300px|thumb|Voorstelling van pijn

Pijn is een onaangename sensorische ervaring, die door schade aan weefsel in het lichaam wordt veroorzaakt. Pijn is er een signaal voor dat er ergens in het lichaam een verwonding is of dreigt te ontstaan. Er is voor pijn soms geen aanwijsbare lichamelijke oorzaak. Pijn is altijd aan een emotionele beleving gekoppeld.

Pijn is een signaal van het lichaam om aan te geven dat er iets mis is, dus is van vitaal belang voor het behoud van gezond weefsel bij iedereen die een normaal leven leidt. Iemand die pijn voelt kan daar bijvoorbeeld met een reflex op reageren om zo erger te voorkomen. De afwezigheid van pijn, bijvoorbeeld als gevolg van lepra, kan leiden tot blijvende schade van lichaamsdelen omdat niet adequaat wordt gereageerd op beschadigingen of dreigende beschadigingen, bijvoorbeeld iemand die zijn hand die niet wegtrekt als hij een kokende pan wordt aanraakt.Paul Brand, The gift of Pain, 1997 Onderdrukking van pijn kan dat effect hebben. Mensen die dagelijks pijnstillers gebruiken of onder druk moeten presteren lopen een extra groot risico op problemen als gevolg van chronische overbelasting. Voorbeeld: iemand die regelmatig pijnstillers gebruikt voor hoofdpijn heeft niet in de gaten dat hij dagelijks zijn knie overbelast.

Het wegnemen van de pijn, van pijn die meer is dan alleen maar een gevoel, die een patiënt voelt heeft in de geneeskunde een hoge prioriteit.

Fysiologie Pijn begint wanneer de uiteinden van zenuwvezels worden geprikkeld of wanneer zenuwvezels beschadigd raken. Die prikkels, elektrische signalen, worden via zenuwbanen aan het ruggenmerg doorgegeven en ten slotte aan de hersenen.

Het zijn de dunnere, de weinig of helemaal niet gemyeliniseerde vezels die pijn geleiden. Van de verschillende zenuwvezels in ons lichaam Aα, Aβ, Aγ, Aδ, B en C geleiden de dunnere, weinig gemyeliniseerde Aβ-, Aδ- en de dunste, ongemyeliniseerde C-vezels, de pijn.

Pijn is niet alleen een directe koppeling tussen huid en hersenen zoals René Descartes destijds dacht, maar is een proces met een psychologische en sociale dimensie. Ze kan ook door andere prikkels worden beïnvloed. Een en ander werd aannemelijk door de poorttheorie van Ronald Melzack en Patrick Wall. Deze gaven in het kort aan dat dunne (pijn)vezels het pijnsignaal versterken, terwijl dikkere (tast)vezels het signaal dempen. Dat verklaart waarom druk of massage van de pijnlijke plek pijn kan dempen. Zo grijpt men bijvoorbeeld bij het stoten van de knie het pijnlijke lichaamsdeel meteen beet en houdt bij buikpijn de buik met de handen vast. Daarbij hebben prikkels uit het limbische systeem en de hersenschors een invloed op het transport van de pijnprikkels naar de hersenschors.

Nociceptieve pijn is pijn die duidt op weefselschade. Ze voelt eerder stekend, zeurend aan. Neuropathische pijn is pijn door zenuwbeschadiging. Deze voelt eerder branderig, tintelend aan.

Perifere trage en snelle vezels Pijnprikkels werden in een verdere uitwerking van de ideeën van Descartes via specifieke receptoren en pijn geleidende zenuwbanen naar de hersenen geleid, waar deze tot het bewustzijn doordringen. Pijn werd in het licht van de fysiologie van de zintuigen als eenzelfde kwaliteit beschouwd als voelen, horen of zien, met een eigen geleiding en een eigen waarneming. Max von Frey stelde in dit licht de specificiteitstheorie op. Pijnprikkels bereiken volgens deze theorie de via de snel geleidende gemyeliniseerde Aδ-zenuwvezels, snelheden tussen 6 en 30 m/sec, of de langzaam geleidende ongemyeliniseerde C-zenuwvezels, snelheden tussen 0,5 en 2 m/sec, het ruggenmerg. De pijnprikkels worden daar via een specifieke pijnbaan, de tractus spinothalamicus, verder geleid naar het schakelstation in de thalamus, naar de hersenschors, waar deze tot het bewustzijn doordringt. Aldus wordt onderscheid gemaakt tussen snelle en trage pijn. Er zijn voor snelle pijn veel andere namen: elektrische pijn, scherpe pijn, prikkende pijn, acute pijn. Deze snelle pijn is in de meeste van de diepe lichaamsweefsels niet te voelen. Spierkramp is een voorbeeld van een acute pijn. Er zijn voor trage pijn ook andere namen: trage brandende pijn, jeukende pijn, chronische pijn. Deze trage pijn kan in zowel de huid als bijna alle diepe weefsels en organen voorkomen.

Vanwege dit dubbele geleidingssysteem komt pijn vaak in twee fases: een eerste en scherp gevoelde pijn gevolgd door een tragere pijn. Deze eerste pijn maakt de persoon snel attent op de pijn veroorzakende stimulus die een reflex of een andere een reactie uitlokt, bijvoorbeeld de hand wegtrekken. De trage pijn die daarna volgt heeft na verloop van tijd de neiging erger te worden.

Dubbele transmissie: ruggenmerg en hersenstam Wanneer de pijnsignalen het ruggenmerg binnendringen worden ze via twee verschillende routes verder geleid naar de hersenen: de tractus neospinothalamicus voor de snelle pijn en de tractus palaeospinothalamicus voor de trage pijn.

Tractus neospinothalamicus voor snelle pijn De snelle Aδ-zenuwvezels eindigen in de achterhoorn aan de dorsale kant van het ruggenmerg, ter hoogte van lamina I, en maken daar synaps met tweede-ordeneuronen van de tractus neospinothalamicus die het signaal meteen naar de andere kant van het ruggenmerg leiden en van hieruit verder naar de hersenen. Sommige vezels eindigen in de formatio reticularis van de hersenstam, maar de meeste vezels eindigen in de thalamus. Het signaal wordt van hieruit verder geleid naar andere basale hersengebieden en de somatosensibele schors. Dit type pijn kan vrij precies worden gelokaliseerd, maar wanneer er geen tactiele informatie wordt verkregen is de pijnlokalisatie ook bij deze scherpe pijn gering. Er wordt gedacht dat de signaaltransmissie van de Aδ-zenuwvezels door middel van de neurotransmitter glutamine gaat, die maar een zeer korte actieve periode kent, enkele milliseconden.

Tractus palaeospinothalamicus voor trage pijn De prikkels door de tragere C-zenuwvezels eindigen eveneens in de achterhoorn van het ruggenmerg, ter hoogte van laminae II en III, passeren daar een synaps naar een of meer tussenneuronen, worden verder geleid, passeren ter hoogte van lamina V weer een synaps, naar de neuronen die, na kruising over de middellijn van het ruggenmerg, ze verder naar de hersenen geleiden. De signaaloverdracht in de tragere C-vezels geschiedt enerzijds door glutamaat met een actieve periode van maar enkele milliseconden. Er wordt gedacht dat ook substantie P een belangrijke rol speelt in de signaaloverdracht van deze trage vezels. Deze stof wordt veel langzamer vrijgegeven, waarna de concentratie gedurende enkele seconden tot zelfs minuten stijgt. Geopperd wordt dat de verschillende pijngewaarwording, acute scherpe pijn versus tragere doffe pijn, ten dele is te verklaren door deze verschillende vormen van neurotransmissie.

De tractus palaeospinothalamicus eindigt in de hersenstam. Niet alle vezels dringen tot de thalamus door. Sommigen stoppen in de formatio reticularis, sommigen in het mesencephalon en nog anderen in de substantia grisea centralis rond het aquaduct van Sylvius. Dit soort pijn is zeer onbepaald en strekt zich vaak over een groot deel van het lichaam, bijvoorbeeld in een been, uit. Dit verklaart waarom patiënten met chronische pijn vaak moeilijk kunnen aangeven waar zij de pijn precies voelen.

Welke wezens voelen pijn? Het idee dat dieren geen pijn zouden voelen en daar niet onder lijden gaat terug naar de 17e-eeuwse Franse filosoof, René Descartes, die argumenteerde dat dieren geen bewustzijn hebben. Lange tijd vormde deze visie een legitimering van vivisectieproeven op dieren. Latere filosofen en schrijvers gingen daar tegenin. Zo is van Jeremy Bentham (1748-1832) de befaamde uitspraak “de vraag is niet, kunnen ze logisch redeneren? en ook niet kunnen ze praten?, maar kunnen ze lijden?”Bentham, Jeremy. An Introduction to the Principles of Morals and Legislation, 1789. Laatste uitgave: Adamant Media Corporation, 2005. Charles Darwin had weliswaar vooral belangstelling voor de fysiologische aspecten van dierlijke reacties, maar beschreef toch duidelijke uitingen van pijngevoel bij dieren.

Voor de Australische filosoof Peter Singer (°1946) is bewustzijn zelfs niet doorslaggevend: hij stelde de retorische vraag of we dan ook ervan uitgaan dat pasgeboren baby’s, mensen met een leerachterstand of met een hersenaandoening geen pijn voelen. Volgens Bernard Rollin, hoogleraar medische ethiek met betrekking tot dieren, waren onderzoekers tot in de jaren 1980 niet zeker of dieren pijn voelden. In de Verenigde Staten bleven onderzoekers in het ongewisse of dieren pijn lijden en dierenartsen werd tot in de jaren 80 van de 20e eeuw tijdens hun opleiding gezegd pijn bij dieren te negeren.

De aanwezigheid van pijn bij dieren en ook bij mensen, kan niet met zekerheid worden vastgesteld, maar ze kan worden afgeleid uit fysische en gedragsmatige reacties. Specialisten stellen nu dat alle gewervelden pijn kunnen voelen en dat zekere ongewervelden, zoals octopussen en schaaldieren, dat waarschijnlijk ook doen. Voor andere dieren en ook voor planten is het al of niet aantonen van pijn onmogelijk voor de huidige stand van de wetenschappen.

Onderscheid op grond van duur Er kan onderscheid worden gemaakt tussen acute pijn en chronische pijn. Acute pijn ontstaat plotseling en gaat relatief snel weer over. Klinisch neemt men de grens van zes maanden. Onder chronische pijn wordt verstaan: pijn die langer dan zes maanden aanhoudt. Chronische pijn heeft geen waarschuwingsfunctie meer en veroorzaakt vooral stress. Chronische pijn is vaak moeilijk tot zeer moeilijk behandelbaar, omdat er geen lichamelijke oorzaak (meer) voor te vinden is of omdat de oorzaak niet weg te nemen is. De resterende behandelwijzen zijn dan pijnstillende medicijnen (die vaak slecht helpen) of een zenuwbehandeling, zodat moderne therapieën zich eerder richten op het pijngedrag en dit proberen om te buigen in normaal gedrag. De pijnbeleving blijkt als dit lukt vaak sterk te verminderen. Pijn waarop men zich lange tijd concentreert of waarop de aandacht lange tijd is gericht, kan erger worden en het leven gaan beheersen. Ook als er onderliggende angsten aanwezig zijn (bijvoorbeeld voor ernstige aandoeningen) wordt pijn sterker gevoeld.

Onderzoek Pijn kan nog niet goed worden gemeten. Pijn geeft altijd een emotionele beleving en die kan aan de hartslag en bloeddruk worden afgelezen. Men vraagt bij de diagnose aan de patiënt hoe die de pijn ervaart en vraagt de pijn een cijfer te geven. Men maakt daarbij vaak gebruik van een vragenlijst.Een veelgebruikte vragenlijst is de McGill Pain Questionnaire. Deze methode gaat van de veronderstelling uit dat de patiënt zelf de pijn kan omschrijven en over de intensiteit van de pijn kan oordelen. Bij comateuze patiënten of verstandelijk gehandicapten is het meten van pijn een gecompliceerde aangelegenheid. Evenzo is dat het geval bij de pasgeborenen. In deze patiëntencategorie wordt gewerkt met een vijftal gevalideerde meetinstrumenten voor pijn, die zonder uitzondering multidimensioneel zijn. Dat wil zeggen dat ze zowel fysiologische veranderingen zoals hartslag en bloeddruk meten, en daarnaast een oordeel geven over gedragsveranderingen. Een enkel meetinstrument scoort ook beïnvloedende factoren als zwangerschapsduur (voor de te vroeg geborene) en gedragsstadium. Over het algemeen geldt dat objectieve pijnmeetinstrumenten ontwikkeld worden voor acute pijn. Het objectief meten van chronische pijn staat nog in de kinderschoenen.