Christoffel Plantijn (geboren als Christophe Plantin) (Saint-Avertin bij Tours, circa 1520 – Antwerpen, 1 juli 1589) was een invloedrijke boekdrukker en uitgever van Franse afkomst, die werkte in Antwerpen en Leiden.
Plantijn vestigde zich, op dertigjarige leeftijd, in 1549 in Antwerpen. In 1555 opende hij een eigen drukkerij, die op haar hoogtepunt de grootste van Europa was met 22 persen en meer dan 80 werknemers. Aan de drukkerij waren boekhandels in Antwerpen, Parijs en Leiden verbonden alsmede een magazijn in Frankfurt.
Plantijn bereikte die positie door slim in te spelen op de politieke, religieuze en culturele ontwikkelingen van zijn tijd. Hij spreidde zijn investeringen over de mode- en de drukkersnijverheid en onroerend goed. Hij creëerde een netwerk van vrienden, zakenpartners en sponsors dat hij op strategische wijze wist in te zetten en trok de grootste geleerden en de beste vaklui uit zijn tijd aan voor zijn uitgeverij. De opvoeding en opleiding van zijn vijf volwassen geworden dochters was afgestemd op de behoeften van zijn bedrijf en dat gold ook voor de gerichte keuze van zijn schoonzoons.
De archieven van Christoffel Plantijn zijn voor het grootste deel bewaard gebleven. Er is dan ook relatief veel bekend over de omzet van het bedrijf, aantallen verkochte exemplaren van boekwerken, de opbouw van de kosten die Plantijn maakte, de salarissen van zijn personeel en de mensen die hij tijdelijk inhuurde om taken uit te voeren. Dit archief is de enige volledige bron uit de zestiende eeuw die dit soort gegevens over een periode van ruim drie decennia van een grafische onderneming verschaft en hoe zaken als lonen en tarieven fluctueerden tijdens het leven van Plantijn. Deze archieven van de Officina Plantiniana zijn dan ook sinds 2001 opgenomen in het register van de werelderfgoedlijst voor documenten, onderdeel van het Memory of the World-programma, van de UNESCO.
Levensloop
Jeugd en opleiding Van de eerste decennia van het leven van Plantijn is het meeste bekend uit een bewaard gebleven brief uit 1567 van zijn jeugdvriend Pierre Porret. Daarin wordt beschreven dat in Tours en omgeving een pestepidemie was geweest waaraan zijn moeder overleed.
Zijn vader Jean Plantin nam Christoffel mee naar zijn werk in de burcht van de basiliek van Saint-Just van de Makkabeeën nabij Lyon, een van de oudste Franse kerken uit de vierde eeuw. Christoffel moet toen ongeveer vier jaar oud zijn geweest. Jean werkte daar als gouverneur bij een aantal families, waaronder die van Porret. Plantijn was ongeveer even oud als Pierre Porret. Zij zouden elkaar in latere briefwisselingen altijd aanspreken als mijn broer en Porret bleef altijd de belangrijkste vertrouwenspersoon van Plantijn.
Het werk van Jean Plantin bracht hem en zijn zoon na enkele jaren in Orléans en vervolgens in Parijs. Christoffel moet bij aankomst in Parijs ongeveer tien jaar zijn geweest. In 1534 keerde Jean Plantin naar Lyon terug en laat de dan veertienjarige Christoffel in Parijs achter met een som geld waarmee hij een studie en kost en inwoning bij een leraar thuis kon betalen. Hij beloofde Christoffel ook weer op te komen halen. Na enige tijd ontving Christoffel het bericht dat zijn vader was overleden.
Het overlijden van zijn vader had tot gevolg dat Christoffel zijn studie in Parijs afbrak en naar Caen in Normandië vertrok. Dat was een stad met veel boekbinderijen en drukkerswerkplaatsen. Hij ging er in de leer bij Robert Macé II om opgeleid te worden als drukker en boekbinder.In 1545 of 1546 trouwde hij met Jeanne Rivière, die als dienstmeid bij Macé werkte, kort nadat hij volleerd gezel was geworden.
Plantijn vertrok met zijn vrouw naar Parijs en ging daar bij de drukker Jean Bogard werken. In waarschijnlijk 1548 besloot Plantijn naar Antwerpen te migreren. Op 21 maart 1550 werd Plantijn op het stadhuis van Antwerpen als poorter en ‘boeckbindere’ geregistreerd. Bij het Antwerpse kunstnijverheidsgilde liet hij zich inschrijven als drukker.
Eerste periode in Antwerpen Het zou nog vijf jaar duren voordat Plantijn het benodigde kapitaal bij elkaar had om een drukkerij te financieren. Plantijn was naast zijn werk als boekbinder koopman in linnen kleding en modeaccessoires. Bestellingen van Parijse linnenhandelaren besteedde Plantijn aan bij Brabantse kantwerksters en hij zorgde voor verpakking en distributie naar Parijs en andere steden. In 1565 had zijn dochter Martina Plantijn meer dan 35 vrouwen als thuiswerksters aan het werk. Plantijn had ook zelf een winkel in deze artikelen in Antwerpen. Tot in de achttiende eeuw zouden zijn opvolgers in de drukkerij belangen hebben in de kantnijverheid.
Wie daadwerkelijk zelf wilde drukken had daarvoor toestemming van de overheid nodig Op 18 februari 1555 verleende de Raad van Brabant hem een licentie. Dat was de start van zijn carrière als zelfstandig drukker. De wet schreef ook voor dat een drukker privileges moest aanvragen voor elke uitgave die hij wenste te drukken. Daarmee had een drukker voor een afgesproken periode het alleenrecht om dat werk te drukken. Privileges werden alleen verleend als er eerder een zogenaamde probatio was. Dat werd verleend door een kerkelijke censor die naging of de uitgave niet in strijd was met de kerkelijke leer.
Plantijn ontving in april dat jaar de toestemming drie werken te drukken. Het eerste was La institutione di une fanciulla nata nobilmente, een tweetalig (Frans-Italiaans) etiquetteboek voor de opvoeding van adellijke meisjes van Giovanni Michele Bruto. Plantijn drukte dit in opdracht van de Antwerpse uitgever Joannes Bellerus. De twee andere werken drukte hij dat jaar echter voor eigen rekening: een bloemlezing uit het werk van Seneca in Spaanse vertaling en een Franse vertaling van de Orlando Furioso.
Vanaf 1557 droegen de titelpagina’s van zijn uitgaven het bekende drukkersmerk met de passer en het motto ‘Labore et Constantia’: door arbeid en standvastigheid’. De draaiende punt van de passer symboliseert de arbeid, de stilstaande punt de standvastigheid. Hij zou de drukkerij benoemen als De Gulden Passer. Deze naam leeft voort als de titel van een tijdschrift, De Gulden Passer, op het gebied van boekwetenschap en bibliofilie. 500px|thumb| Deel van de rol van de lijkstoet van Karel V in Brussel In de eerste jaren was de bedrijfsvoering van Plantijn - naast de neveninkomsten uit de kanthandel - vooral gebaseerd op goed verkopend risicoloos drukwerk. Het handelde dan om vulgaatbijbels en getijdenboeken in de volkstaal. Meer dan de helft van de boekproductie in de zestiende eeuw in de Nederlanden bestond uit religieuze lectuur.
In deze eerste jaren nam Plantijn ook monopolies op het drukken van almanakken van andere drukkers over. Gebruiksdrukwerk zoals almanakken werden al snel door het intensieve gebruik versleten en onbruikbaar en werden na het betreffende jaar weggegooid. Organisaties zoals gilden kochten voor hun werknemers ieder jaar nieuwe almanakken. In 1558 verkocht Plantijn 3000 Franse en Nederlandstalige almanakken.
Plantijn gaf in 1559 zijn eerste werk uit waarmee hij internationale faam verwierf. Het was het album waarin verslag gedaan werd van de lijkstoet in Brussel van Karel V die het jaar daarvoor was overleden. Het was de enige van de processies in meerdere steden van het rijk waar Filips II zelf aanwezig was. Het werk werd verkocht in een rol van 12 meter lang of in boekvorm, in de vijf talen van het rijk van Karel V., Nederlands, Frans, Duits, Spaans en Italiaans.
Dochters Plantijn en Jeanne Rivière kregen zes dochters en een zoon. Vijf dochters bereikten de volwassen leeftijd. De dochters kregen een opleiding die gericht was op het verrichten van taken in het bedrijf van Plantijn. Ze hielpen bij het verbeteren van de drukproeven of in de linnen- en kanthandel die Plantijn ook had.
De oudste dochter Marguerite werd de latere echtgenote van Franciscus Raphelengius. Zij had de leiding over de door Plantijn geopende boekwinkel in Antwerpen. Martina Plantijn werd de latere echtgenote van Jan I Moretus. De derde dochter, Catherine, werd de echtgenote van Jean Gassen, een neef van Pierre Gassen die de belangrijkste Franse zakenrelatie op het gebied van de kantnijverheid was. Jean Gassen werd enkele jaren later vermoord door rovers. Catherine huwde daarna een Antwerpse handelaar in specerijen. De vierde dochter, Madeleine, werd de latere echtgenote van Gilles Beys, die werkzaam was in de Parijse boekhandel van Plantijn, Le Compas d'Or. Gilles Bey werd na enkele jaren ontslagen en begon een eigen boekhandel waar hij echter geen werk van Plantijn mocht verkopen. Het gezin leidde een armoedig bestaan en was feitelijk door Plantijn verstoten. Nog op zijn sterfbed weigerde Plantijn aan een verzoek tot ondersteuning van Madeleine te voldoen. De vijfde dochter, Henrica, trouwde met Pieter Moerentorf, de jongere broer van Jan I Moretus. Van de vijf schoonzoons werkten er drie in Plantijns bedrijf en was er één kant- en linnenhandelaar.
Geheime activiteiten van Plantijn thumb|Editie van een Biestkensbijbel 1563, in opdracht van Plantijn in zijn illegale drukkerij in Kampen gedrukt met Lenaert der Kinderen als genoemde drukker. Het was de eerste Nederlandse bijbel, gedrukt in octavoformaat
Het drukken van protestantse bijbels en literatuur was een zeer lucratief maar risicovol bedrijf. Filips II had vrijwel direct na zijn installatie als landsheer in 1555 het bloedplakkaat opnieuw afgekondigd. Dat maakte duidelijk dat hij niet van plan was het strenge ketterijbeleid van zijn vader te wijzigen. Het aantal slachtoffers van de inquisitie in de Nederlanden was relatief het hoogste in Europa. Plantijn wenste echter ook in dit marktsegment actief te zijn. Drukken onder zijn eigen naam was onmogelijk. Drukken in Antwerpen had ook te veel risico. Er werd dus vaak gekozen voor anonieme of pseudonieme drukken.
Nog in 1555 drukte Plantijn Le baston de la foy Chrestienne van Guido de Brès met als fictief adres Lyon. Tot 1567 drukte Plantijn verboden literatuur op drukpersen die geheel of gedeeltelijk zijn eigendom waren in Kampen, Vianen en Wesel. Een aantal bijbels zoals nieuwe edities van de Biestkensbijbel werd in 1562 en 1563 gedrukt in Kampen door Lenaert der Kinderen, een letterzetter die in dienst was van Plantijn. Een soortgelijke constructie was het drukken van materiaal voor Hendrik Niclaes, de leider van de sekte van het Huis der Liefde door Augustijn van Hasselt, ook een werknemer van Plantijn.
Sluiting van De Gulden Passer Begin 1562 ontving de staf van de landvoogdes Margaretha van Parma een anoniem bericht dat in de drukkerij van Plantijn verboden literatuur aanwezig zou zijn. Zij droeg de schout op onderzoek te doen. In de drukkerij werden 1000 gedrukte exemplaren van een calvinistisch geïnspireerde Briefve instruction pour prier aangetroffen. Plantijn zelf was toen al zes weken afwezig en bij zijn vriend Porret in Parijs. Drie uit Frankrijk afkomstige drukkersknechten gaven onder druk toe dat zij het werk op eigen initiatief gedrukt hadden.
De schout had het onderzoek met tegenzin gedaan en probeerde in brieven aan Margaretha van Parma Plantijn te verdedigen. Zo wees hij erop dat kort na de inval in de drukkerij er in Antwerpen ook een Nederlandstalige versie van de gebedsbrief was verspreid die vanwege de afwezigheid van Plantijn in de stad toch onmogelijk aan hem kon worden toegeschreven. Hij probeerde de landvoogdes duidelijk te maken dat hij de zaak toch ernstig nam en veroordeelde de drie knechten tot dwangarbeid op de galeien. Medestanders van de drie creëerden echter wat ongeregeldheden waardoor de drie wisten te ontsnappen en ongedeerd Frankrijk te bereiken.