Ferdinand Jan Ormeling sr. (Amsterdam, 12 april 1912 - Lonneker, 1 mei 2002) was een bekende Nederlandse geograaf en cartograaf, die door zijn wetenschappelijke, didactische en organisatorische bekwaamheid nationaal en internationaal grote erkenning verwierf.

Biografie Na zijn studie sociale geografie onder leiding van Professor Louis van Vuuren aan de Rijksuniversiteit Utrecht was Ormeling enige jaren leraar bij het middelbaar onderwijs in Hilversum en Den Haag. Na de Tweede Wereldoorlog vertrok hij als oorlogsvrijwilliger naar het toenmalige Nederlands-Indië en deed daar dienst als officier van de inlichtingendienst. Van daar werd hij overgeheveld naar het Geografisch Instituut van de Topografische Dienst in Batavia,In de periode 1945-1949 nog steeds de officiële naam van de hoofdstad van Nederlands-Indië; na 1949 werd de naam Jakarta waarvan hij de eerste directeur werd. In 1955 promoveerde hij aan de Universiteit van Indonesië in Djakarta op een proefschrift over de ontwikkeling van Timor.Met dit proefschrift trad hij nog geheel in de voetsporen van zijn leermeester van Vuuren. Daarna zou hij zijn eigen weg gaan. Terug in Nederland trad hij in dienst bij de bekende atlas- en schoolboekuitgever J.B. Wolters in Groningen.Later werd naam van het bedrijf Wolters-Noorhoff, nog weer later Noordhoff. Hij stichtte binnen het bedrijf het Geo-kartografisch Instituut; in 22 jaar redigeerde hij negen drukken (de 40e in 1959 tot en met de 48e in 1976) van de bekende Grote Bosatlas. Hij verhoogde de wetenschappelijke kwaliteit en de didactische waarde van de Grote Bosatlas onder andere door de introductie van honderden thematische kaarten en een duidelijker kaartbeeld.Zijn voorganger P. Eibergen was daar wel al mee begonnen Verder moderniseerde hij ook in vijf drukken de Kleine Bosatlas.

Van 1964 tot 1970 was Ormeling hoogleraar in de economische geografie aan de Universiteit van Amsterdam. Ook hier organiseerde hij onderwijs en onderzoek in het door hem gestichte Economisch-geografisch Instituut.

Delft Na zijn benoeming tot hoogleraar aan het International Institute for Geo-Information Science and Earth Observation (ITC) in DelftLater verplaatst naar Enschede in 1971 kon hij nogmaals zijn organisatorische gaven aanwenden. Voor het bij zijn benoeming ingestelde Cartography Department wist hij een uiterst productief team van divers gespecialiseerde en gemotiveerde medewerkers bijeen te brengen en een hoogstaand onderwijsprogramma op vier niveaus (technician, technologist, bachelor en master) op te stellen. Daarin kwamen thema's als regional planning cartography en automation voor. Zijn afdeling was spoedig de op een na grootste van het ITC. Het aantal aanvragen om toelating van overwegend buitenlandse studenten was vele malen groter dan het aantal beschikbare plaatsen. Door het hoge gehalte van het onderwijs en onderzoek heeft Ormeling de opleiding van de tot dan toe relatief onbekende discipline cartografie gelijkwaardig gemaakt aan de ingenieursopleidingen van het ITC.Uiteindelijk was er ook de mogelijkheid tot promoveren, maar dit kreeg pas onder zijn opvolger zijn beslag. De opleiding van buitenlandse studenten heeft ertoe geleid dat de kartering in vele delen van de wereld ter hand werd genomen of aanzienlijk verbeterd, een van de doelstellingen van het ITC. Mede door toedoen van Ormeling (zie ook hieronder) behoorde het ITC tot een van de eerste instellingen in Nederland die zich in Chinese belangstelling mochten verheugen. De afdeling Kartografie trad ook toe tot een samenwerkingsverband dat door de vakgroep Kartografie van de Rijksuniversiteit Utrecht was aangegaan met de afdeling Geodesie van de Technische Hogeschool Delft. De afdeling leverde ook bijdragen aan de activiteiten van de Nederlandse Vereniging voor Kartografie zoals studiedagen en zomercursussen voor leraren en andere geïnteresseerden in cartografie.Martien Molenaar. Obituary Prof. Dr. F.J. Ormeling (1912-2002). (ITC-News 2002-2)E.S. Bos. Memorandum. Intern memorandum ITC d.d. 30.03.81

Internationaal Terzelfder tijd bevorderde Ormeling wereldwijd de praktische beoefening van de cartografie gedurende zijn lange bestuurslidmaatschap (23 jaar) van de International Cartographic Association (ICA). Hij was eerst secretary-general en daarna president van de ICA (1976-1984); in die functies heeft hij met veel diplomatie en door zijn oprechte interesse in andere culturen, speciaal van de ontwikkelingslanden, het aantal deelnemende landen aanzienlijk uitgebreid: van 24 tot 59. Van groot belang daarbij waren de ICA-workshops die Ormeling organiseerde in Nairobi (1978), Djakarta (1980) en Wuhan (1981). Van vele nationale cartografische verenigingen was hij erelid. De ICA toonde haar waardering van zijn activiteiten door hem in 1987 haar hoogste onderscheiding, de Mannerfelt Medaille, te verlenen.

Ormeling bleef zijn origine als geograaf ook trouw. Van 1967 tot 1970 was hij voorzitter van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap. Eerder was hij 10 jaar voorzitter van de in 1957 mede door hem opgerichte Kartografische Sectie het genootschap.In 1975 werd de sectie verzelfstandigd onder de naam Nederlandse Vereniging voor Kartografie, later opgegaan in Geo-Informatie Nederland.

Publicaties COMPLETE BIBLIOGRAFIE PROF.DR. F.J. ORMELING SR. De huidige situatie der aardolieontginning in Voor-Azië. Tijdschrift voor het Onderwijs in de Aardrijkskunde, jaargang 18 (1940), p. 145–152. Nieuwe methoden van museumbezoek voor middelbare scholen. Tijdschrift Gymnasiaal en Middelbaar Onderwijs (1942), 2 p. Progress in mapmaking in Western New Guinea. Proceedings of the 16th International Congress of the IGU, Lisbon (1949), 5 p. Introductie van de tentoonstelling van kaarten en luchtfoto's van Nieuw-Guinea vervaardigd door de Topografische Dienst, Batavia. Deze tentoonstelling werd gehouden in het huidige Tropeninstituut in Amsterdam (1949), 4 p. (met G. Milius, D.G. Montagne & B.H. Regenboog), De Depressie van Kerintji, Midden Sumatra. Een geografische verkenning. Batavia (1949), 58 p. (met G. Milius, D.G. Montagne & H.Th. Verstappen), Atjeh, een verkenning op basis van Literatuur en Luchtfoto. Batavia (1950), 65 p. Het visvijverlandschap langs Java's noordkust. T.A.G. (1950), p. 469–488. Agrarische planologie in Indonesia. Geografisch Tijdschrift (1950), p. 199–208. De agrarische situatie op Timor. Geografisch Tijdschrift (1950), p. 241–251. Internationale samenwerking op Kartografisch gebied. Publikasi No. 1, Instituut Geografi Djakarta (1950), 26 p. Progress in map making in Western New Guinea. Proceedings IGU congres Lissabon 1950. 4 p. (met dr. D.G. Montagne), Drie jaren Geografisch Instituut. T.A.G. (1951), p. 1–20. Werkzaamheden op cartografisch gebied van de Verenigde Naties. Tijdschrift van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap (1951) LXVIII, p. 211–215. Versnelde ontwikkeling in Zuidoost-Azië. Geografisch Tijdschrift (1952), p. 63–69, 106-112. Het 17de internationale geografencongres in Washington D.C. Geografisch Tijdschrift (1952), p. 241–249. De groei van de kaart van Westelijk Nieuw-Guinea. T.A.G. (1952), p. 199–224. The Timor Problem. Proceedings XVllth IGU-Congress, Washington, (1952), p. 653–657. Opmerkingen over verkeer en bodemgebruik in West-Java. Geografisch Tijdschrift (1953), p. 29–62. De erfcultuur op West-Java. Geografisch Tijdschrift (1953), p. 97–105. Bodemerosie op West-Java. Geografisch Tijdschrift (1953), p. 153–162. Het transport van de koffie tijdens het Cultuurstelsel. Geografisch Tijdschrift (1953), p. 199–206. De theecultuur in West-Java. Geografisch Tijdschrift (1953), p. 207–212. De Tji Tarum en het welvaartsplan West-Java. Geografisch Tijdschrift (1953), p. 261–266. De huidige stand van de ontginning van delfstoffen in Zuid-Azië. Tijdschrift voor Economische en Sociale Geografie (1953), p. 224–228 en 264-271. Ook in het Engels verschenen onder de titel 'The present status of the exploitation of minerals in Southeast Asia'. Ekonomi dan Keuangan (1953), p. 1–19. The Timor Problem, A geographical interpretation of an underdeveloped island. Groningen, 1955. Thesis for Doctor's degree, 250 p. Second Edition, 1957. In de periode 1955-1964 wandkaarten ten behoeve van het onderwijs in de aardrijkskunde van 1. De Wereld, 2. Europa, 3. Werelddelen buiten Europa (Azië, Afrika, Australië, Noord- en Zuid-Amerika), 4. Nederland, 5. Provincies van Nederland, 6. Nederlands Nieuw-Guinea, 7. Suriname. Opmerkingen over zee- en luchtverkeer en over de export in Indonesia. Geografisch Tijdschrift (1956), p. 164–171. Minahasa: producent van kopra en kruidnagel. Geografisch Tijdschrift (1956), p. 241–252. Nieuwe mogelijkheden in de praktische cartografie. Geografisch Tijdschrift (1957), p. 11–16. Enige nadere gegevens over de Angelvallen. Geografisch Tijdschrift (1957), p. 225–228. Motivering voor het bijeenroepen van de Eerste Nederlandse Kartografendag. In: J.E. Romein, Verslag Eerste Nederlandse Kartografendag, Amsterdam, 1958. (met C. Koeman), Enige opmerkingen over de praktijk van de terreinschaduwing. T.A.G. (1959), p. 317–321. Gezamenlijke bewerking van Hölzel's inleiding tijdens Kartografendagen te Doorn, 1959. Atlas der gehele aarde. 40e druk. Groningen: Wolters, 1959. Atlas der gehele aarde. 41e druk. Groningen: Wolters, 1961. De Wolters' Wereldatlas. Groningen, 1961. Nederlandse licentie-uitgave van Der Grosse Bertelsmann Weltatlas, Gütersloh, B.R.D. Atlas der gehele aarde. 42e druk. Groningen: Wolters, 1963. Kleine schoolatlas der gehele aarde. 50e druk. Groningen: Wolters, 1963. Opmerkingen bij de vernieuwing van Goode's atlas. Geografisch Tijdschrift (1963), p. 18–24. Atlas der gehele aarde. 43e druk. Groningen: Wolters, 1964. Autokaarten. Geografisch Tijdschrift (1964), p. 162–170. Kleine schoolatlas der gehele aarde. 51e druk. Groningen: Wolters, 1964. (met J.E. Romein) Vragen uit de Tweede Kamer over de spelling van geografische namen. Geografisch Tijdschrift (1964), p. 130–135. Open kaart. Inaugurele Rede. Universiteit van Amsterdam, 1965, 24 p. Atlas der gehele aarde. 44e druk. Groningen: Wolters, 1966. Exit Geografisch Tijdschrift Oude Stijl. Geografisch Tijdschrift (1966), p. 241–246. Attendance at Technical ICA meetings. IGU Bulletin 12 (1966), p. 41–42. Kleine schoolatlas der gehele aarde. 52e druk. Groningen: Wolters, 1966. Negentig Jaren Grote Bos 1877-1967. Groningen, 1967. Brochure, 8 p. De derde Internationale Kartografen-Conferentie. Geografisch Tijdschrift (1967), p. 75–80. Bij de opening van het Economisch lnstituut voor de Bouwnijverheid. In: E.I.B., De derde periode. Amsterdam, 1967, p. 14–20. Atlas der gehele aarde. 45e druk. Groningen: Wolters, 1967. Werkgroep Kartografische terminologie. Geografisch Tijdschrift (1967), p. 165–167. De spelling van buitenlandse geografische namen. Geografisch Tijdschrift (1967), p. 165–167. Beschouwingen bij het optreden van het nieuwe bestuur. Jaarverslag KNAG (1967), p. 3–8. In memoriam Sir Dudley Stamp. Geografisch Tijdschrift (1967), p. 6–9. Terugblik op de bestuursperiode van Prof. dr. L.F. de Beaufort. Geografisch Tijdschrift (1968), p. 287–291. De Grote Bosatlas. 46e druk. Groningen: Wolters, 1968. Tien jaren Kartografische Sectie (1958-1968). Geografisch Tijdschrift (1968), p. 383–399. Enige algemene beschouwingen over het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap. Jaarverslag KNAG (1968), p. 5–10. Four years ICA 1964-1968. IGU Bulletin 20 (1969), p. 38–49. In memoriam Prof.Dr. J.P. Bakker. Geografisch Tijdschrift (1969), p. 201–203. De Kleine Bosatlas. 53e druk. Groningen: Wolters, 1969. In memoriam Jacob Schokkenkamp. Geografisch Tijdschrift (1970), p. 81–84. Voorwoord op Systematisch Register op het Tijdschrift van het KNAG, Jaargangen 1961-1966. Leiden: 1970, p. Ill-IV. Kartopoesie. Kaartbulletin 24 (1970), p. 32. Ter nagedachtenis van Jacob Brummelkamp. Geografisch Tijdschrift (1970), p. 385–388. Indrukken van Italiaanse cartografendagen. Kaartbulletin 23 (1970), p. 10–12.