thumb|Bladzijde uit de Codex Argenteus De Codex Argenteus ofwel de Zilverbijbel is een van de handschriften waarin delen van de Gotische Bijbelvertaling van bisschop WulfilaManuscripten van de Wulfila Bijbel. Gearchiveerd op 10 mei 2023. zijn overgeleverd. Het belang van dit document is niet alleen godsdienstig, maar ook taalkundig: het is het oudste bewaard gebleven document (afkomstig uit de 6e eeuw) in een Germaanse taal. Zijn naam kreeg het vanwege de zilveren letters (argenteus is Latijn voor "zilveren, van zilver") waarin het geschreven werd. Deze naam werd voor het eerst in een publicatie gebruikt door Bonaventura Vulcanius in zijn ‘De literis & lingua Getarum, siue Gothorum’ van 1597.Lars Munkhammar, Codex Argenteus and its printed editions, 2010, p.26. Het handschrift wordt bewaard in de universiteitsbibliotheek van Uppsala onder de signatuur DG1. Het handschrift werd op 25 mei 2011 opgenomen in de Werelderfgoedlijst voor documenten in het kader van het Memory of the World-programma van de UNESCO.
Geschiedenis Oorsprong Het boek bevatte niet de volledige Bijbel maar de vier Evangelies en is dus eigenlijk een evangeliarium, geschreven in het Gotisch. De Visigotische bisschop Wulfila vertaalde in de 4e eeuw de Bijbel van het Grieks naar het Gotisch. Hij was trouwens ook de man die het Gotische alfabet opstelde daarbij uitgaande van het Griekse met hier en daar een overblijfsel uit het vroegere runenschrift. Het handschrift werd vermoedelijk in het begin van de 6e eeuw in Ravenna geschreven tijdens de periode van het Ostrogotische Rijk (493 – 533) mogelijk in opdracht van Theodorik de Grote (regeerde van 474-526).
In Duitsland Het boek verdwijnt dan om pas in het midden van de zestiende eeuw weer op te duiken in de Abdij van Werden aan de Ruhr, waar het waarschijnlijk in 1554 werd ontdekt door twee theologen, Joris Cassander van Brugge, later werkzaam in Keulen en Cornelius Wouters, leraar aan de kathedraalschool in Brugge, later ook actief in Keulen. Zij kenden alleszins het boek want het werd vermeld in hun briefwisseling met andere geleerden. Tussen 1573 en 1587 zou Arnold Mercator, cartograaf en de zoon van Gerardus Mercator, het boek gezien hebben in Werden. Alleszins is in zijn nota’s vermeld dat het boek gescheurd en in slechte staat was en dat de teksten verkeerd waren ingebonden.Lars Munkhammar, Codex Argenteus and its printed editions, p.24.
Nieuw onderzoek van Dorothea DiemerDorothea Diemer, ‘ein adenlichs hausgerette, und nit jedermans Ding’ – Zum Schicksal des Codex Argenteus Upsaliensis im 16 Jahrhundert. Die Münchner Kunstkammer, Bd. 3, Aufsätze und Anhänge (Bayerische Akademie der Wissenschaften, philosophisch-historische Klasse, Abhandlungen, NF, Heft 129), München 2008, pp. 331–344 gaat ervan uit dat de codex Werden verliet vlak na de ontdekking door Cassander en Wouters en dat de codex ook vroeger werd ontdekt dan voorheen werd aangenomen. Diemer denkt dat de codex deel uitmaakte van een verzameling curiosa van een zekere Johann Wilhelm von Laubenberg von Wagegg (1511–1563). Die wilde zijn collectie met daarbij een ‘zilveren boek’ in 1562 verkopen aan hertog Albrecht V van Beieren. Zijn beschrijving van het boek zou kunnen slaan op de Codex Argenteus. Laubenberg zegt ook dat hij het boek uitleende aan Otto Hendrik van de Palts (1502-1559) en dat zou kloppen met een taai verhaal dat er een Gotisch evangeliarium in de Palatina-bibliotheek in Heidelberg was in het midden van de 16e eeuw, dat daarna verdween. Het zou kunnen dat de koop die Laubenberg niet kon sluiten met Albrecht wel doorging met Rudolf II. De informatie in de nota’s van Arnold Mercator zou dan afkomstig kunnen zijn van Arnolds vader, maar het blijven hypotheses.Lars Munkhammar, Codex Argenteus and its printed editions, pp.25-26.
Wat er met het boek gebeurde in het millennium tussen Ravenna en Werden zal waarschijnlijk voor altijd een open vraag blijven, hoewel er verschillende hypotheses werden geformuleerd. Een van die hypotheses is dat handschrift uit Italië in de 8e eeuw naar Werden werd gebracht door de stichter van de abdij, de heilige Liudger. Piergiuseppe Scardigli, Unum Redivivum Folium. (Studi germanici, nuova serie, IX 1-2, 1971, pp. 5-19.)Jan-Olof Tjäder, Silverbibeln och dess väg till Sverige. (Religion och bibel. Nathan Söderblom-sällskapets årsbok, 34:1975, pp. 70-86.). Anderen denken dan weer dat de Codex Argenteus door Karel de Grote van zijn reizen naar Italië werd meegebracht naar Aken en daarna in Werden terechtkwam.Lars Hermodsson, Silverbibelns väg till Werden (with a summary in English). (Kungl. Humanistiska Vetenskaps-Samfundet i Uppsala. Årsbok 1986, pp. 5-32.)
Nadat de Codex Argenteus in het bezit was gekomen van keizer Rudolf II, een verzamelaar met een intellectuele belangstelling, werd het bewaard in de burcht van Praag. Het handschrift moet zich al voor 1601 in Praag bevonden hebben want het werd vermeld door Richard Strein, een minister van Rudolf, die overleed in 1600. Hoe het handschrift bij Rudolf terechtkwam is niet bekend.
In Zweden Zweedse militairen namen het handschrift als oorlogsbuit mee toen ze Praag in 1648 innamen en zo kwam het manuscript terecht in de verzameling van koningin Christina I van Zweden. Isaac Vossius, een van de bibliothecarissen van Christina, werd voor zijn diensten door Christina vergoed met een aantal boeken, waaronder de Codex Argenteus. Vossius bracht het boek mee naar Nederland.
Het handschrift werd door Vossius in 1662 verkocht aan Magnus Gabriel De la Gardie, de Zweedse rijkskanselier, die trouwens in de laatste fase van de Dertigjarige Oorlog in 1648 deel had genomen aan de belegering van Praag en betrokken was bij de beroving van de burcht. Magnus Gabriel De la Gardie schonk de Codex Argenteus samen met 64 andere boeken, afkomstig uit Noorwegen en IJsland, in 1669 aan de Universiteit van Uppsala, waarvan hij eveneens de kanselier was. Het boek werd in die tijd voorzien van een prachtige zilveren boekband ontworpen door de schilder-tekenaar David Klöcker Ehrenstrahl en gemaakt door de goudsmid Bengtsson Sellingh.Lars Munkhammar, Codex Argenteus and its printed editions, pp.13-14.
De la Gardie kocht het boek via de bemiddeling van de Zweedse gezant in Amsterdam, Peter Trotzig. Trotzig stuurde het boek naar Zweden, verpakt in een eiken kist, met het schip ‘Sint Joris’ op 28 juli 1662, maar er stak een storm op en de Sint Joris liep aan de grond in de buurt van de Zuiderzee. Trotzig stuurde dadelijk iemand naar het schip om zijn kostbare zending te recupereren. De kist bleek intact te zijn. Trotzig ondernam een tweede poging, maar deze keer liet hij het boek verpakken in een dichtgesoldeerde loden kist die op haar beurt in een eiken kist werd verpakt. Deze tweede poging met de Phoenix op 12 september had meer succes. Deze keer kwam het boek veilig in Göteborg bij De la Gardie terecht.
Recente geschiedenis In oktober 1970 is nog een 188ste blad van de Codex Argenteus opgedoken, in de dom van Speyer. Hierop staan de laatste verzen van het evangelie van Marcus. Dit folium wordt meestal het Haffner-folium genoemd naar zijn ontdekker Franz Haffner. Het Haffner-folium is merkelijk groter dan het handschrift dat bewaard wordt in Uppsala wat er zou kunnen op wijzen dat het reeds in de vroege geschiedenis van het handschrift gescheiden werd, maar ook hierover zijn verschillende theorieën gelanceerd.
Op 5 april 1995 werden een bifolium en de zilveren boekplaten van de Codex Argenteus op klaarlichte dag gestolen uit de tentoonstellingsruimte in de Carolina Rediviva, het hoofdgebouw van de universiteitsbibliotheek van Uppsala. De rest van het handschrift wordt onder klimaatcontrole in een kluis bewaard en kwam niet in gevaar. Amper een maand later werd het gestolen materiaal teruggevonden in een bagagekluis van het Centraal Station in Stockholm.
In 1998 werd een C14-datering uitgevoerd op een stukje van het perkament van de codex. Dit bevestigde dat het perkament van de codex uit het begin van de 6e eeuw zou zijn.Göran Possnert, Lars Munkhammar, “Silverbibelns ålder och bindningshistoria i ljuset av C14-analys (with an English summary)”. Annales Academiæ Regiæ Scientiarum Upsaliensis – Kungl. Vetenskapssamhällets i Uppsala Årsbok, 33:1999–2000, pp. 53–65.
Beschrijving Als het originele manuscript niets anders dan de vier evangelies bevatte, moet het oorspronkelijk 336 folia geteld hebbenOtto von Friesen, Anders Grape, Om Codex argenteus. Dess tid, hem och öden. (Skrifter utgivna av Svenska litteratursällskapet, 27.) Uppsala 1928., waarvan er nu 187 bewaard zijn in Uppsala en één in Speyer, in het Historisches Museum der Pfalz. De folia zijn 197,5 à 200 mm breed en 242,5 à 245 mm hoog. Het Haffner-folium meet 217 x 265 mm, wat waarschijnlijk de originele afmetingen benadert. De katernen in het originele handschrift waren quaternions met als laatste katern voor elk evangelie een quinion (vijf bifolia).
De afmetingen van het tekstblok voldoen aan het principe van de gulden snede. Het tekstblok, inclusief de canontabelEen tabel, in dit handschrift op elke bladzijde, die aangeeft waar de secties op de betreffende bladzijde in de andere evangelies zijn terug te vinden. meet 208 x 130 mm. De plaats voorzien voor de tekst zelf meet 165 x 130 mm. De tekst is geschreven in één kolom van 20 lijnen.
Het handschrift werd geschreven met zilverinkt en hier en daar met goudinkt op zeer dun perkament (gemiddeld 0,11 à 0,12 mm) dat vooraf purper gekleurd was. Deze purperrode verfstof was het teken van rijkdom, smaak en aanzien en was in die tijd de traditionele koningskleur. De verfstof die gebruikt werd was niet de verfstof die gewonnen wordt uit zeeslakken, maar een plantaardige variant. Het perkament zou gemaakt zijn van de huid van geitenkalveren. Een C14-datering op een deel van de codex in 1998 toonde aan dat het perkament gemaakt was van huid uit de vroege 6e eeuw. Unesco-nominatieformulier van de Codex Argenteus voor de Werelderfgoedlijst voor documenten
De eerste drie lijnen van het Marcus- en het Lucas-evangelie werden in goudinkt geschreven en dat was waarschijnlijk ook het geval bij het Matteüs- en Johannes-evangelie, waarvan het begin nu ontbreekt. Verder wordt het begin van elke nieuwe sectieDe 'secties' zijn de paragrafen waarin de tekst werd onderverdeeld door Eusebius om zijn canontabellen op te stellen. ook in goudinkt geschreven tot op het einde van de lijn. Een nieuwe sectie begint niet noodzakelijk op een nieuwe lijn. De symbolen en afkortingen van de evangelisten in de canontabellen zijn eveneens in goudinkt geschreven.
Op elke pagina staat onderaan een uittreksel uit de Canons van Eusebius die de parallelteksten in de andere evangelies aangeven. Zoals gebruikelijk zijn de canontabellen ingeschreven in een zuilengalerij met arcades.
Het schrift is het Gotische schrift in het alfabet dat waarschijnlijk door Wulfila ontworpen is. Het is geen schrift voor dagelijks gebruik, maar een ornamenteel boekschrift bestaande uit kapitalen, een soort unciaal schrift. Het is zo regelmatig dat vroege onderzoekers dachten dat het niet geschreven, maar gestempeld of ingebrand was, maar dit bleek later onjuist te zijn. Tegenwoordig is men het erover eens dat er twee scribenten aan het boek gewerkt hebben. Hand I was verantwoordelijk voor de tekst van Matteüs en Johannes, hand II schreef Lucas en Marcus.
De informatie voor deze codicologische omschrijving komt grotendeels uit de geciteerde bronnen.Lars Munkhammar, Codex Argenteus and its printed editions, pp.15-22
Inhoud De tekst bestaat uit de vier evangeliën: het Evangelie volgens Matteüs, het Evangelie volgens Johannes, het Evangelie volgens Lucas en het Evangelie volgens Marcus (in deze volgorde). Van Matteüs ontbreken 76 folia en zijn er 22 bewaard. Van Johannes ontbreken 29 folia en zijn er 45 bewaard. Van Lucas ontbreken 36 folia en zijn er 70 bewaard. Van Marcus ontbreken 7 folia en zijn er 50 +1 bewaard.