Gerrit Jan (Ger) Harmsen (Amsterdam, 15 mei 1922 – De Knipe, 3 april 2005) was een Nederlands filosoof en historicus. Hij was een kenner van het marxisme en de geschiedenis van de arbeidersbeweging. Harmsen beschouwde zichzelf als kind van de werklozenjaren, de Tweede Wereldoorlog en vooral van de Koude Oorlog. 1993, p. 236 Harmsen hield zich in verschillende perioden van zijn leven intensief bezig met natuurstudie, vooral met de plantensociologie en de bryologie, de bestudering van mossen.
Biografie Jeugd en jonge jaren Ger Harmsen werd geboren als de oudste zoon van een timmerman, Jan Harmsen (1899–1971) en Emma Clasina Blase (1902–1969). Ze waren in 1921 getrouwd. Drie van zijn vier grootouders waren analfabeet; twee van hen leerden op latere leeftijd nog lezen en schrijven. “Interesse voor de natuur werd niet van huis uit meegegeven, omdat andere zaken meer aandacht vroegen: er moest eenvoudigweg brood op de plank komen. Boeken waren thuis niet aanwezig.” 2000, p. 196 Zijn vader ging rond de tijd van zijn geboorte naar de politieschool en werd enige tijd straatagent. Maar na een ruzie werd hij ontslagen en keerde terug in het arbeidersbestaan. Hij zou vervolgens een aantal jaren bij de Nederlandsche Scheepsbouw Maatschappij werken. Ger kreeg na 2 jaar een broer, Jo, en in 1931 een tweede broer, Jan.
Toen Ger werd geboren woonden zijn ouders in bij de ouders van zijn moeder in de Indische Buurt. Het zou enkele jaren duren voordat ze een eigen onderkomen hadden. 1993, p. 28f Alhoewel de familie orthodox hervormd was, werden de ouders van Ger Harmsen al snel na hun huwelijk atheïst. Ze zouden daar niet meer op terugkomen, en Harmsen zou het “als een voorrecht” blijven beschouwen in een atheïstisch gezin te zijn opgegroeid. 1993, p. 47
In de tijd dat Harmsen naar de lagere school moest, verhuisden z'n ouders naar Tuindorp Oostzaan. Rond 1929 verhuisde het gezin voor korte tijd naar Zuilen. Daar werkte zijn vader bij Werkspoor. Maar toen daar de eerste ontslagen vielen, stond vader Harmsen op straat en keerde het gezin terug naar de Indische Buurt in Amsterdam. Jan Harmsen begon daarna voor zichzelf en bouwde met grote inspanningen een bedrijfje in winkelmachines op. Ger werkte van jongs af aan mee in dit bedrijfje als hij vrij van school had. Z'n broer Jo zou later het bedrijf overnemen.
Ger had als kind een zwakke gezondheid. Hij kampte vanaf zijn derde levensmaand met chronische bronchitis. Nadat hij in 1933 enkele maanden in een vakantiekolonie in Egmond aan Zee had doorgebracht, was hij er voorgoed van genezen. Zijn gezondheid was er een van de oorzaken van, dat hij op de lagere school een 'outcast' werd 1993, p. 65 zonder vriendjes. Een andere oorzaak was het feit dat hij minstens zes verschillende lagere scholen bezocht.
In het sociale milieu waarin Harmsen opgroeide, was – in zijn eigen woorden – “socialisme als politieke overtuiging zo vanzelfsprekend, dat de discussies onder klasgenoten alleen nog konden gaan over het gelijk van het communisme, de sociaaldemocratie of het revolutionair-socialisme. Uiteraard verdedigden zij daarbij de voorkeur van hun vaders. Vooral in de verkiezingstijd raakten door politieke discussies de gemoederen in de klas zo verhit dat ze overgingen in verwoede vechtpartijen. Aan mij ging dit voorbij.” 1993, p. 81
Na de lagere school Na de lagere school, van 1933 tot 1937, bezocht Ger de Amstelschool voor lager handelsonderwijs aan de voormalige Stadstimmertuin (in 1941 zou daar het Joods Lyceum worden gevestigd). Hij ontmoette er zijn eerste vriend, Henk Brouwer. Onder diens invloed ontdekte Harmsen in 1935 de natuur. Hij vatte een grote liefde voor planten op en werd een fanatiek botanicus. Vanaf dat moment gingen bloemen hem meer bezighouden dan “studie, een baan, vooruitkomen of meisjes”. 1993, p. 85 Desondanks wist hij met goede resultaten de handelsschool af te ronden, om in januari 1938 zijn eerste baan te aanvaarden bij een tabakshandelaar. Het werk bij de tabakshandelaar was geen succes en al in mei 1938 ging Ger Harmsen werken bij de Nederlandse Cocaïnefabriek N.V., een chemisch bedrijf, waar opiaten als heroïne, morfine en codeïne deels uit opium, en deels synthetisch werden vervaardigd. Hij behaalde het diploma voor chemisch analist en bleef in het bedrijf werken tot 1941.
De NJN Nu hij zelf geld verdiende kon hij lid worden van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie (NJN), die een aantal jaren – tot ver in de Tweede Wereldoorlog – het brandpunt van zijn wereld zou vormen. In de NJN maakte Harmsen meer vrienden, bijvoorbeeld Chris Homburg, die net als hij op een chemische fabriek werkte. Samen zwierven ze in hun schaarse vrije tijd door Nederland langs jeugdherbergen. Elk weekend ging Harmsen op excursie. Hij leerde binnen de NJN een groep jonge plantensociologen kennen, waaronder Victor Westhoff, Jacques Meltzer, Wim Margadant, Huib de Miranda en Han Alta. Hij werd zelf ook actief in de 'sjokgroep' ('sjok' was in de NJN het woord voor plantensociologie) en begon zich ook te interesseren voor mossen. Harmsen werd administrateur van de sjokgroep en in 1942 redacteur van het blad Kruipnieuws. In de NJN-tijd, tussen 1938 en 1942 verschenen ook zijn eerste publicaties in het afdelingsblad, het blad van het district Amsterdam, De Inktzwam en in Kruipnieuws: in totaal een twaalftal artikelen over botanische onderwerpen. 1988, pp. 133-134
De weinige NJN'ers die op een kantoor of in een fabriek werkten troffen elkaar op Kolland, een landgoed tussen Amerongen en Leersum tussen de Nederrijn en de Utrechtse Heuvelrug. 1993, p. 106f. De gevoelens van Harmsen t.a.v. de NJN waren dubbel. De NJN bestond hoofdzakelijk uit middelbare scholieren en studenten. Voor Ger was de NJN daarom een elitaire club: “Een arbeidersjongen hadden ze liever niet in het bestuur, 'want die beschikte over te weinig cultuur'.” 2000, p. 197 Toch betekende de NJN veel voor Harmsen, al kon hij veel van de kampen niet bijwonen omdat hij maar één week per jaar vrij had. De ontmoeting met scholieren en studenten maakte ook de behoefte los om zelf de middelbare school te gaan volgen.
De Tweede Wereldoorlog In de zomer van 1941 besloot Ger Harmsen om ontslag te nemen bij zijn werkgever, en te gaan wonen op Kolland, om daar te gaan werken voor het HBS-diploma. Heel langzaam begon zich bij hem ook een politieke belangstelling te ontwikkelen; discussies in de NJN droegen daar in belangrijke mate aan bij. Hij beschouwde zichzelf als humanist, verwierp het nationaalsocialisme, maar van een praktische vorm van verzet was geen sprake.
Hij ontmoette Annie van der Lugt, die in Apeldoorn bij haar moeder woonde. Hij ging in op het aanbod om bij hen in huis te komen en daar de vijfde klas van de Rijks-HBS te volgen. Heel langzaam ontwikkelde zich een liefdesrelatie met Annie. Harmsen werd voorzitter van de NJN-afdeling Apeldoorn. Op 1 juni 1943 behaalde hij, samen met Annie, het diploma HBS-B.
Direct na het eindexamen werd Ger tewerkgesteld in Duitsland. Eerst werkte hij enige tijd in de land- en tuinbouw, in de omgeving van Keulen. De bedoeling van de massale (geallieerde) bombardementen ontging hem. Ze versterkten zijn anti-Amerikaanse gevoelens. Het werk viel hem zwaar. Harmsen liep een tweezijdige longontsteking en pleuritis op en belandde in een ziekenhuis. Hij kreeg ook nog de mazelen. Door een contact met de Duitse plantensocioloog en botanicus Reinhold Tüxen slaagde hij er in tewerkgesteld te worden op diens onderzoeksinstituut in Stolzenau an der Weser. De benodigde papieren werden getekend door Speer en Göring persoonlijk. In de acht tot negen maanden dat hij in Stolzenau verbleef, raakte Ger geheel vertrouwd met de plantensociologie. Nadat de Engelse legers in april 1945 Stolzenau bezet hadden, keerde Harmsen terug naar Nederland. Achteraf kreeg hij daar spijt van: “Ik had een baan in Stolzenau en die had ik waarschijnlijk wel kunnen houden.” 2000, p. 199
Op 19 september 1945 trouwden Ger Harmsen en Annie van der Lugt in Amsterdam. Ze gingen in de Indische Buurt wonen. De dag na zijn huwelijk kwam de vader van Ger langs om te vertellen dat hij ging scheiden van zijn vrouw.
In 1946 ging Harmsen werken bij Staatsbosbeheer. Hij verrichtte op verschillende plaatsen vegetatiekarteringen, bijvoorbeeld in de Liemers bij Zevenaar en in het Haaksbergerveen (Twente). In het najaar van 1946 ging hij fysische en sociale geografie studeren aan de Universiteit van Amsterdam en stopte hij zijn werk bij Staatsbosbeheer. Het zou tot 1957 duren voordat Harmsen weer veldbiologische activiteiten ging ontplooien.
De eerste CPN-periode In de loop van 1946 had Harmsen zich als lid van de Communistische Partij van Nederland (CPN) aangemeld – dat was de uitdrukking van zijn “wens tot een linkse massabeweging te behoren”. 1993, p. 172 De eerste naoorlogse jaren waren een periode waarin de 'revolutionaire verwachtingen' hoog gespannen waren. De CPN behaalde bij de eerste naoorlogse verkiezingen voor de Tweede Kamer bijna elf procent van de stemmen. In de periode van de Koude Oorlog die erop volgde zou dit revolutionaire élan voor een groot deel verdampen. Harmsen werd in sneltreinvaart ingevoerd in de beginselen van het marxisme-leninisme en maakte kennis met teksten van de 'klassieken': Marx, Engels, Lenin en Stalin. “De manier waarop ik volledig overtuigd raakte van het gelijk van het sovjetmarxisme in het kielzog van Marx, had veel weg van een bekering.” 1993, p. 182
In 1947 werd Harmsen landelijk scholingsleider van de CPN. Hij zou dit blijven tot 1952. In deze tijd publiceerde hij naast scholingsteksten een groot aantal artikelen in Politiek & Cultuur, De Waarheid en andere partijorganen.De lijst van publicaties in de periode 1948–1952 telt 97 teksten; zie 1988, pp. 134-141 Door zijn werk kwam Harmsen in alle uithoeken van het land om cursussen te geven en leerde hij de partij goed kennen. Hij kreeg ook de leiding over de partijschool in Laren, in het Louis de Visser-huis, genoemd naar de vooroorlogse voorzitter van de partij, Louis de Visser, die in de oorlog was omgekomen. De partijschool werd in 1949 opgeheven. Hij raakte betrokken bij de communistische uitgeverij Pegasus. In het kader van zijn werkzaamheden had Harmsen ook contact met Paul de Groot, de politiek leider van de partij.
Op 24 oktober 1947 kregen Annie en Ger Harmsen een zoon, Karl. Daarnaast kwam er een pleegkind in huis, Esje (Esther) de Jong. Samen met Annie was Harmsen actief betrokken bij de Organisatie van Progressieve Studerende Jeugd (OPSJ).
In de periode dat Harmsen scholingsleider in de CPN was, was hij over het algemeen trouw aan de partijlijn: zijn bijdragen kenmerken zich door een dogmatisch marxisme, zijn politieke standpunten zijn onversneden stalinistisch en zijn houding is anti-intellectualistisch. 1993, p. 243 Zelf beschouwde Harmsen als het belangrijkste probleem van deze periode van zijn leven dat hij in de CPN niet leerde om respect te hebben voor mensen, zelfs niet als zij een grote staat van dienst hadden. “De CPN leerde me niet om maat te houden, de menselijke kant in de politiek te onderkennen en oog te krijgen voor verhoudingen.” 1993, p. 254
Eind 1951 kreeg Harmsen te horen dat hij van zijn functie als landelijk scholingsleider ontheven werd. Hij kreeg ook een publicatieverbod. Op 7 december 1951 verscheen een verklaring over zijn ontslag in De Waarheid. De scholing die hij gaf was te theoretisch en te intellectualistisch, en daarbij kwamen nog enkele organisatorische misstappen. Op een ledenvergadering (van de afdeling Indische Buurt) oefende Harmsen 'zelfkritiek' uit. Harmsen bleef nog wel actief in de partijafdeling, hij werd hier zelfs op een gegeven moment weer als instructeur ingezet.
Ook in zijn persoonlijk leven kwam het tot een breuk, toen Annie hem verliet. Een jaar later ontmoette hij Geert van der Molen, journaliste bij De Waarheid, met wie hij een verhouding kreeg. Ze trouwden op 6 oktober 1953. Hun eerste kind was een dochter, Yfke.
Doctoraalexamen