De Nationale orde van het Legioen van Eer (Frans: Ordre national de la Légion d'honneur) is de hoogste en belangrijkste Franse nationale onderscheiding.

De Franse staat heeft de orden ingedeeld in de twee nationale orden, diverse orden en de overgebleven ministeriële orden. De zuiverheid en exclusiviteit van het Legioen van Eer wordt nauwkeurig bewaakt door de kanselier van de orde.

De President van Frankrijk is Grootmeester van de orde. Bij deze waardigheid hoort een zware gouden ordeketen. Deze keten werd tot voor kort door de opeenvolgende presidenten gedragen. Tegenwoordig is dat niet meer zo; de keten wordt tijdens de installatie van een president op een kussen getoond.

Verhouding met de Nationale Orde van Verdienste Naast het Legioen van Eer is er de eind 1963 ingestelde Nationale Orde van Verdienste. Deze Nationale Orde van Verdienste wordt verleend voor "belangrijke verdiensten" (Frans: "mérites distingués"), terwijl het Legioen van Eer de "eminente verdiensten" beloont. De Nationale Orde van Verdienste is minder in aanzien dan het Legioen van Eer. versierselen|right|260px Om beide orden exclusief te houden worden driejaarlijkse quota vastgesteld. De aantallen benoemingen zijn afhankelijk van de omvang van de Franse bevolking en het aantal leden van de twee orden. Men moet veertig jaar oud zijn. Er kunnen niet meer dan 75 grootkruisen zijn. Tussen een benoeming en een bevordering moet een bepaalde periode verlopen en iedere Fransman (met uitzondering van de president van de republiek en de eerste minister) moet ridder zijn voordat hij, wegens "nieuwe eminente verdiensten voor Frankrijk", voor bevordering tot officier in aanmerking komt. Om tot commandeur bevorderd te worden moet weer een periode met opnieuw wegens "nieuwe eminente verdiensten voor Frankrijk" verlopen. De wet maakt een uitzondering voor stervende personen die hun benoeming anders niet zouden meemaken, nominaties wegens moed en benoemingen van buitenlanders.

Ook steden, onder meer Luxemburg en Luik, militaire regimenten, scholen, en bedrijven, waaronder de Franse spoorwegmaatschappij SNCF, hebben de orde gekregen.

Regels Voor de benoemingen gelden strenge regels. Parlementsleden en rechters kunnen het Legioen van Eer tijdens hun ambtsperiode niet ontvangen. Rechters kunnen daarom bij hun afscheid worden gedecoreerd met een hogere graad dan normaal is toegestaan. Zij hebben immers de tussentijdse bevorderingen gemist. Uiteraard kan een parlementslid wel worden gedecoreerd voor moed wanneer hij in een oorlog vecht. Ministers mogen hun accountants niet voordragen.

Buitenlanders worden geen lid van het Legioen van Eer maar ze worden wel onderscheiden met het Legioen van Eer.

In 2010 mochten er 75 grootkruisen, 250 grootofficieren, 1250 commandeurs, 10.000 officieren en 113.425 ridders zijn. In werkelijkheid waren er 67 grootkruisen, 314 grootofficieren, 3009 commandeurs, 17.032 officieren en 74.384 ridders in het Legioen van Eer. De hoge aantallen werkelijk benoemde leden in de verschillende rangen is deels te verklaren uit het benoemen van veteranen.

De benoemingen komen op drie wijzen tot stand, de ministers hebben ieder een quotum voor voordrachten. Dat geldt ook voor de president van de republiek. Al deze voordrachten worden door de kanselier van het Legioen van Eer beoordeeld. In 2008 vond een bestuurlijke vernieuwing plaats. Een voordracht in de vorm van een burgerinitiatief dat door vijftig inwoners van het departement waarin de voorgedragene woont werd ondertekend wordt ook in behandeling genomen.

Bij een ongebruikelijke loopbaan, bijvoorbeeld een loopbaan waarin veel tijd in functies werd doorgebracht waarin men om formele redenen niet kon worden gedecoreerd, dat geldt voor de zittende magistratuur en de parlementariërs, kan men direct tot officier, commandeur of grootofficier in het Legioen van Eer worden benoemd. Dat laatste overkwam Simone Veil in januari 2009. Winnaars van gouden medailles bij de Olympische Spelen mogen op een benoeming tot ridder in het Legioen van Eer rekenen.

De jaarlijkse eresoldij was in de dagen van Napoleon I aanzienlijk. In 2012 ging het om kleine bedragen. Ridders ontvangen €6,10 per jaar, officieren €9,15, commandeurs €12,20, grootofficieren €24,39 en grootkruisen €36,59.

Het Legioen van Eer heeft altijd een sterk militair karakter gehad. In vredestijd wordt de helft van de quota aan de strijdkrachten toebedeeld. Brandweerlieden, politiepersoneel, priesters en predikanten, hogere ambtenaren en volksvertegenwoordigers worden ook vaak gedecoreerd.

Voor de Franse premier gelden bijzondere regelingen. Hij of zij wordt drie maanden na de ambtsaanvaarding gedecoreerd met het commandeurskruis van de Nationale Orde van Verdienste. Een decreet van 21 november 2008 stelt vast dat een premier van Frankrijk na twee jaar in dat ambt rechtens grootofficier in het Legioen van Eer is.

De keizerlijke decreten van 1808 en 1810 regelden erfelijke adeldom voor de derde generatie dragers van het Legioen van Eer. Deze decreten zijn door Lodewijk XVIII ingetrokken. Een ordonnance royale van 8 oktober 1814 van Lodewijk XVIII over de erfelijke adeldom voor de derde opeenvolgende generatie in de rang van ridder« ... lorsque l'aïeul, le fils et le petit-fils auront été successivement membres de la Légion d'honneur et auront obtenu des lettres patentes, le petit-fils sera noble de droit et transmettra sa noblesse à toute sa descendance. » is nooit ingetrokken. Anderzijds kent de Franse Republiek geen adel terwijl het instituut in de Franse maatschappij nog wel bestaat. Ook in de 21e eeuw zijn er Fransen die hun recht op adeldom, of ten minste op een op adeldom wijzende naam met het predicaat "de" laten gelden. Het gaat om 846 families waaronder de familie De Gaulle.

Geschiedenis In februari 1802 liet eerste consul Napoleon op zijn buitenplaats Malmaison het idee van een nieuwe onderscheiding voor het eerst vallen in een gesprek met Monge. De eerste consul verwees naar de vele, met ridderorden versierde, diplomaten op de ontvangsten in zijn residentie, de Tuilerieën. De in de strijd toch zo succesvolle Fransen staken daarbij kaal af en Napoleon betreurde de opheffing van de Orde van de Heilige Lodewijk. Hij merkte op dat "de Fransen van gelijkheid en van onderscheidingen evenveel houden".Alex Mazas De versierselen zouden "of men het wil of niet respect afdwingen". Al snel na dit gesprek werd Pierre-Louis Roederer opgedragen een "Projet de l'institution de la Légion d'honneur" te formuleren.

Het erelegioen werd op 29 floréal van het jaar X (19 mei 1802) als nationaal instituut en organisatie ingesteld door Napoleon Bonaparte, eerste consul van Frankrijk. Het legioen was niet bedoeld als ridderorde, waar Napoleon een afkeer van had. De Franse ridderorden van de monarchie waren in de Franse Revolutie allemaal afgeschaft. Voor een min of meer democratische en seculiere Franse ridderorde in de vorm van een orde van verdienste was het nog te vroeg. De eerdere orden waren pas in 1793 afgeschaft en in Napoleons regering bekleedden oude revolutionairen nog altijd sleutelposities. Het erelegioen kreeg de vorm van een naar een Romeins legioen gevormde eenheid waarin de graden commandoposten waren. Aan de functies was een "eresoldij" verbonden die bij de hoogste graden bijzonder hoog was. Al snel kreeg het erelegioen wel alle kenmerken van een ridderorde van het Franse keizerrijk. De orde is door zijn democratische karakter het voorbeeld geweest voor de napoleontische orden zoals die in heel Europa door de Bonapartes werden gesticht.

Iedere staat heeft behoefte aan tastbare eerbewijzen, en de erewapens die de Franse revolutionaire regeringen hadden uitgereikt voldeden niet. Over het kleine kruisje van het Legioen van Eer sprak de eerste consul Napoleon Bonaparte de woorden "Ik weet dat dit speelgoed is, maar voor dergelijk speelgoed wagen mannen hun leven". Naarmate de meer egalitaire idealen van de grote Franse Revolutie meer op de achtergrond raakten werden materiële beloningen en eretekens belangrijker.

De naam Legion d'honneur werd ontleend aan een Romeins instituut, het Legio honoratorum conscripta, want Napoleon was verzot op verwijzingen naar de oudheid. Ook de adelaars en de zestien cohorten waren door de Romeinen geïnspireerd. In de Franse regering waren nog veel kampioenen van de in 1789 bevochten gelijkheid en broederschap vertegenwoordigd. Hun kritiek op het instellen van een onderscheiding weerlegde de eerste consul met woorden "Ik daag u uit om me een republiek te laten zien, oud of nieuw, waarin men geen onderscheid maakt tussen de mensen. U noemt dit speeltjes, welnu het is met dergelijke speeltjes dat men mannen leidt".« Je vous défie de me montrer une république, ancienne ou moderne, qui savait se faire sans distinctions. Vous les appelez les hochets, eh bien c’est avec des hochets que l’on mène les hommes.»

In de Franse Raad van State werd het voorstel om een Legioen van Eer in te stellen op 14 floréal van het jaar X (4 mei 1802) besproken. Dat ging, zoals gebruikelijk in een open discussie. Eerste consul Bonaparte benadrukte dat ook een moderne republiek eerbewijzen nodig had en dat het Legioen van Eer geen herstel van een van de oude instituten van de Franse monarchie was. Het wetsvoorstel werd goedgekeurd met 14 stemmen voor en 10 stemmen tegen.

Het wetsvoorstel werd op 17 mei in het Tribunaat besproken. Daar benoemde men Napoleons jongere broer Lucien Bonaparte tot rapporteur. Op zijn voordracht werd het voorstel met 56 stemmen voor en 38 stemmen tegen aangenomen. De tegenstanders vreesden de ondermijning van het gelijkheidsprincipe van de Franse Revolutie en de invoering van een nieuwe aristocratie.

In de eerste voorstellen was nog geen sprake van een draagbaar ereteken.

Lucien Bonaparte, Pierre-Louis Roederer, Auguste-Louis-Frederic de Marmont Viesse en Mathieu Dumas verdedigden het wetsvoorstel in het Corps législatif. Dat nam het wetsvoorstel op 19 mei 1802 aan. De wet werd op 9 prairial van het jaar X (29 mei 1802) door de eerste consul ondertekend en gezegeld. De wet op het Legioen van Eer werd in het staatsblad, de "Moniteur" gepubliceerd.

De eerste benoemingen werden in september 1803 gepubliceerd. De eerste consul benoemde legionnairs, officieren, commandanten en grootofficieren. De versierselen werden in een decreet op 22 Messidor jaar XII (11 juli 1804) goedgekeurd.

Het Legioen van Eer was verdeeld in 16 cohorten. Ieder cohort telde 350 legionairs, 30 officieren, 20 commandeurs en 7 grootofficieren. Aan het hoofd van het Legioen van Eer stond de "Grote Raad van het Legioen van Eer". De eerste consul was uiteraard voorzitter van de Grote Raad. Er was ook een kapittel dat de financiën van de orde regelde. Fransen konden zonder onderscheid naar rang, stand en religie in het Legioen van Eer worden opgenomen.

De versierselen moeten op die dag al gereed geweest zijn want vier dagen later werden de eerste kleinoden in de kapel van het Hôtel des Invalides uitgereikt. Napoleon had een grandioze ceremonie laten organiseren waarin hij, zittend op een troon op een met een blauw tapijt met ingeweven gouden bijen bedekte verhoging van zes treden, onder een rood baldakijn een aantal verdienstelijke officieren decoreerde.

Het rode lint van het Legioen van Eer herinnert aan de koninklijke militaire onderscheidingen; de Orde van de Heilige Lodewijk en het voor protestantse officieren bestemde Militair Instituut. De vijf armen van de versierselen waren een duidelijke breuk met het christelijke verleden en de kruisen van de gewoonlijk naar heiligen genoemde orden van het ancien régime.