Pteranodon is een geslacht van uitgestorven vliegende reptielen, pterosauriërs, behorend tot de groep van de Pterodactyloidea. Het leefde ongeveer 85 miljoen jaar geleden, tijdens het Laat-Krijt, in het gebied van het huidige Noord-Amerika. Het was daarmee een tijdgenoot van grote dinosauriërs, hoewel zelf geen dinosauriër.

Pteranodon werd in 1870 als eerste pterosauriër buiten Europa ontdekt tijdens een avontuurlijke expeditie van de beroemde professor Marsh in het Wilde Westen. Marsh vond eerst alleen stukken bot van de vleugel. Later groeven zijn medewerkers ook schedels op, die lieten zien dat het dier geen tanden had. Daarom gaf Marsh het in 1876 de naam Pteranodon: 'vleugel-zonder-tand'. Daarna werden tot nu toe meer dan twaalfhonderd fossielen van het dier gevonden. Sinds de eerste vondst zijn er vijftien soorten van het geslacht Pteranodon benoemd. Van maar twee daarvan denken we tegenwoordig nog dat het echt aparte soorten zijn: Pteranodon longiceps en de in 1966 benoemde Pteranodon sternbergi. De laatste was misschien de voorouder van de eerste. Sommige wetenschappers zien P. sternbergi echter als een apart geslacht: Geosternbergia. De twee soorten verschillen vooral in de vorm van de schedelkam. Met deze opvallende kam op het achterhoofd liet een dier aan zijn soortgenoten zien hoe oud het was en of het tot de vrouwelijke of mannelijke sekse behoorde.

Pteranodon is de bekendste pterosauriër. Dat komt doordat het met een vleugelspanwijdte van ruim zeven meter tot 1971 het grootste bekende vliegende dier uit de wereldgeschiedenis was. De omvang ervan was zo enorm dat veel geleerden dachten dat het alleen maar korte glijvluchten kon maken en niet eens in staat was goed te zweven. Tegenwoordig begrijpen we dat het lichte maar sterke skelet van Pteranodon voorzien was van krachtige spieren. Hij had een goed uithoudingsvermogen doordat hij, zoals alle pterosauriërs, warmbloedig was en behaard. Zijn vlieghuid had een stelsel van vezels en spiertjes waarmee die steeds op de gewenste spanning gehouden kon worden. Pteranodon kon zo klappend vliegen maar ook met zijn langwerpige vleugels zonder veel inspanning honderden kilometers ver de zee op zweven. Daar viste hij met zijn lange spitse kaken op allerlei zeedieren. Pteranodon is lang niet meer de grootste vliegende soort die we kennen; er zijn pterosauriërs ontdekt die minstens vier keer zo zwaar waren.

Ontdekkingsgeschiedenis en naamgeving Marsh en Cope right|thumb|280px|Charles Marsh in 1872 te midden van een van zijn teams Het eerste fossiel van Pteranodon, inventarisnummer YPM 1160, werd op 30 november 1870 tijdens een expeditie van Yale College naar Kansas, bij Fort Wallace gevonden door professor Othniel Charles Marsh in de Smoky Hill Chalk van de Niobraraformatie, een mariene kalkafzetting uit het Santonien die doorloopt tot in het vroege Campanien. Het bestond uit een half rechtermiddenhandsbeen van een zeer grote vleugelvinger, die wees op een spanwijdte van zes meter. Ook een tweede middenhandsbeen werd gevonden, YPM 1161. Omdat de kalk in zee afgezet was, zaten er ook resten van vissen tussen. Tanden van een soort daarvan, Xiphactinus audax, werden door Marsh per abuis voor die van de pterosauriër aangezien, omdat hij ervan uitging dat het dier tanden bezeten moest hebben; alle eerdere gevonden pterosauriërs, uit Europa, hadden die immers ook. In 1871 werd de vondst benoemd als Pterodactylus Oweni. In het begin van de negentiende eeuw was het de gewoonte geweest om iedere pterosauriër bij het, eerst benoemde, geslacht Pterodactylus onder te brengen; in 1870 was dat al uit de mode geraakt maar nog wel gebruikelijk voor erg fragmentarische resten waarvan men voorlopig niet precies kon bepalen om wat voor type het eigenlijk ging. De soortaanduiding, indertijd nog vaak met een hoofdletter geschreven, eerde de invloedrijke Britse paleontoloog Richard Owen die zojuist een monografie over de pterosauriër Dimorphodon had gepubliceerd; Marsh deed altijd erg zijn best goede contacten met zijn Europese collegae te onderhouden om zo de status van de nog in haar kinderschoenen staande Amerikaanse paleontologie, waarvan hij zichzelf als de belangrijkste vertegenwoordiger zag, te verhogen.

Tijdens een volgende expeditie in juli en augustus 1871 vond Marsh nog meer resten, waaronder het ontbrekende stuk van het originele middenhandsbeen, YPM 1160, wat de lengte op 412 millimeter bracht. Toen hij die in 1872 wilde beschrijven, werd het hem duidelijk dat de naam Pterodactylus oweni al eerder gebruikt was in 1864. Hij hernoemde daarom P. oweni tot Pterodactylus occidentalis; de soortaanduiding betekent 'de westelijke'. Ook werden twee andere exemplaren benoemd: een grote vleugel die de naam Pterodactylus ingens, 'de ontzaglijke', kreeg en een kleinste vleugel, gevonden op 27 juli, die Pterodactylus velox, 'de snelle', gedoopt werd. right|thumb|280px|Copes Ornithochirus umbrosus, zoals afgebeeld in 1872, nog met tanden en zonder schedelkam Marsh had een rivaal, Edward Drinker Cope, die indertijd de gewoonte begon te ontwikkelen om steeds wanneer Marsh een vondst gedaan had de aardlagen nog eens zelf te (laten) onderzoeken in de hoop eerder dan deze een naam te kunnen publiceren — of, zoals in dit geval, een vervangende naam. In dit geval mislukte dat net: vijf dagen nadat Marsh's publicatie verscheen, liet Cope op 1 maart 1872 een beschrijving van hetzelfde diertype verschijnen, gebaseerd op vleugelresten die hij in de zomer van 1871 had opgegraven bij Twin Butte Creek. Daarin benoemde hij twee nieuwe soorten van het uit Engeland bekende geslacht Ornithocheirus, een grotere: O. umbrosus en een kleinere: O. harpyia. De keuze voor Ornithocheirus was niet zozeer op een overeenkomst in vorm gebaseerd, hoewel het in beide gevallen om grote soorten met extra lange vleugels ging en Cope door een foute identificatie van een polsbeen dacht dat zijn vondst lange klauwen had als bij de Engelse soort, maar was een poging om een medestander in Engeland te vinden: ook Owen had een rivaal, Harry Govier Seeley, en Ornithocheirus was door de laatste benoemd. Cope maakte echter de fout om de naam fout te spellen als Ornithochirus. Naar huidige normen zou hij zo per ongeluk een apart geslacht geschapen hebben, waarvan de naam niet meer veranderd kan worden. Cope zelf duidde zijn soorten later aan met Pterodactylus. Edward Newton zag het indertijd echter niet zo en verbeterde de spelling in 1888 naar Ornithocheirus. De zaak is echter van weinig belang daar beide soortnamen jongere synoniemen zijn van de soorten van Marsh. Pas na een lang debat wilde Cope, een notoire querulant en ruziemaker, dat in 1875 toegeven maar alleen voor O. harpyia; hij bleef volhouden dat O. umbrosus een aparte soort was. left|thumb|300px|YPM 1117 Op 2 mei 1876 vond een medewerker van Marsh, die zelf in toenemende mate thuisbleef en anderen tussen 1874 en 1880 in Kansas liet opgraven, Samuel Wendell Williston, een eerste, 73 centimeter lange, schedel van de nieuwe soort, YPM 1117, snel gevolgd door een tweede kleinere schedel, YPM 1119. Beiden hadden het verrassende kenmerk dat ze tandeloos waren. Marsh voelde zich hierdoor gerechtigd om dat jaar een nieuw geslacht te benoemen: Pteranodon, afgeleid van het Klassiek Griekse πτερόν (pteron), 'vleugel', en ἀνόδων, anodoon, 'tandeloos' — vanuit ἀν~ (an), 'zonder' en ὀδούς (odous) 'tand'. De drie eerdere soorten Pteranodon occidentalis, P. ingens en P. velox breidde hij uit met een P. longiceps, 'langkop', voor het grote schedelexemplaar en een P. gracilis, 'lichtgebouwd', voor een nieuw gevonden vleugelfragment. Dat laatste bleek van een erg afwijkende soort te zijn en zou hij al datzelfde jaar hernoemen tot Nyctosaurus. Ook benoemde hij een P. comptus, 'de welgevormde', op basis van twee fragmentarische achterpoten op 17 mei 1875 gevonden door Benjamin Franklin Mudge en P. nanus, 'de dwerg'; de eerste naam wordt tegenwoordig als een nomen dubium beschouwd, de tweede als een mogelijke soort van Nyctosaurus.

Nieuwe geslachten, soorten en ondergeslachten right|thumb|300px|Deze bekende afbeelding uit 1910 laat de mate van verwarring zien bij de naamgeving. Het toont de schedel YPM 2594, aangevuld met een reconstructie van de postcrania. Eaton meende dat deze bij P. ingens hoorde, Miller dat het een aparte soort was: P. marshi; tegenwoordig zien we het als een exemplaar van P. longiceps. De kam alleen is 74 centimeter lang In 1893 werd de al erg complexe naamgeving nog ingewikkelder gemaakt doordat Williston de overtuiging kreeg dat een slecht bekende vorm uit Engeland, Ornithostoma, prioriteit zou hebben ten opzichte van Pteranodon. Hij begon dus alle soorten naar dat geslacht te hernoemen. Al in 1901 toonde Felix Plieninger aan dat Williston zich vergist had, maar nog steeds is het mogelijk illustraties te vinden van een Pteranodon-skelet onder de naam van Ornithostoma.

In de twintigste eeuw dook een volgend probleem op: fragmentarische vondsten van grote tandeloze pterosauriërs uit het Krijt werden bij Pteranodon ondergebracht. Later bleken die toe te behoren aan Azhdarchidae. Dat betrof in 1914 Pteranodon orientalis, die uiteindelijk hernoemd zou worden tot Bogolubovia en in 1928 Pteranodon oregonensis die hernoemd zou worden tot Bennettazhia.

In 1966 werd door John Christian Harksen opnieuw een nieuwe soort benoemd: Pteranodon sternbergi; de soortaanduiding eert George Fryer Sternberg die het fossiel FHSM VP 339, een schedel, in de herfst van 1952 gevonden had bij Bogue. In tegenstelling tot de eerdere namen ging het hierbij echter niet om licht afwijkend materiaal of juist geheel andere soorten, maar om een type dat aan de ene kant sterk leek op wat al van Pteranodon bekend was maar wel een duidelijk afwijkende schedelvorm bezat. left|thumb|250px|YPM 2594 en YPM 2473 De Niobrarakalksteen is erg productief wat fossielen betreft en ook van Pteranodon zijn vele botten gevonden, in 1910 al 465; in 2004 was dat opgelopen tot boven de 1200 grotere specimina. Behalve uit Kansas zijn die ook gevonden in Wyoming en South Dakota. Hoewel de kwaliteit ervan lang niet altijd even goed is — de vondsten zijn steeds incompleet, soms beschadigd en altijd platgedrukt — maakt dit het geslacht toch een van de best bekende pterosauriërs, samen met Pterodactylus, Rhamphorhynchus en Pterodaustro. Dit verleidde Halsey Wilkinson Miller er in de jaren zeventig toe om een groot aantal subgenera ofwel ondergeslachten in Pteranodon te gaan onderscheiden, zoals Longicepia, Occidentalia en Sternbergia, teneinde wat ordening in het geheel van licht verschillende fossielen te brengen. Miller wilde verder soorten alleen strikt op basis van de schedel onderscheiden, omdat ander materiaal niet eenduidig genoeg was. Van de bestaande soorten erkende hij, afgezien van de in feite tot Nyctosaurus behorende P. bonneri, daarom alleen P. longiceps en P. sternbergi. Hij meende dat dan nog drie typen schedel niet verantwoord waren en daarvoor benoemde hij nog eens drie nieuwe soorten: P. marshi (YPM 2594), P. walkeri en P. eatoni. De laatste was een hernoeming van een schedel, YPM 1179, die Marsh aan P. occidentalis had toegeschreven: de soortaanduiding eert George Francis Eaton die begin twintigste eeuw de eerste gedetailleerde beschrijvingen van het geslacht gaf. P. walkeri was een grote schedel, FHSM VP 221, met kleine kam; de soortaanduiding eert de oorspronkelijke medebeschrijver Myrl Walker.

Het gevolg van dit alles was dat de verwarring alleen maar toenam, vooral toen amateurpaleontoloog George Olshevsky Millers methode tot de uiterste consequentie doorvoerde en alle eerdere soorten bij een van Millers subgenera onderbracht. Deze namen worden tegenwoordig niet meer gebruikt en dat gold lange tijd ook voor het aparte geslacht Geosternbergia dat in 1991 door Olshevsky aan P. sternbergi gegeven werd — nadat Miller het in 1978 als ondergeslacht geschapen had nadat zijn subgenus Sternbergia al een bezette naam bleek — de enige echt te onderscheiden vorm.