Bloemdieren (Anthozoa) zijn een omvangrijke klasse van neteldieren. Tot de bloemdieren behoren de zeeanemonen en alle koralen. Het zijn eenvoudig gebouwde, primitieve zeedieren die zich gewoonlijk vastzetten in de zeebodem en voedsel vangen met een tentakelkrans. Bloemdieren zijn bekend om hun vermogen grote, vaak kleurrijke kolonies te vormen die doen denken aan plantaardig leven.
Bloemdieren voeden zich met kleine, voorbijdrijvende diertjes en organische deeltjes. De tentakels van bloemdieren zijn voorzien van netelcellen, die gebruikt worden om prooien te verlammen en roofdieren af te schrikken. Veel soorten vullen hun energievoorziening aan door gebruik te maken van fotosynthetische, eencellige algen (zoöxanthellen) die in hun weefsels leven. Deze symbiotische bloemdieren komen uitsluitend voor in ondiep water en bouwen riffen. Andere soorten hebben een zelfstandige levenswijze en komen voor in de diepere lagen van de zee.
In tegenstelling tot andere neteldieren hebben bloemdieren geen meduse (kwalstadium) in hun ontwikkeling: ze zijn hun hele leven vastgehecht aan het substraat (poliep). Ondanks hun vastzittende levenswijze kunnen bloemdieren goed bewegen en op hun omgeving reageren. De meeste bloemdieren planten zich geslachtelijk voort, maar veel soorten kunnen zich ook ongeslachtelijk voortplanten door knopvorming of fragmentatie. Bloemdierkolonies zoals koraalriffen vormen de woonplaats van duizenden soorten zeedieren, en zijn daarom een hoeksteen van de mariene ecologie.
Omschrijving thumb|Annella mollis, een hoornkoraal die boomvormige vertakkingen ontwikkelt langs steile rifwanden De naam 'Anthozoa' is afkomstig van de Griekse woorden άνθος (ánthos; 'bloem') en ζώια (zōia; 'dieren'), waaraan ook de Nederlandse naam 'bloemdieren' is ontleend. De naam is een verwijzing naar hun bloemige, plantachtige uiterlijk.
Bloemdieren vormen de grootste klasse binnen de neteldieren (Cnidaria); er zijn meer dan 6000 soorten beschreven. De grootste diversiteit treft men aan in de tropische zeeën van Zuidoost-Azië. In Noordwest-Europa zijn 21 gevestigde soorten geregistreerd. (2010). De Nederlandse biodiversiteit. Nederlands Centrum voor Biodiversiteit Naturalis - Nederland, Leiden. pp. 114–115. . Met uitzondering van de dodemansduim Alcyonium digitatum, een zachte koraalsoort, zijn alle bloemdieren in de Noordzee ter hoogte van België en Nederland zeeanemonen.
Bloemdieren komen uitsluitend voor in zeeën en oceanen. De klasse kent drie onderklassen: Hexacorallia, Octocorallia en Ceriantharia. Tot de Hexacorallia behoren de harde koralen en zeeanemonen. De zachte soorten zoals zeeveren en hoornkoralen worden tot de Octocorallia gerekend. De kleinste subklasse, Ceriantharia, omvat anemonen met een kokervormige poliepwand.
Bloemdieren vertonen een grote vormenrijkdom. Veel soorten leven in symbiose met kleurrijke algjes en kunnen via knopvorming uitgroeien tot complexe rifsystemen. Hoewel in ondiepe, rotsige kustwateren legio bloemdiersoorten leven, komen de meeste soorten voor in de diepere lagen van de zee. Een groot aantal soorten is tijdens zijn evolutionaire ontwikkeling verschoven van ondiep naar diep water of juist andersom.
Lichaamsbouw Bloemdieren zijn poliepen en hebben een eenvoudige anatomie. De typische vorm van een poliep is die van een smalle, buisvormige kolom met onderaan een verbrede voet en bovenaan een krans van tentakels rond een mondopening. Zeeanemonen bestaan altijd uit één grote poliep, waarbij de voet losjes vasthecht aan het substraat (de zeebodem). Koralen zijn daarentegen opgebouwd uit vele duizenden poliepen van enkele millimeters breed, die onderling verbonden zijn tot een groot koloniaal organisme. Bij alle bloemdieren is de mond de enige lichaamsopening; zowel voedsel inwaarts als afvalstoffen uitwaarts passeren erdoorheen.
thumb|upright|Anatomie van een steenkoraal De mondopening is bij de meeste soorten gespierd, en geeft toegang tot de centrale lichaamsholte die het coelenteron wordt genoemd. In het coelenteron vindt vertering, circulatie en opname van voedingsstoffen plaats. De lichaamsholte is verdeeld in een aantal kamers door middel van verticale scheidingswanden, de septa (enkelvoud septum). De functie van deze septa is waarschijnlijk om door oppervlaktevergroting een optimale uitwisseling van zuurstof en voedingsstoffen te bereiken. De taxonomie van bloemdieren is in grote mate gebaseerd op het aantal en de organisatie van de septa.
De lichaamswand van bloemdieren bestaat uit drie lagen: de epidermis (opperhuid), een geleiachtige tussenlaag (het mesoglea) en de gastrodermis. De septa zijn invouwingen van de lichaamswand, bestaand uit een laag mesoglea, ingeklemd tussen twee lagen gastrodermis. De tentakels zijn eigenlijk verlengingen van het coelenteron, en staan in verbinding met lange spieren. Deze spieren worden gebruikt bij het intrekken van tentakels, het buitenhouden van sediment en het verweren tegen natuurlijke vijanden. (2015). Evolution of anthozoan polyp retraction mechanisms: convergent functional morphology and evolutionary allometry of the marginal musculature in order Zoanthidea. BMC evolutionary biology, 15: 123. .
Netelcellen De tentakels van bloemdieren, ook wel vangarmen genoemd, zijn bewapend met netelcellen (nematocyten). Dit zijn cellen waarin een gifdragend, harpoenachtig structuurtje aanwezig is, dat bij gevaar kan worden uitgestulpt. Netelcellen bieden bescherming tegen vijanden en worden ook gebruikt om kleine prooien te verlammen en vervolgens te vangen. In tegenstelling tot kwallen en andere verwante holtedieren zijn de steken van bloemdieren meestal ongevaarlijk voor de mens.
thumb|upright|left|Territoriale strijd tussen twee zeeanemonen. De witte tentakels steken ongewenste soortgenoten.
De verdedigingswijzen van bloemdieren zijn zeer divers. Sommige zeeanemonen, zoals Anthopleura elegantissima, zijn uitgerust met gespecialiseerde tentakels (acrorhagi) die gebruikt worden om concurrerende soortgenoten te bestrijden. Wanneer twee individuen te dicht bij elkaar in de buurt komen, ontvouwen ze hun acroraghi. Deze tentakels zijn zo rijk aan netelcellen dat ze weefselschade kunnen veroorzaken. Andere soorten hebben acontia (draadachtige verdedigingsorganen) die door openingen in de lichaamswand worden afgevuurd. Sommige steenkoralen gebruiken "veegtentakels" als verdediging tegen het binnendringen van andere zeediertjes. et al. pp. 112-148.
Kolonies Veel bloemdiersoorten zijn koloniaal: ze vormen grote, aaneengesloten groepen individuen die samen vergroeid zijn tot een morfologische eenheid. Een bloemdierkolonie kan vele meters lang worden. Alle individuen in de kolonie zijn door middel van knopvorming uit een centrale voorouderpoliep ontstaan. De eenvoudigste opstelling van een kolonie is een stoloon (centrale verbinding) over de zeebodem waaruit op vaste intervallen poliepen groeien. Meestal groeien de poliepen echter in een driedimensionale configuratie uit moederweefsel, de coenosarc, die de poliepen verbindt en de kolonie aan het substraat verankert. De coenosarc bestaat uit een dun membraan (zoals bij de meeste rifkoralen) of uit een dikke vlezige massa waarin de poliepen afzonderlijk zijn ingeplant (zoals bij de zachte koralen).
Rifkoralen scheiden via hun opperhuid calciumcarbonaat uit dat een hard exoskelet (kalkskelet) vormt. Wanneer een rifkoraal nieuwe poliepen vormt, wordt het oppervlak van het kalkskelet bedekt met een laag coenosarc. Op deze manier kunnen zich grote, vertakte, plantachtige rifsystemen ontwikkelen. Bij zachte koralen ontstaat het kalkskelet uit mesogleaal weefsel, vaak versterkt met kalkhoudende skeletnaaldjes of hoornachtig materiaal (gorgonine). Andere bloemdieren, zoals zeeanemonen, hebben geen kalkskelet; zij maken gebruik van een inwendig hydroskelet waarin lichaamsvocht zorgt voor stevigheid en beweeglijkheid. Bij enkele soorten zeeanemonen is het lichaam bedekt met een slijmlaag waaraan schelpen blijven plakken die op de zeebodem liggen. De schelpen vormen dan een beschermende mantel, vergelijkbaar met een kalkskelet.
Fysiologie en levenswijze Voedsel thumb|Condylactis gigantea gebruikt zijn stevige, bijtende tentakels om vissen, mosselen, garnalen en andere zeediertjes te vangen. Bloemdieren vangen voorbijdrijvend voedsel met hun flexibele tentakels. Ze leven voornamelijk van plankton, kleine ongewervelde dieren, eencellige protisten, bacteriën en andere organische deeltjes die in het zeewater ronddrijven. et al, pp. 103-111. Actievere bloemdieren zoals zeeanemonen kunnen ook vissen, krabbetjes en zelfs tweekleppigen buitmaken met behulp van hun bijtende netelcellen. pp. 49-55.
Een prooi die contact maakt met een tentakel, wordt met behulp van bijtende netelcellen verlamd en vastgehouden. De tentakels buigen zich vervolgens naar de mondopening om de prooi naar binnen te brengen. De mondopening is flexibel en kan zich uitstrekken om de prooi te omvatten en naar binnen te begeleiden. Binnen het lichaam wordt de prooi geweekt in slijm en via peristaltische werking naar het coelenteron (de maagholte) gevoerd. Daar worden enzymen uitgescheiden die de prooi verteren. De gedeeltelijk verteerde voedselfragmenten worden door trilhaartjes rond de binnenkant van het coelenteron gecirculeerd en ten slotte door fagocytose opgenomen in de gastrodermis, de binnenbekleding van het coelenteron.
Symbiose met zoöxanthellen Veel bloemdieren hebben naast het vangen en verteren van voedsel nog een andere manier om aan energie te komen. Ze leven in symbiose met eencellige, fotosynthetische algen die zoöxanthellen worden genoemd. Zoöxanthellen nestelen zich voornamelijk inwendig, bijvoorbeeld in de gastrodermis. Beide symbiosepartners, dus zowel de algjes als het bloemdier, halen voordeel uit deze symbiose. De algjes kunnen zich voeden met afvalproducten van de gastheer en geven in ruil daarvoor glucose, glycerol en aminozuren terug die ze in aanwezigheid van zonlicht kunnen aanmaken. Sommige zoöxanthellen geven tot wel negentig procent van hun fotosyntheseproducten af aan het bloemdier.
thumb|upright|left|De witte doornkoraal Leiopathes glaberrima leeft op grote diepte en bezit geen zoöxanthellen. Alle tropische hoornkoralen, anemonen en zoanthiden (korstkoralen), en vrijwel alle rifbouwende bloemdieren zijn rijk aan zoöxanthellen. Men vermoedt dat de algjes naast de productie van voedingsstoffen ook de productie van calciumcarbonaat verhogen, wat van groot belang is bij koralen die een kalkskelet aanleggen. De meeste zoöxanthellen die in symbiose met bloemdieren leven behoren tot de dinoflagellaten (Symbiodinium).
De symbiose met zoöxanthellen is vaak niet permanent. Onder de bepaalde omstandigheden kunnen de algjes worden verdreven en andere soorten kunnen later hun plaats innemen. Alleen bloemdieren die op een goed verlichte plek zijn gevestigd hebben de mogelijkheid om een succesvolle symbiose te ontwikkelen. Er is hierdoor sprake van ecologische concurrentie tussen koralen voor een goede vestigingsplek. Een grot of schaduwrijke locatie betekent dat het bloemdier zelfstandig in zijn energiebehoefte moet voorzien. Hetzelfde geldt voor soorten die op grote diepten leven (als vuistregel meer dan vijftig meter).
Beweging thumb|Deze zeeanemoon (Amphianthus) kan zijn vangarmen bij gevaar snel intrekken. Veel bloemdieren hebben goed ontwikkelde spierweefsels. Hiermee zijn ze in staat om hun lichaamsdelen uit te strekken en in te trekken, te buigen en te draaien, en op te blazen en leeg te laten lopen. De tentakelkrans is vaak gevoelig en reageert snel op externe prikkels; 's nachts strekken veel koralen hun tentakels uit om voedsel te vergaren, maar wanneer een ander dier contact maakt trekken ze de tentakels onmiddellijk in. Contractie is mogelijk doordat er vloeistof uit het coelenteron wordt gepompt. Dit gebeurt via gespecialiseerde waterdoorlatende cellen met trilhaartjes.