Christiaan Frederik (Chris) van Abkoude, later Charles Winters (Rotterdam, 6 november 1880 – Portland (Oregon), 2 januari 1960), was een Nederlands-Amerikaanse onderwijzer, journalist, schrijver, oorlogscabaretier en kinderentertainer. Hij was grondlegger van het Nederlandse kindercabaret en ruim veertig jaar actief als verhalenverteller, zanger, musicus, poppenkastspeler, buikspreker en goochelaar.

In Nederland is hij vooral befaamd als auteur van ruim veertig kinderboeken, waarvan de bekendste Kruimeltje en de Pietje Bell-reeks zijn.

Levensloop Jeugdjaren thumb|Foto uit 1881 van Chris van Abkoude en zijn 16 jaar oudere halfzuster Ida Margaretha Van Abkoude werd geboren als zoon van de Rotterdamse middenstander Pieter van Abkoude, die een modezaak en kinderkledingwinkel in de Rotterdamse wijk Crooswijk had. Zijn moeder stierf in het kraambed, twee weken na Chris' geboorte. Zij was de derde echtgenote die zijn vader moest begraven. Chris' opvoeding kwam grotendeels op het conto van zijn zestien jaar oudere halfzus Ida Margaretha, die later model stond voor Martha, de oudere zus van Pietje Bell. Het gezin beschikte over voldoende middelen om Chris naar een particuliere school te sturen, de christelijke dag- en kostschool Van Beek. De school leidde op voor de hbs en het gymnasium. Daarna wilde Van Abkoude graag een studie in de letteren gaan volgen, maar zijn zakelijk aangelegde vader zag hier geen brood in en deed hem in opleiding bij een graanhandel en vervolgens bij een expeditiebureau. Van Abkoude bleek echter niet in de wieg gelegd voor het bedrijfsleven. Als compromis werd daarna besloten hem naar de normaalschool (of kweekschool) te sturen om onderwijzer te worden. Hij onderbrak deze studie voor militaire dienst bij het Garderegiment Grenadiers en Jagers te Den Haag, waar Van Abkoude afzwaaide als korporaal. Op 11 mei 1901 behaalde hij zijn onderwijsakte.

1901 - 1910 Onderwijzer en journalist Van 1901 tot 1910 was Van Abkoude leerkracht op de Openbare school nr. 10, een volksschool aan de Koepelstraat in de Rotterdamse wijk Crooswijk. Hij kreeg snel veel moeite met de verouderde pedagogische opvattingen die gemeengoed waren op deze school en ging in 1903 naast het lesgeven zich ook met journalistiek bezighouden. Hij werd redacteur van Het Rotterdammertje, een lokaal weekblaadje dat werd uitgegeven door de boekhandelaar en drukker D. Brouwer. Voor dit blad schreef hij vlammende artikelen over misstanden in Rotterdam, waaronder de armoede onder de Rotterdamse jeugd. Voor dit thema trok Van Abkoude de sloppenwijken van zijn geboortestad in. Deze artikelen kregen landelijk aandacht in de media en werden in 1904 door D. Brouwer onder de titel Droevig kinderleven in Rotterdam - Een onderzoek naar den toestand van behoeftige schoolkinderen als brochure uitgegeven.

Literaire ambities Begin 1904 staakte Van Abkoude zijn werkzaamheden voor Het Rotterdammertje en ondernam pogingen naam te maken als literair schrijver. Al in 1902 had hij de bekende dichter Willem Kloos in een brief om beoordeling van zijn werk gevraagd. Uitgeverij Van Holkema & Warendorf publiceerde in 1904 en 1905 twee novellen van zijn hand die deels een autobiografisch karakter hebben. Zowel in de novelle De bruiloft van Henri Terborgh (1904) als in Een strijd tegen domheid (1905) spelen problemen door standsverschillen tussen twee geliefden een belangrijke rol. Van Abkoude had dit aan den lijve ondervonden en het thema zou regelmatig terugkomen in zijn werk. Zelfs vijftien jaar later, in De vlegeljaren van Pietje Bell (1920), schreef Van Abkoude nog over een opbloeiende romance tussen Pietje en een rijk meisje die in de kiem wordt gesmoord.

In 1905 trouwde Van Abkoude met zijn buurtgenootje Johanna Alida van Wijk. Twee maanden later werd hun zoon Pieter geboren, in 1907 volgde zoon Dirk en twee jaar later zoon Christiaan, roepnaam Bob. Ze zouden in 1922 model staan voor de hoofdpersonen van het boek De zonen van Pietje Bell.

Kinderschrijver Wegens gebrek aan succes besloot Van Abkoude in 1906 zijn pogingen voet aan literaire grond te krijgen te laten varen. Hij zou zich voortaan op kinderen richten, en richtte dat jaar het Rotterdamse kinderkoor Jong Holland op. Daarnaast begon hij met het schrijven voor kinderen. In 1907 verschenen zijn eerste twee kinderboeken, Bert en Bram en Hollandsche jongens, beide uitgegeven door de Alkmaarse uitgeverij Kluitman. Een jaar later volgde Hein Stavast, het eerste boek van Chris van Abkoude dat geïllustreerd werd door Jan Rinke, de illustrator die later Pietje Bell van zijn beroemde knipoog zou voorzien. Tot zijn dood in 1922 bleef Rinke de vaste illustrator van het werk van Van Abkoude en hij raakte ook persoonlijk met de schrijver bevriend.

De Gids In 1908 werd Van Abkoude opnieuw redacteur van een lokaal weekblad. Voor De Gids, weekblad voor het Noorden, een uitgave van de Rotterdamse boekhandelaar T. van Beerschooten, verzorgde hij onder de naam 'Oom Chris' een kinderrubriek, die het blad al snel populair maakte. Van Abkoude richtte vervolgens via dit blad De Gidsclub op, een vereniging voor kinderen waarvoor hij regelmatig grote kinderfeesten organiseerde, bestaande uit voordrachten uit zijn kinderboeken, poppenkastvoorstellingen en liedjes die hij aan de piano ten gehore bracht. Zijn succesvolle poppenspel tijdens deze feesten bracht hem op het idee om met een poppenkast op reis te gaan.

Met de poppenkast op reis In 1907 hadden de verslaggevers Jean-Louis Pisuisse en Max Blokzijl van het Algemeen Handelsblad als pseudo-Italiaanse straatzangers een reis gemaakt, en hierover onder pseudoniem reportages geschreven in de krant. Dit soort undercover-journalistiek was begin 20e eeuw erg populair. Ook de journalisten M.J. Brusse en Israël Querido gingen in deze periode incognito op pad. Van Abkoude trok in de zomervakantie van 1909 samen met twee kennissen, journalist J. Pekop de Haas en onderwijzer P. van Leening als arme poppenkastspelers door het Zuiden van Nederland. Ook zij bedienden zich hierbij van een pseudoniem. Van Abkoude gebruikte de naam 'Jacques Helmer', De Haas ging als 'Karel Mullens' en Van Leening als 'Victor de Koster'. Ze gebruikten vervalste aanbevelingen om optredens te regelen.

In de maanden juli 1909 tot oktober 1909 publiceerde Het Rotterdamsch Dagblad wekelijks artikelen die Van Abkoude over deze reis schreef. Deze verslagen waren dusdanig succesvol dat de drie mannen na terugkomst op uitnodiging tot ver buiten Rotterdam op tournee gingen met hun poppenkast en liedjes.

Afscheid van het onderwijs Het groeiende succes als kinderentertainer deed Van Abkoude eind 1909 besluiten het onderwijs vaarwel te zeggen en zijn brood te gaan verdienen als schrijver en kinderartiest.

In 1910 verschenen de reisverslagen uit Het Rotterdamsch Dagblad in boekvorm bij uitgeverij Scheltens & Giltay, onder de titel Met de poppenkast op reis. Avontuurlijke lotgevallen van drie journalisten. Dezelfde uitgever publiceerde dat jaar onder de titel Schoolmannen, een roman over de onderwijswereld een grotendeels autobiografische roman, waarin Van Abkoude onder het pseudoniem Bernhard Verhoef zijn frustraties over standsverschillen en zijn tijd als onderwijzer verwerkte. Ook schreef hij dat jaar enkele kinderboeken, waaronder Het jongenskamp, een bewerking van een roman van de Duitser Walter Heichen. Dit boek beschreef belevenissen van kinderen uit grote steden die de zomervakantie doorbrengen zonder toezicht van ouders, onderwijzers of leiders. Tot dat moment had Van Abkoude kinderboeken geschreven die voldeden aan de pedagogische opvattingen van zijn tijdsgenoten. Dit werk was een eerste signaal van de vrijere opvattingen van de voormalige onderwijzer. Ook als kinderboekenauteur begon Van Abkoude de bakens te verzetten.

1911 - 1915 Kinderartiest en schrijver De lezingen die Van Abkoude combineerde met poppenkastspel en eigen liedjes waren zodanig succesvol dat hij al snel uit alle hoeken van het land uitnodigingen kreeg voorstellingen te komen geven. De organisatie was veelal in handen van lokale dagbladen. Er werd vol lof over deze nieuwe vorm van kinderentertainment geschreven. Feitelijk was Van Abkoude de eerste kinderschrijver die op een dergelijke informele wijze met zijn jeugdig lezerspubliek contact maakte. Tijdgenoten als de onderwijzer Cornelis Johannes Kieviet, schrijver van de beroemde schelmenroman Dik Trom lazen hun werk ook wel voor aan kinderen, maar dat bleef veelal beperkt tot het klaslokaal. Van Abkoude kwam met een compleet programma van muziek, verhalen en poppenspel. Hij kan daarmee beschouwd worden als de grondlegger van het Nederlandse kindercabaret. Tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog medio 1914 verzorgde hij ruim duizend optredens voor kinderen. In een reclamefolder die Van Abkoude veel later gebruikte voor zijn optredens schreef hij in deze periode ook te hebben opgetreden voor een jonge prinses Juliana.

Ondertussen bleef Van Abkoude ook erg productief als schrijver. Jaarlijks verschenen meerdere kinderboeken van zijn hand, waaronder het in 1912 door Bruna uitgegeven boek De padvinders van Duinwijk, een van de eerste boeken over de padvinderij. Het was opnieuw een poging om bepaalde pedagogische opvattingen voor het voetlicht te brengen. Zijn productiviteit als schrijver en entertainer was echter geen vetpot, en in 1913 besloot hij naar Laren te verhuizen, waar hij een zomerwoning huurde. Zijn vrouw en zoons vonden onderdak bij een gezin. Afgezonderd van zijn gezin kon hij al zijn tijd en energie gebruiken voor het schrijven en optreden.

Jolige Liedjes voor de jeugd In november 1913 kwam uitgeverij Scheltens & Giltay met de uitgave Jolige liedjes voor de Jeugd. Het betreft een door Jan Rinke geïllustreerde bundel van vijfentwintig zeer succesvolle liedjes die Van Abkoude tijdens zijn optredens voor de jeugd gebruikte. De muziek was van de componist Henri Zagwijn, een voormalig collega op de school aan de Koepelstraat. Door het ondeugende karakter van de tekst zorgde de publicatie voor een landelijk protest van pedagogen en opvoedkundigen. Een door een commissie van notabelen ingezonden stuk getiteld "EEN WAARSCHUWING" werd door een groot aantal kranten, o.a. De Telegraaf en Algemeen Handelsblad, overgenomen en door de redactie voorzien van adhesiebetuigingen. Over Chris van Abkoude en zijn werk werd een banvloek uitgesproken die decennialang zou voortduren.

Pietje Bell thumb|Pietje Bell op weg naar school. Afgebeeld door Jan Rinke in Pietje Bell of de lotgevallen van een ondeugenden jongen uit 1914 Begin 1914 huurde Van Abkoude een woning aan de Schoolstraat in Baarn en werd hij herenigd met zijn gezin.De kraamkamer van Pietje Bell, door Cees Roodnat, 12 maart 2018. Gearchiveerd op 7 april 2022. Daar schreef hij het boek Pietje Bell, met als oorspronkelijke titel Pietje Bell of de lotgevallen van een ondeugenden jongen. Het was een verhalende versie van de kwajongensstreken uit de liedbundel Jolige liedjes en bevatte voorts een aantal autobiografische elementen. Het boek was geïllustreerd door Jan Rinke, die de hoofdpersoon steevast van een knipoog voorzag. Zijn inspiratie ontleende Rinke aan de verdediging van Van Abkoude op alle kritiek rondom de liedbundel. Van Abkoude schreef in Het Volk dat men de liedjes niet zo serieus moest nemen, omdat deze met een knipoogje dienden te worden voorgedragen. Het boek was direct een enorm succes onder de jeugd. De pedagogische bezwaren tegen de liedbundel zouden in latere jaren ook op dit bekendste werk van Van Abkoude van toepassing worden verklaard.

Oorlogscabaretier