De rode palmkever (Rhynchophorus ferrugineus) is een kever uit de familie snuitkevers (Curculionidae). Het is een relatief grote kever die tot vier centimeter lang wordt en een opvallende roodbruine tot rode kleur heeft met zwarte vlekken op delen van het lichaam. Net als alle snuitkevers draagt de kop een verlengd deel, het rostrum, dat lijkt op een steeltje.

De rode palmkever komt oorspronkelijk voor in Zuidoost-Azië, maar is door de wereldwijde handel in palmbomen over verschillende delen van de wereld verspreid. De rode palmkever staat bekend als een zeer schadelijke soort omdat de larven het hout van palmbomen aantasten. In België en Nederland komt de kever niet voor.

De kever plant zich snel voort, er worden vele eitjes afgezet en de levenscyclus van de larven is relatief kort. De kever kan moeilijk bestreden worden omdat de larven in de stam van de palm gangen uitvreten. De rode palmkever wordt gezien als een van de schadelijkste houtaantastende insecten.

Naamgeving en taxonomie De kever werd voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Guillaume-Antoine Olivier in 1790. Oorspronkelijk werd de wetenschappelijke naam Curculio ferrugineus gebruikt. De kever is later beschreven door Johann Christian Fabricius als Calandra ferruginea (1801) en door Auguste Chevrolat als Rhynchophorus signaticollis.

De rode palmkever dankt zijn Nederlandse naam aan de lichaamskleur en de voorkeur voor palmbomen om zich te ontwikkelen als larve. Ook in andere talen wordt verwezen naar de lichaamskleur en de voorkeur voor palmbomen, zoals het Engelse red palm weevil en het Franse charançon rouge des palmiers. De Spaanse naam picudo rojo betekent rode stekel.

De wetenschappelijke geslachtsnaam Rhynchophorus betekent snavel (rhyncho) dragend (phorus). De soortnaam ferrugineus betekent 'roestkleurig' en verwijst naar de rode lichaamskleur.

De rode palmkever behoort tot de snuitkevers (Curculionoidea) en de familie Curculionidae. De verschillende soorten binnen deze enorme groep van kevers zijn vaak te herkennen aan een verlengd deel van de kop. De rode palmkever wordt verder tot het geslacht Rhynchophorus gerekend. Het geslacht Rhynchophorus telt in totaal negen soorten, die enigszins op elkaar lijken. Een andere bekende soort is Rhynchophorus cruentatus uit Noord-Amerika. Deze soort heeft een overwegend zwarte kleur met vaak een rode tekening. Sommige soorten zijn echter niet rood van kleur maar geheel zwart, zoals de soort Rhynchophorus palmarum. Van de negen verschillende soorten uit het geslacht is van zes soorten bekend dat ze van palmen leven. De rode palmkever wordt van alle soorten als verreweg het schadelijkst beschouwd.

Verspreiding en habitat thumb|240px|left|De palmkever is gevleugeld en kan in drie tot vijf dagen een afstand van 7 kilometer afleggen. De rode palmkever komt van nature voor in delen van zuidelijk Azië en leeft in de landen Bangladesh, Cambodja, China (Guangdong en Taiwan), de Filipijnen, India, Indonesië, Japan, Laos, Maleisië (in Sabah en Sarawak), Myanmar, Pakistan, Singapore, Sri Lanka, Thailand en Vietnam. In Oceanië is de kever geïntroduceerd in Australië, Papoea-Nieuw-Guinea, Samoa en de Salomonseilanden.

In Afrika heeft de kever zich verspreid naar de landen Algerije, Egypte, Libië, Madagaskar en Marokko. In het Midden-Oosten is de palmkever te vinden in Bahrein, Irak, Iran, Israël, Jordanië, Koeweit, Oman, Qatar, Saoedi-Arabië, Syrië en de Verenigde Arabische Emiraten.

In Noord-Amerika komt de kever voor in het zuiden van de Verenigde Staten, onder andere in Californië, en op het eiland Aruba in het Caraïbisch Gebied.

De palmkever komt ten slotte ook voor in delen van Europa maar alleen in warmere delen zoals rond het Middellandse Zeegebied. De kever is te vinden in de landen Cyprus, Frankrijk, Griekenland, Italië, Malta, Portugal, Spanje en Turkije.

De habitat bestaat uit allerlei subtropische en tropische gebieden, de kever wordt zowel landinwaarts als langs de kust gevonden. Aangezien de larven in de stam van de palm leven zijn ze niet gevoelig voor weersomstandigheden.

Uiterlijke kenmerken De rode palmkever is een relatief grote soort in vergelijking met de meeste andere snuitkevers die meestal kleiner dan een centimeter blijven. Het is door de lichaamskleuren en het verlengde deel van de kop een opvallende soort.

Kop thumb|300px|Belangrijkste lichaamskenmerken van de rode palmkever. De kop is rood van kleur en heeft aan beide kanten een diepe en brede groef waarin de antennes kunnen worden opgeborgen. De structuur van de kop is glad of voorzien van zeer fijne putjes. De ogen zijn relatief groot, ze vallen op door hun afstekende zwarte kleur.

De kever draagt zoals alle snuitkevers een verlengd deel van de kop aan de voorzijde, dit deel wordt het rostrum genoemd. Het rostrum is duidelijk zichtbaar, het heeft meestal een rode kleur maar kan ook zwart gekleurd zijn. De monddelen van de kever zijn aan het uiteinde van het rostrum gepositioneerd. De voorzijde van het rostrum en de monddelen zijn donkerder tot bruin van kleur. De kaken of mandibels zijn voorzien van kleine tandachtige uitsteeksels.

De vorm en de lengte van het rostrum is een belangrijk geslachtskenmerk. Bij de mannetjes is het rostrum ongeveer vier vijfde van de lengte van het halsschild, bij de vrouwtjes is de structuur langer. Vrouwtjes hebben daarnaast een dunner, ronder en rechter rostrum. Het duidelijkste verschil is echter de aanwezigheid van een duidelijke fluweelachtige, gele beharing aan de bovenzijde van de voorkant van het rostrum bij de mannetjes. Het rostrum van een vrouwtje is altijd kaal.

Aan de basis van het rostrum zijn aan weerszijden de antennes gelegen. De antennes hebben een duidelijke knik en het eerste deel staat vaak vrijwel haaks op het laatste deel. De antennebasis, dus het eerste lid gezien vanaf de kop, wordt de scapus genoemd. De scapus is langer dan de andere delen van de antenne tezamen en is ongeveer de helft van de rostrumlengte. De rest van de antenne bestaat uit zes kleine, ronde en zwarte segmenten, het geheel wordt het flagellum genoemd. Aan het uiteinde van het flagellum is een sterk vergroot en verdikt uiteinde aanwezig. Deze heeft een rode kleur en de vorm doet denken aan het uiteinde van een golfclub.

Borststuk en achterlijf De rode palmkever bereikt een lichaamslengte van 19 tot 42 millimeter, het lichaam is ovaal van vorm en is 8 tot 16 millimeter breed. De lichaamskleur aan de bovenzijde is rood tot zwart en is zeer variabel. De onderzijde en de poten van de kever zijn zwart van kleur.

De kever heeft onder de tot dekschilden verharde voorvleugels aan de bovenzijde ook een paar achtervleugels aan de onderzijde hiervan. De achtervleugels zijn opgevouwen onder de dekschilden en zijn wat betreft oppervlak veel groter. De achtervleugels zijn dun en doorzichtig, met deze vleugels kan de snuitkever grote afstanden afleggen. De dekschilden zijn sterk gegroefd en steken af tegen de verder gladde bovenzijde.

Aan de bovenzijde van de kop is een ringvormige plaat aanwezig, dit is het kopschild of vertex. Net als alle kevers heeft de rode palmkever een halsschild of pronotum, dit is een verharde plaat die net achter de kop is gelegen. In vergelijking met andere snuitkevers is het halsschild groot en gewelfd. Het halsschild is oranje van kleur en draagt zwarte vlekken. Er is veel variatie maar de meeste exemplaren hebben aan de voor- en achterzijde van de halsschild drie paar vlekken in een rij, dus zes in totaal. Ook exemplaren met slechts enkele kleine vlekjes komen echter voor. Het halsschild heeft altijd een gladde structuur.

Het achterlijf is gesegmenteerd en wordt beschermd door chitineuze platen. Deze bestaan uit tergieten of rugplaten aan de bovenzijde en sternieten of buikplaten aan de onderzijde. Het achterlijf bevat alle spijsverterings- en geslachtsorganen en de achterlijfspunt of pygidium draagt de genitaliën.

Poten De rode palmkever heeft zes poten, de poten zijn altijd lichter gekleurd dan de zwarte onderzijde van het lichaam. De poten van kevers bestaan altijd uit de heup of coxa waarmee de poot aan het lichaam is bevestigd, de dij of femur, de scheen of tibia en ten slotte de voet of tarsus. De coxa van de voorste poten zijn duidelijk bolvormig. De coxa van het middelste potenpaar zijn voorzien van een fijne beharing. Het femur van het eerste en tweede potenpaar zijn ongeveer even lang, het femur van de achterste poten zijn duidelijk langer.

Aan het uiteinde van de poten zijn de tarsi aanwezig, dit is de voet van de kever en het enige pootdeel wat meerdere geledingen heeft. De palmkever heeft net als andere snuitkevers een pootconfiguratie die pseudotetramerous (vierdelig lijkend) wordt genoemd. De poot heeft vijf tarsleden maar het vierde deel is sterk verkleind en ligt deels onder het juist sterk gezwollen derde deel waardoor het lijkt alsof de pot maar vier segmenten heeft. Het laatste tarsusdeel is ongeveer even lang als alle andere delen samen. Aan het einde van de poot zijn kleine haakjes aanwezig waarmee de kever zich aan de ondergrond hecht. De poten dragen een kam van fijne haartjes.

Voortplanting en ontwikkeling thumb|De larve heeft een zakachtig lichaam en een bruin en verhard kopkapsel.

De mannetjes zoeken naar een vrouwtje zodra ze uit hun poppenwieg komen en het vrouwtje zet na de paring eitjes af in een zelf geknaagd tunneltje in een palmboom. De vrouwtjes zetten ook eitjes af in beschadigde delen van de plant en bij jonge scheuten, omdat de larven via dergelijke afzetplaatsen gemakkelijk in de stam van de boom kunnen doordringen. Er worden enige tientallen tot honderden eitjes afgezet, maximaal ongeveer 530. De larven sluipen een tot zes dagen later uit het ei en eten de eerste tijd van de bladeren maar al snel graven ze gangen in het houtige deel van de palm. De larve van de rode palmkever is wit tot witgeel van kleur en heeft een verhard en maskerachtig roodbruin, glad kopkapsel. De larve heeft een geplooid, zakachtig lichaam. De larve heeft geen poten en is made-achtig. Buiten de natuurlijke habitat -de vraatgangen in de palm- is de larve weerloos.

De vraatgangen van de larven worden deels gevuld met hun uitwerpselen (frass). De larven ondergaan drie tot zeven vervellingen voordat ze uiteindelijk verpoppen. De eigenlijke pop wordt de chrysalis genoemd en voordat de larve een chrysalis vormt wordt eerst een popkamer of poppenwieg gemaakt van plantaardig materiaal uit de omgeving. De popkamer wordt geconstrueerd uit dood houtachtig materiaal en is bruin van kleur. De popkamer wordt gemaakt in de stam van de palm of tussen de bladbasis van de palmbladeren. De lengte van het popstadium varieert van 11 tot 45 dagen en is afhankelijk van de omgevingstemperatuur. Als de kever uit de pop komt, wordt vaak enige tijd gewacht op de juiste temperaturen voordat de popkamer wordt verlaten.

De volwassen kevers leven twee tot drie maanden, ze kunnen zich verschillende keren voortplanten. Van populaties in Egypte wordt geschat dat er 21 generaties per jaar zijn.

Voedsel thumb|Vraatschade van de larven op de Canarische dadelpalm. Op de afbeelding is ter vergelijking een 1 euromunt te zien. Links en rechts van de munt zijn enkele cocons te zien.

De larve van de kever eet zich een weg door de stam van de plant en wordt gezien als uiterst schadelijk. De larven van de kever moeten nog groeien en nemen grote hoeveelheden voedsel op.

De volwassen kever knaagt aan de bladeren van palmbomen en veroorzaakt zogenaamde zichtschade. De knaagsporen zijn voor de plant niet direct gevaarlijk maar degraderen de decoratieve waarde van de palm. De volwassen kevers kunnen niet meer groeien zoals de larven. Ze zijn hierdoor niet zo vraatzuchtig en hebben met name suikerrijk voedsel nodig om te kunnen vliegen. Ze leven voornamelijk van stuifmeel en nectar van bloemen en wondsappen van bomen. De volwassen kevers voeden zich ook wel met rijp fruit.