thumb|Lebedik un Freilech, Wenen 2009

Klezmer is van origine de instrumentale muziek van de Jiddisch sprekende Asjkenazische Joden in met name Oost-Europa. Tot deze cultuur behoren ook Jiddische liederen, een stijl in de traditionele zangkunst.

Naam en betekenis De Jiddische benaming klezmer vindt zijn oorsprong in twee Jiddische woorden: kley, werktuig (כליזמר of קלעזמער), van het Hebreeuwse כלי kli, werktuig, apparaat) en זמר , zemer (lied, melodie, musiceren). Het woord klezmer (meervoud: klezmorim) werd oorspronkelijk in de Joodse cultuur in Oost-Europa gebruikt als aanduiding voor een muzikant die de instrumentale bruiloftsmuziek speelde. Op de Joodse bruiloften, die meestal meerdere dagen duurden, speelden de klezmorim/klezmermuzikanten naast veel dansmuziek ook rituele muziek voor bij de huwelijksceremonie en luistermuziek voor bij de maaltijd. Tot aan het midden van de jaren 1970 bestond er geen naam voor de stijl. De muzikanten en platenmaatschappijen noemden de stijl simpelweg "Joodse bruiloftsmuziek". Pas vanaf de heropleving van het muziekgenre eind jaren 1970 werd "klezmer" de benaming voor de muziekstijl. Soms wordt ook wel de term "Jiddische muziek" gebruikt.

Geschiedenis Ontstaan Nadat in het jaar 70 van onze jaartelling de tempel in Jeruzalem was verwoest, verspreidden de Joden zich in de eeuwen daarna in allerlei richtingen. Daarbij kwamen ze met veel verschillende muziekstijlen in contact en namen ze er veel aspecten van over. Ze behielden wel hun eigen muziektraditie, die vooral uit de vocale religieuze muziek en volksliederen bestond. Voor een goed begrip van de klezmermuziek is dit een belangrijk gegeven: hoeveel invloeden uit andere muziekstijlen de klezmer ook heeft opgenomen, er is een grote doorgaande lijn van stijlkenmerken die de muziek verbindt met veel oudere vocale muziek.

thumb|300px|Kaart van het Vestigingsgebied, de gebieden in het Russische Rijk waar Joden mochten wonen. Grote groepen Joden vestigden zich rond 1300 verspreid over Midden- en Oost-Europa. De Joodse gemeenschappen werden daar sjtetls genoemd. Vanaf 1791 mochten Joden alleen wonen in speciaal toegewezen regio's, het Vestigingsgebied. Dit gebied lag aan de westrand van het Russische Keizerrijk, in regio's van het huidige Wit-Rusland, Oekraïne, de Baltische staten, Polen, Roemenië, Moldavië. De Joden in dat grote gebied hadden een gemeenschappelijke cultuur. De taal voor dagelijks gebruik was het Jiddisch, het Hebreeuws was meer gereserveerd voor religieuze zaken. Het verloop van een Joodse bruiloft was veelal gestandaardiseerd, met lokale en regionale variaties.

In de volgende eeuwen groeide er rond die bruiloften een rijke muziekcultuur, met een grote rol voor de klezmorim en de badkhn, een combinatie van ceremoniemeester en grappenmaker. Vermoed wordt dat rond 1600 de klezmermuziek al min of meer klonk zoals aan het begin van de 20e eeuw. Het repertoire was aan mode onderhevig en veranderde dus geleidelijk aan, de stijl zelf veranderde weinig.

Tegen het einde van de 19e eeuw breidde het repertoire van de klezmorim zich uit met liederen uit het Jiddische theater, licht klassieke muziek en populaire dansen. Omdat de klezmorim ook speelden voor niet-joods publiek namen zij ook andere stijlen op in hun repertoire. Ook werden af en toe niet-joodse muzikanten in de kapelyes toegelaten, die ook muziek uit hun eigen cultuur meebrachten. Een aantal stijlen die erbij kwamen: tango, wals, mazurka, polka, polonaise.

Veel klezmorim konden geen noot lezen, de muziek werd dan van vader op zoon in een orale traditie doorgegeven. De aanduiding klezmer werd als scheldnaam gebruikt voor een arme volksmuzikant die alleen de instrumentale bruiloftsmuziek speelde, geen noten las en dus ook geen klassieke muziek kon spelen. Er waren ook ambitieuzere muzikanten die wel noten lazen en die in grote kapelyes speelden waar uitgeschreven arrangementen van blad werden gestudeerd. De klezmorim verzamelden zich in gilden en er bestond een opleidingssysteem voor jonge musici. De sociale status van de klezmorim was zeer laag en alleen van hun muziek konden vaak zelfs de grotere professionele groepen niet leven; vaak moesten ze er nog een beroep bijnemen, bijvoorbeeld kapper, kleermaker of schoenmaker. Doordat de professionele muzikanten nauwelijks van hun muziek konden leven, was er een grote druk om te mogen spelen en traden ze op tot ver buiten hun woonplaats. Ook verboden zij amateurmuzikanten in het openbaar op te treden. Bij de plaatselijke niet-Joodse aristocratie stonden de klezmorim juist hoog aangeschreven vanwege hun prachtige muziek. Er werd veel gebruikgemaakt van de diensten van de klezmorim, toch bleven ze zeer laag op de sociale ladder staan.

Nadat de klezmorim zich wat meer gevestigd hadden bleef de situatie stabiel tot ongeveer 1880, toen een eerste grote (joodse) emigratiegolf vanuit Oost-Europa naar de Verenigde Staten op gang kwam. Veel Joden emigreerden vanwege armoede en vanwege het groeiend antisemitisme in Europa, dat zich steeds vaker uitte in pogroms.

1900-1980 In de V.S. veranderde er in de Jiddische cultuur veel ten opzichte van het Oude Land. De eens zo rijke klezmertraditie werd steeds meer uitgekleed. Een oorzaak was dat de duur van bruiloften werd ingekort tot slechts één dag, waardoor veel religieuze soorten stukken niet meer werden gespeeld. Wat overbleef waren vooral de niet-religieuze dansstukken zoals de Freilach, Bulgar, Sher en de Hora/Zhok. Het chassidische karakter van de muziek verminderde sterk doordat bijna alle chassidische rabbijnen het ten zeerste ontraadden om te emigreren. Een groot deel van de muziek ging ook verloren doordat er een grote druk was om te "veramerikaansen". Deze druk kwam zowel vanuit de Joodse gemeenschap zelf als van buitenaf. De klezmerbands bleven echter wel vaak bestaan maar begonnen muziek te spelen die in de V.S. op dat moment populair was, bijvoorbeeld foxtrot en charleston. Hiermee kregen de bands ook de gelegenheid in de filmzalen te spelen, omdat de films toen nog zonder geluid werden opgenomen en er bij de vertoning livebegeleiding was van een orkest of een pianist.

In de V.S. zagen de platenmaatschappijen in dat ze geld konden verdienen met speciaal voor de Joodse gemeenschap uitgebrachte Jiddische muziek. Zodoende werden er in de jaren 1920 veel platen opgenomen met klezmergroepen, Jiddische zangers of chazonim (voorzangers). In de jaren 1930 kwamen er zelfs een aantal Joodse radiostations waar livemuziek werd gespeeld door Joodse orkesten als die van Harry Kandel, Abe Elenkrig of Abe Schwartz. Het werk uit die tijd van klarinetsolisten als Dave Tarras en Naftule Brandwein is ook nu nog een van de grootse inspiratiebronnen voor klezmermusici. Met dit alles was er in het begin van de jaren 1930 een kleine heropleving van de klezmermuziek.

Ondertussen was er in het Russische Rijk een communistische revolutie geweest. Na deze revolutie was er eerst een milde houding ten opzichte van Joden, maar in de jaren 1930 werden er onder Stalin weer ernstige repressieve maatregelen tegen Joden genomen. Eind jaren 30 en begin jaren 40 was er een wereldwijde repressie tegen de Joden, weliswaar vooral in Duitsland maar toch voelbaar tot in de V.S. Daardoor komt het dat in de jaren 40 bijna geen enkele klezmerplaat is uitgebracht. Deze terugval van de platenverkoop zorgde er ook voor dat de klezmerkapelyes failliet gingen of inkrompen tot maar een paar man. De verdere integratie in de Amerikaanse cultuur zorgde er ook voor dat de interesse van de jongere generatie niet meer naar de klezmer uitging. Doordat veel Joodse musici uit de vroege 20e eeuw nog groot geworden waren met klezmer, hoewel ze het zelf niet (meer) speelden, was klezmer toch nog van invloed op hun muziek, bijvoorbeeld bij Leonard Bernstein en Aaron Copland. Ook Rhapsody in Blue van George Gershwin is beïnvloed door klezmer.

Vanaf ongeveer 1940 werden in de V.S. pogingen gedaan om klezmer met jazz te laten versmelten. Doordat karakter en timing van die twee stijlen totaal verschillend zijn, lukte die versmelting niet. Het bleef bij enkele plaatopnames waarbij de stijlen meer tegenover elkaar staan dan dat ze geïntegreerd zijn.

Na de Tweede Wereldoorlog kwamen heel veel overlevenden van de Holocaust over naar de V.S. Dit waren vooral chassidische Joden die eerder niet hadden willen vertrekken. Hierdoor kwam het dat de chassidische muziektraditie weer een grotere rol in de muziek ging spelen. Door de oprichting van de staat Israël in 1948 trokken veel Amerikaanse Joden naar dat land. In Israël werd de klezmer vanaf de jaren 1950 bijna compleet verdrongen door de nieuwe Israëlische dansmuziek. LiLaLo in Amsterdam was het laatste Jiddische muziekcabaret in West-Europa.

Het repertoire voor Joodse bruiloftsmuziek werd in de V.S. steeds smaller, totdat in de jaren 1960 en 1970 door de weinige overgebleven orkesten voornamelijk nog bulgars en instrumentale versies van Jiddische liedjes werden gespeeld. Er waren ook steeds minder Joodse musici die de stijlkenmerken nog zo goed beheersten als de vorige generaties. Veel oudere muzikanten waren gepensioneerd of speelden jazz, de jongere muzikanten speelden liever folk of rock-'n-roll.

In de jaren 1970 brak een nieuwe tijd aan voor de klezmer. Er kwam een hernieuwde, brede belangstelling voor de traditionele Oost-Europese klezmerstijl. Via de 78-toerenplaten van de vooroorlogse periode kwam de jongste generatie Joden in de V.S., en later ook in Europa, weer in contact met klezmer. Ze namen vaak lessen bij oudere klezmermusici. Ook gingen ze op reis naar Oost-Europa om in de synagoges of Joodse wijken nog melodieën terug te vinden. In de V.S. waren het in eerste instantie de groepen The Klezmorim van Lev Liberman en Kapelye van Henry Sapoznik die de klezmer herontdekten. Later volgden Andy Statman (een leerling van Dave Tarras), Zev Feldman, de Klezmer Conservatory Band en The Klezmatics. In Israël en Europa werd klarinettist Giora Feidman heel populair bij het grote publiek. Zijn rol is tamelijk dubbel: enerzijds heeft hij veel mensen laten kennismaken met klezmermuziek, anderzijds lijkt zijn overdadige stijl nauwelijks op die van de grote namen uit de klezmergeschiedenis.

Klezmermuziek vandaag Klezmer als aanduiding voor het muziekgenre is pas sinds de klezmerrevival vanaf eind jaren zeventig in zwang geraakt, en is tegenwoordig een smeltkroes van stijlen. In de klezmermuziek zijn naast veel Balkaninvloeden (Roemeense, Bulgaarse, Russische, Griekse) ook oriëntaalse en zigeunerinvloeden terug te vinden. Begin 20e eeuw waren daar ook al het Jiddisch theater en weer later de jazz bij gekomen. In de laatste jaren worden ook modernere invloeden zoals dance en punk gebruikt door sommige groepen. In de volgende fase van de heropleving van klezmer waren er naast elkaar een aantal soorten trends.

Enerzijds is er een levendige benadering van de muziek, die wordt nagestreefd door groepen als "Brave Old World", "The Flying Bulgar Klezmer Band", "David Krakauer Trio" en "Naftule's Dream". Met levendig wordt bedoeld dat de groepen niet enkel stukken uit het verleden spelen en arrangeren maar ook effectief weer nieuwe invloeden in de stijl introduceren en zo de stijl levend houden. Een voorbeeld daarvan is een nieuw Jiddisch lied over Tsjernobyl, de plaats die ooit een chassidische sjtetl is geweest maar een dode stad werd door een nucleaire ramp.