thumb|Elektronenmicroscopische opname van een vlo
Vlooien (Siphonaptera, ook wel Aphaniptera, enkelvoud vlo) vormen een orde die behoort tot de onderklasse van de gevleugelde insecten (Pterygota). Hoewel ze tot de gevleugelde insecten behoren, hebben ze nooit vleugels. Die hebben ze in de loop van hun evolutie verloren. Alle vlooien zijn gespecialiseerde bloedparasieten van gewervelde dieren. Sommige soorten bijten ook huisdieren en mensen. Ze worden hierdoor gezien als een van de belangrijkste plaaginsecten. Vlooien kunnen alleen leven bij dieren met lichaamsbeharing zoals zoogdieren, of een verenkleed zoals vogels. De insecten hebben een afgeplatte en sterk aangepaste lichaamsbouw en meestal krachtige springpoten. De meeste vlooien zijn een tot drie millimeter groot; allemaal zijn ze kleiner dan een centimeter.
Er zijn ongeveer 2500 verschillende soorten vlooien beschreven. In België en Nederland worden iets meer dan 50 soorten gevonden. Alle vlooien zijn holometabool en kennen een volledige gedaanteverwisseling. Ze hebben een wormachtige larve die totaal niet op het volwassen insect lijkt.
Vlooien hebben zich gespecialiseerd in het zuigen van het bloed van warmbloedige dieren, dus zoogdieren of vogels. Andere dieren, zoals amfibieën, reptielen en op het land levende ongewervelden hebben wel te lijden van bloedzuigende vliegen, maar nooit van vlooien. Het dier waaraan de vlo gebonden is wordt de gastheer genoemd. Vlooien leven niet permanent op een dier -zoals sommige soorten luizen- maar komen alleen naar de gastheer om bloed te zuigen. Een verhoogde concentratie CO2, afkomstig van de stofwisseling van de gastheer, vergroot de activiteit van de vlo.
Vlooien lijken wat betreft hun levenswijze op teken. Vlooien zijn echter niet verwant aan teken, die tot de spinachtigen behoren.
De wormachtige larven van vlooien hebben een vaste plaats nodig om zich te kunnen ontwikkelen. Een nest is hiertoe vaak onontbeerlijk. De larven hebben namelijk bloed nodig om te kunnen overleven, en aangezien de larven zelf niet kunnen zuigen zijn ze afhankelijk van het bloed in de uitwerpselen van de volwassen vlooien. Dit beperkt ze sterk in hun ontwikkeling: vlooieneitjes of -larven die buiten het nest geraken zullen verhongeren.
In Nederland is de kattenvlo (Ctenocephalides felis) de meest voorkomende soort, deze vlo kan ook bij mensen en honden voorkomen. De mensenvlo (Pulex irritans) wordt in West-Europa haast niet meer gezien en de hondenvlo (Ctenocephalides canis) nog zelden. Andere bekende soorten zijn de vogelvlo (Dasypsyllus gallinulae), de rattenvlo (Nosopsyllus fasciatus) en de Indische rattenvlo (Xenopsylla cheopis). In andere delen van de wereld zijn vlooien een bekende plaag, in Zuid-Afrika bijvoorbeeld zijn mensenvlooien heel gewoon, vooral onder de arme bevolking. Allerlei soorten dieren hebben hun eigen vlooien. In verlaten vogelnesten worden vaak na maanden nog vogelvlooien aangetroffen die weleens een menselijke bloedmaaltijd gebruiken, maar zich bij de mens op den duur niet kunnen handhaven.
Naamgeving De Nederlandstalige naam 'vlo' wordt al lang gebruikt en is waarschijnlijk afgeleid van het Oudhoogduitse Flōh. De oorsprong is niet geheel zeker, mogelijk is het woord vlo afgeleid van vlieden (vlien), dat 'vluchten' betekent.
De naam van een vlooiensoort is vaak gebonden aan zijn gastheer, zoals de hondenvlo, de kattenvlo en de mensenvlo. De hondenvlo kan echter ook katten bijten en vice versa, beide soorten kunnen ook de mens bijten.
De wetenschappelijke naam Siphonaptera betekent 'ongevleugelde zuigers'; siphon a-ptera, siphon betekent vrij vertaald 'zuigsnuit' en a-ptera betekent vleugelloos. Deze naam verwijst naar het ontbreken van vleugels en het vermogen van vlooien om bloed te zuigen. Een andere, oudere wetenschappelijke naam is Aphaniptera. De naam Siphonaptera is echter bekender en wordt vaker gebruikt.
Geslachten van vlooien hebben een wetenschappelijke naam met het achtervoegsel 'psyllus' of 'psylla'. Psyllus betekent 'luis' (psylla is de meervoudsvorm) en slaat op de zuigende, luisachtige levenswijze van de vlo. De wetenschappelijke naam van het geslacht Nycterido-psylla bijvoorbeeld betekent letterlijk vleermuizen-luis. Sommige soorten insecten, en andere geleedpotigen die niet tot de 'echte' vlooien behoren, worden desondanks 'vlo' genoemd. Dit komt meestal omdat het dier klein blijft en kan springen. Voorbeelden zijn bladvlooien en aardvlooien. Beide zijn groepen van kleine, springende kevers. Een ander voorbeeld zijn de watervlooien. Dit is een groep van kleine kreeftachtigen die in het water leven. Ook de sneeuwvlo behoort niet tot de vlooien, maar is er wel nauw aan verwant. De sneeuwvlo zuigt echter geen bloed maar leeft van mossen.
Verspreiding Vlooien komen wereldwijd voor en ontbreken alleen in gebieden waar geen nestbouwende zoogdieren en vogels leven. Aangezien dergelijke gebieden erg zeldzaam zijn, komen vlooien in de praktijk overal ter wereld voor.
Wat betreft de verspreiding zijn er twee groepen van vlooien: soorten die in een afgebakend gebied voorkomen en soorten met een kosmopolitische verspreiding. De meeste soorten behoren tot de eerste groep; ze leven bij dieren die vrij klein of relatief zeldzaam zijn zoals spitsmuizen, woelmuizen, eekhoorns, vleermuizen en egels.F.G.A.M. Smit, "De vlooien (siphonaptera) van de Benelux-landen", Wetenschappelijke Mededeling no. 72 van de KNNV, december 1967 Een handvol vlooien heeft echter een wereldwijde verspreiding omdat ze leven bij dieren die als cultuurvolger of huisdier door toedoen van de mens wereldwijd zijn geïntroduceerd. De bekendste soorten zijn de kattenvlo, de hondenvlo, de mensenvlo en de rattenvlo. Zie voor een uitgebreidere lijst het kopje taxonomie en indeling.
Voorbeelden van vlooiensoorten die beperkt voorkomen zijn Xenospyla cheopis, die bij scheepsratten leeft en zo in havens opduikt, en de vlo Hectopsylla psittaci. Deze laatste soort leeft van tropische vogels uit Zuid-Amerika en wordt door de handel in exotische dieren verspreid.
Uiterlijke kenmerken thumb|Lichaamskenmerken van een vrouwelijke vlo. thumb|Delen van de kop van een vlo. Veel groepen van insecten hebben een breed scala aan verschillende vormen ontwikkeld, maar de vlooien zien er allemaal ongeveer hetzelfde uit en zijn niet met andere dieren te verwarren. Alle soorten worden gekenmerkt door een sterk zijdelings afgeplat lichaam met een duidelijk gesegmenteerd en bladachtig achterlijf en een kleine, naar onderen gebogen kop. Alle vlooien hebben een roodbruine tot zwarte kleur en er zijn geen soorten bekend die vlekken of kleurpatronen hebben zoals bij andere insecten gebruikelijk is. Vlooien blijven klein en bereiken een lichaamslengte van ongeveer 1,5 tot 4 millimeter.
Grotere soorten zoals de mollenvlo (Hystrichopsylla talpae) kunnen tot 6 mm lang worden, dit is tevens de grootste Europese soort. De allergrootste vlo is voor zover bekend de Noord-Amerikaanse soort Hystrichopsylla schefferi, die tot 8 mm lang kan worden en leeft bij een soort bever.
Het lichaam van een vlo bestaat net als andere insecten uit drie delen, van voor naar achter zijn dit de kop of caput (A), het borststuk of thorax (B) en het achterlijf of abdomen (C). Vlooien hebben geen vleugels aan de bovenzijde van het borststuk, maar het borststuk draagt aan de onderzijde wel de voor insecten karakteristieke drie paar poten waarvan het achterste paar geëvolueerd (omgevormd) is tot springpoten. Vrijwel alle soorten vlooien zien er ongeveer hetzelfde uit en zijn met het blote oog moeilijk van elkaar te onderscheiden. Onder een microscoop kunnen vlooien meestal wel worden gedetermineerd, op basis van bepaalde kenmerken. Door de vorm, bijvoorbeeld het voorkomen van de kammen op de kop en de vorm van het achterlijf, kan een vlo vaak al aan een taxonomisch geslacht worden toegewezen.
Kop De kop van een vlo is relatief klein, en draagt verschillende uitsteeksels die kenmerkend zijn voor vlooien. Aan de voorzijde zijn de mandibels gelegen, deze zijn omgevormd tot twee structuren die de huid van de gastheer kunnen doorboren.
Vlooien hebben meestal een kam aan de onderzijde van de kop, en een tweede kam aan de eerste borststukplaat (thoracale tergiet). Bij een aantal soorten ontbreekt er een van de twee, en bij andere soorten zijn helemaal geen kammen aanwezig. Deze kammen worden ctenidia genoemd, en zowel het al dan niet voorkomen, als de vorm van deze kammen zijn soortspecifiek, waardoor sommige vlooiensoorten onder een microscoop goed te onderscheiden zijn; met het blote oog zijn de kammen niet te zien. De kam die aan de kop gehecht is heet de genale kam of genaal ctenidium. Deze kam is duidelijker te zien dan de kam op het borststuk (zie onder borststuk). De kam is aan de onderrand van de kop gepositioneerd en doet met enige fantasie denken aan een snor. De vorm en positie van de chitineuze stekels van de kaakkam kunnen per soort verschillen. Zo heeft de kattenvlo een kam waarvan alle stekels ongeveer even lang zijn, de kam van de hondenvlo daarentegen heeft een stekel aan de voorzijde van de kam die aanmerkelijk korter is in vergelijking met de andere stekels. Het onderscheiden van vlooien en andere insecten op basis van haren en kammen op het lichaam wordt wel chaetotaxie genoemd. De naamgeving van geslachten en soorten vlooien verwijst soms naar de kaakkam, de honden- en kattenvlo bijvoorbeeld behoren tot het geslacht Ctenocephalon, dat letterlijk kam- (Grieks κτείς kteísLiddell, H.G. & Scott, R. (1940). A Greek-English Lexicon. revised and augmented throughout by Sir Henry Stuart Jones. with the assistance of. Roderick McKenzie. Oxford: Clarendon Press.) kop (Grieks κεφαλή kephalē) betekent.
De monddelen bestaan uit verschillende gepaarde uitsteeksels. Aan de bovenzijde zijn de maxillaire palpen of maxillae gelegen. Deze uitsteeksels doorboren de huid van een gastheer. In het midden is de epipharynx gepositioneerd, dit is een buisachtige structuur die dient als injectienaald en het bloed opzuigt uit de onderhuidse haarvaatjes van de gastheer. Aan de onderzijde zijn de labiale palpen gepositioneerd. Beide uitsteeksels zijn sterk verkleind, een vlo heeft door zijn sterk gespecialiseerde levenswijze een compact lichaam nodig.
Net als andere insecten draagt de kop van een vlo twee antennes en ook deze zijn sterk gereduceerd. De antennes worden in rust in een groef aan de achterzijde van de kop geborgen. Als de antennes (zoals bij andere insecten) continu vooruit zouden worden gehouden zou de vlo problemen ondervinden bij het lopen door de vacht van zijn gastheer. Als de antennes gebruikt worden, worden ze uit de groef gehaald om geuren waar te nemen.
Borststuk thumb|Schema van de kammen van een vlo: G = Genale kam P = Pronotale kam Het borststuk, de thorax, bestaat uit drie delen, net als bij andere insecten. Ieder deel draagt steeds één paar, gesegmenteerde poten. Bij vlooien is het eerste borststuksegment ver naar voren geplaatst, zodat het corresponderende potenpaar aan de onderzijde van de kop lijkt te zijn gehecht.
De stekels van de kam op het borststuk wijzen naar achteren om de weerstand tijdens het lopen door de lichaamsbeharing te verminderen, deze kam wordt de pronotale kam of pronotaal ctenidium genoemd. De honden- en kattenvlo hebben beiden een dergelijke kam, maar de mensenvlo heeft helemaal geen kammen en is hieraan te onderscheiden. Dat de voorouders van de mensenvlo waarschijnlijk wel een dergelijke kam hadden is op te maken uit het feit dat bij sommige exemplaren nog een tandje aan de voorzijde voorkomt. De poten bevatten dubbele klauwtjes om zich aan een haar of veer vast te houden. Een vlo beweegt zich door de lichaamsbedekking van zijn gastheer door zich met de voorste poten naar voren te trekken en dan met de middelste en achterste poten het lichaam voort te duwen.