting van nederigheid en van boetedoening tegenover God.

Vrijwel alle streekdrachten kennen een onderscheid tussen zware rouw, bijvoorbeeld gedragen na het overlijden van een van de ouders of de echtgenoot, en lichtere rouw, gedragen wanneer bijvoorbeeld een oom of tante is overleden of wanneer de periode van de zware rouw voorbij is en men gaat "afrouwen". Sommige streekdrachten kennen nog verfijnder onderscheid; zo hebben er op Marken wel zeven verschillende rouwgraden bestaan, en in Staphorst is er een dracht die uitsluitend wordt gedragen op de laatste zondag van de rouw, dus voordat men weer overgaat tot "uit-de-rouwse kleren".

Rouwkleding is te herkennen aan de kleding zelf en aan de sieraden die worden gedragen. In de meeste drachten is de kleur rood taboe als men in de rouw is. Kleuren als blauw, paars en groen ziet men vaak in de lichte rouw, in de zware rouw overheerst zwart. Ook het kant aan de mutsen wordt in de meeste drachten achterwege gelaten als men in de rouw is. In de sieraden worden goud en bloedkoraal in veel gevallen vervangen door zilver en git of soms granaat. Het goud aan het oorijzer blijft echter ook in de rouw meestal behouden. In de noordelijke provincies van het land werden de gouden "stiften" aan het oorijzer dan soms wel bedekt met zwarte stof.

Rouw in de mannendracht is op de Noordwestelijke Veluwe herkenbaar aan de halsdoek. Buiten de rouw is deze rood, tijdens de verschillende fasen van de rouw achtereenvolgens zwart, donkerblauw en grijs.

Korte beschrijving van de voornaamste Nederlandse streekdrachten Hoewel er grote verschillen bestaan tussen de klederdrachten, zijn er ook een aantal overeenkomsten of een aantal veel voorkomende onderdelen.

Bij de streekdracht voor vrouwen hoort in alle gevallen in een of andere vorm een muts of hoofddeksel. Mogelijk is dit veroorzaakt door een voorschrift van apostel Paulus (I Korinthiërs 11), dat is doorgevoerd in de hoofdbedekking in de christelijke eredienst. Mutsen bestaan in verschillende basistypes, zoals de luifelmuts, de hul, de kornet, de floddermuts en ten slotte een bolvormige zak, zoals de poffer of mopmuts. Ook werd wel een hoofddoek gedragen, die stamde uit de middeleeuwen. De hul was het meest algemene en eenvoudige model; de grotere kappen zijn daaruit ontwikkeld. Een oorijzer in de een of andere vorm, ontstaan uit de noodzaak de muts aan het haar te bevestigen. De kraplap of beuk, dat het decolleté van de vrouw bedekt. Daarnaast jakjes in verschillende snit, rokken en schorten.

Volendam miniatuur|Volendamse kermis in 1926. Diverse Volendammers in klederdracht.

De - ook internationaal - bekendste Nederlandse dracht is die van Volendam. De dracht is bekend geworden dankzij de schilders die rond 1900 in Volendam neerstreken. Kenmerkend is vooral de Volendammer hul die op het hoofd wordt gedragen, en de bloedkoralen kettingen, bestaande uit drie rijen dikke bloedkoraal, met een rechthoekig gouden slot, waarop vaak een scheepje of iets dergelijks is afgebeeld. Hille Butter was een van de vrouwen die begin twintigste eeuw vaak in deze dracht door kunstenaars werd vastgelegd.

"Frau Antje", het meisje dat in Duitsland Nederlandse kaas promoot, draagt een afgeleide van de Volendamse dracht. Veel toeristen komen naar Volendam vanwege de klederdracht, maar deze dracht wordt niet in stand gehouden omwille van de toeristen.

Marken

thumb|Sijtje Boes draagt Markense klederdracht (1948) Ook Marken trekt veel toeristen vanwege de klederdracht. Sijtje Boes was bij velen bekend, omdat zij thuis mensen ontving, de dracht liet zien en daarbij veel souvenirs wist te verkopen. De Marker dracht is bijzonder kleurig en rijkgeschakeerd. Voor bijna elke gelegenheid is er wel een aangepast kostuum. Van oudsher is de pinksterdracht de mooiste; bij deze gelegenheid werden, en worden nog wel, veel antieke kledingstukken gedragen. Op Koningsdag zit er veel oranje in de kleding. Een typerend deel van de Marker dracht is het rijglijf, een soort korset, dat versierd is met borduurwerk. Ook de "bauw" is bijzonder: dit is een lapje bedrukte stof, dat ter versiering op de borst wordt gedragen. Vooral op zon- en feestdagen zijn dit vaak fraaie antieke stukjes textiel, sits genoemd.

Schokland

De klederdracht van dit geïsoleerde eiland, dat in 1859 ontruimd was, is alleen bekend uit oude prenten en beschrijvingen van enkele tijdgenoten. De twee dorpen op het eiland hadden elk eigen tradities.

Bunschoten-Spakenburg-Eemdijk