Nothronychus is een geslacht van plantenetende theropode dinosauriërs, behorend tot de groep van de Maniraptora, dat tijdens het late Krijt leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika.

Het eerste fossiel van Nothronychus werd in 1998 gevonden. Het geslacht kreeg in 2001 zijn naam, die zoiets als "slome klauw" betekent, toen de typesoort Nothronychus mckinleyi benoemd werd. In 2000 was weer een skelet gevonden dat in 2009 benoemd werd als een tweede soort: Nothronychus graffami. Het is niet helemaal zeker of beide soorten echt direct aan elkaar verwant zijn. Misschien gaat voor N. graffami een apart geslacht benoemd worden. Dat maakt het lastig om een betrouwbaar beeld van Nothronychus te krijgen want het gevonden skelet van N. graffami is veel completer. Het is het meest volledige fossiel dat van de Therizinosauridae bekend is, de engere groep waar Nothronychus een lid van is.

Bij beide soorten gaat het om dieren van ruim vijf meter lang. Ze waren warmbloedig met een primitief verenkleed. Hun korte achterpoten droegen een schuin opgericht lichaam waar een korte staart van afhing. Door die opgerichte lichaamshouding konden ze niet hard wegrennen voor roofsauriërs. Ze verdedigden zich met enorme kromme klauwen aan hun voorpoten. Wel konden ze zo met hun langwerpige hoofd aan het eind van een lange nek hoog in de bomen bladeren afbijten. Die werden door kleine tanden in stukken gesneden, zonder te kauwen ingeslikt en door maagstenen verder vermalen om in de brede buikholte verteerd te worden.

Vondst en naamgeving In 1998 vond paleontoloog James Kirkland op het terrein van rancher Bobby McKinley bij de Haystack Butte in Catron County, New Mexico, resten van de ceratopiër Zuniceratops. Datzelfde jaar nog meldde hij deze in een publicatie. Achteraf viel het hem op dat een schedelkraagbot, een squamosum, dat hij aan Zuniceratops had toegewezen toch wel sterk afwijkend van vorm was. Een nauwkeuriger bestudering van het fossiel materiaal leidde tot de conclusie dat er zich ook botten van een therizinosauriër tussen bevonden en dat het zogenaamde squamosum daarvan een zitbeen uit het bekken was.

In 2001 benoemden en beschreven Kirkland en zijn medeopgraver Douglas Wolfe de typesoort Nothronychus mckinleyi. De geslachtsnaam is afgeleid van het Klassiek Griekse νωθρός, noothros, "zwaar" of "sloom", en ὄνυξ, onyx, "klauw", een verwijzing naar de grote klauwen en vermeende schuifelende gang van het dier. De soortaanduiding eert McKinley voor zijn ondersteuning van de opgraving.

Het holotype, MSM P2106, is gevonden in een laag van de Moreno Hill Formation die dateert uit het Turonien; de laag is ongeveer tweeënnegentig miljoen jaar oud. Het bestaat uit een gedeeltelijk skelet met schedel. Bewaard zijn gebleven: twee schedelfragmenten, de hersenpan, losse tanden, halswervels, een ruggenwervel, een voorste staartwervel, ribben, voorste buikribben, een schouderblad, een rechteropperarmbeen, delen van de ellepijp, middenhandsbeenderen, vingerkootjes, twee zitbeenderen, twee scheenbeenderen, het rechterkuitbeen, middenvoetsbeenderen, teenkootjes en voetklauwen. Kirkland dacht eerst ook handklauwen gevonden te hebben maar dat bleken later voetklauwen te zijn. Latere bestudering van het materiaal heeft tot de herkenning van nog wat elementen geleid, vermoedelijk van hetzelfde individu.

In 2000 vond amateurpaleontoloog Merle Graffam bij Big Water in Utah een teenkootje. Dat jaar en in 2001 groef daarop een team van het Museum of Northern Arizona een skelet op van een therizinosauriër. De vondst werd in 2001 gemeld; in 2009 benoemden en beschreven Lindsay Zanno, David Gillette, Barry Albright en Alan Titus de soort Nothronychus graffami. De soortaanduiding eert Graffam. De naam was al eerder, als ongeldige nomen ex dissertatione, verschenen in een niet-gepubliceerde dissertatie van Zanno.

Het holotype, UMNH VP 16420, is gevonden in een laag van de Tropic Shale, een mariene afzetting uit het vroege Turonien. De vindplaats bevond zich indertijd zo'n honderd kilometer uit de kust, wat veel vragen heeft opgeroepen over de wijze van transport van het kadaver van een landbewonend dier. Wellicht is het opgezwollen door verrottingsgassen zo ver op open zee gedreven. Het bestaat uit een gedeeltelijk skelet zonder schedel. Bewaard zijn gebleven: twee halswervels, negen ruggenwervels, een heiligbeen, drieëntwintig staartwervels, ribben, buikribben, chevrons, het vorkbeen, de schoudergordel, beide bekkenhelften, beide voorpoten en beide achterpoten. De resten zijn tamelijk ineengedrukt maar vertegenwoordigen desalniettemin het meest complete skelet van een therizinosauride dat ooit gevonden is.

In 2018 werden het spierstelsel van kop en nek en in 2018 de onderste hersenpan meer in detail beschreven. In 2021 werd het spierstelsel van de achterpoot beschreven. In 2024 werd het skelet meer in detail beschreven.

Beschrijving left|thumb|Een vergelijking in grootte met een mens

Nothronychus geef ons de meest volledige indruk van hoe meer afgeleide therizinosauriërs gebouwd waren. De nek is langgerekt. De romp is gedrongen en wordt in een vrij opgeheven houding gebracht waarbij langere doornuitsteeksels van de achterste ruggenwervels als hefboom dienen. De buikholte is diep en wordt ondersteund door een breed en hoog bekken; vergroeide buikribben verstevigen de constructie verder. Door de opgerichte lichaamshouding hoeft de staart maar kort te zijn om het torso in evenwicht te brengen — de precieze lengte is overigens onbekend. De voorpoten zijn kort. De bovenarm is zwak gebouwd. De onderarm is kort maar stevig. De hand is kort maar robuust en draagt enorme gekromde klauwen. De achterpoten zijn relatief kort met vooral een korte voet. De eerste teen is verlengd, de voetklauwen niet. thumb|270px|Nothronychus mckinleyi Dit beeld is echter opgebouwd uit een combinatie van eigenschappen van N. mckinley en N. graffami. Of die soorten werkelijk nauw verwant waren, is zeer onzeker. Aan de ene kant is de algemene bouw van de skeletelementen overeenkomend en wijst de nabijheid in plaats en tijd — N. graffami komt uit een laag die misschien maar een half miljoen jaar ouder is — op een vrij directe relatie. Paul suggereerde zelfs dat de tweede soort een jonger synoniem was van de eerste. Aan de andere kant is het directe morfologische bewijs gering. De taxa delen volgens hun oorspronkelijke beschrijvingen slechts één enkele onbetwiste synapomorfie, gemeenzame afgeleide eigenschap: een schouderblad dat naar het uiteinde toe versmalt. Sommige onderzoekers vinden daarom dat voor N. graffami een apart geslacht benoemd moet worden en spreken tot het zover is van een "Nothronychus" graffami.

In 2015 stelde een meer gedetailleerde beschrijving van beide soorten vier gedeelde afgeleide eigenschappen vast. Die hadden alle betrekking op een ander element dat van beide bekend is : het zitbeen. Het uitsteeksel op de voorrand van het zitbeen, de processus obturatorius heeft een opvallend rond profiel. De opening tussen zitbeen en het schaambeen, het foramen obturatum, vormt een grote verticale ovaal, meer dan tweemaal zo hoog als breed. Alleen de bovenste helft van de processus obturatorius is betrokken bij het raakvlak van het zitbeen en het schaambeen onder de opening. Tussen de onderkant van de processus obtoratorius en de schacht van het zitbeen bevindt zich een diepe inkeping.

Nothronychus mckinleyi Nothronychus mckinleyi is een vrij grote therizinosauriër. Gregory S. Paul schatte in 2010 de lichaamslengte op 5,1 meter, het gewicht op 1,2 ton. Het is een tweevoetige warmbloedige planteneter met een primitief verenkleed. left|thumb|Een diagram van het skelet Kirkland gaf een lijst van onderscheidende kenmerken maar die moest later in het licht van verbeterde kennis sterk worden ingekrompen. Er zin twee eigenschappen die echt uniek lijken: een "hiel" op de onderste achterrand van de wervellichamen van de staartwervels en extreme verlenging van de staartwervels, tot driemaal de hoogte. Bij mogelijke andere nieuwe afgeleide eigenschappen kan door het ontbreken van overlappend materiaal de uniciteit niet vastgesteld worden — i.c. een smalle hersenpan — of ze komen ook bij iets minder nauwe verwanten voor zodat het onzeker is of ze wel echt nieuw ontwikkeld zijn: kartelingen die tot onder de insnoering van de tandhals doorlopen (ook bij Alxasaurus); een zijwaarts gericht schoudergewricht (ook bij Segnosaurus); een smalle inkeping achter het foramen obturatorium (ook bij Suzhousaurus). De studie uit 2015 gaf één autapomorfie: de inkeping tussen de processus obturatorius en de schacht van het zitbeen is nauw. Volgend deze studie zou Nothronychus mckinleyi in vier kenmerken van N. graffami afwijken: platte facetten op de achterkanten van de wervellichamen van de dus platycoele staartwervels; de "hiel" op de staartwervels, die daarvan de lengte met een derde verhoogt; een schoudergewricht zonder opstaande rand aan de onderkant; het uitsteeksel op de achterrand van de schacht van het zitbeen steekt daarvan niet duidelijk af en loopt er naar beneden toe ter hoogte van de processus obturatorius geleidelijk in over.

De tanden zijn relatief klein met hoge, vrij symmetrische, afgeplatte, fijn gekartelde kronen die aan de basis sterk ingesnoerd zijn doordat de tandwortel veel smaller is. Er zijn tien vertandingen per vijf millimeter op de voorste snijrand, dertien op de achterste. De kartelingen beslaan de volle lengte van beide snijranden; bij de meeste therizinosauriërs beperken ze zich tot hogere sectoren. De gevonden halswervels waren erg beschadigd wat hun interne luchtkamers blootlegde; ze zijn sterk gepneumatiseerd. Qua vorm zijn ze langgerekt met een rechthoekige doorsnede. Hun doornuitsteeksels zijn vooraan zeer lag maar worden achteraan wat hoger. Een studie uit 2015 concludeerde dat de nekspieren die de kop zijdelings en naar boven bewogen, hoewel op zich goed ontwikkeld, wat in omvang waren afgenomen ten opzichte van de meer kortnekkige voorouders van de soort. De spieren die de nek naar beneden deden buigen bleven echter onverminderd krachtig. De beweging van de nek werd tot stand gebracht door alle halswervels geleidelijk ten opzichte van elkaar te laten afwijken, niet door een sterke buiging in één sector. Zowel de ruggenwervels als startwervels zijn gepneumatiseerd. Het schouderblad is slank en licht gekromd met een lengte van 518 millimeter en heeft voor zoverre uit de afgebroken basis daarvan valt vast te stellen vooraan geen heel sterk ontwikkelde processus acromialis, uitsteeksel boven op het voorblad. Het opperarmbeen is slank met een lengte van 418 millimeter. De deltopectorale kam beslaat 26 % van de schacht, wat weinig is voor een therizinosauride. De ellepijp is 302 millimeter lang en niet zeer robuust. De handklauwen zijn groot en sterk gekromd en missen bovenop een duidelijke lipvormige aanhechting voor de pezen van de strekkende spieren. Aan de onderkant loopt de aanhechting voor de buigende spier niet onder het bovenliggende kootje door. De basis van de grootste klauwen is zo breed dat Kirkland ze eerst voor voetklauwen aanzag.

In het bekken zijn de zitbeenderen zijdelings afgeplat. Aan de voorrand hebben ze een groot uitsteeksel, de processus obturatorius dat vermoedelijk het schaambeen raakte. Tegenover een lengte van 534 millimeter ontstaat zo een aanzienlijke breedte van 225 millimeter. Het zitbeen heeft een langgerekt raakvlak met zowel schaambeen als darmbeen en levert maar een kleine bijdrage aan de rand van het heupgewricht. Het scheenbeen is recht en tamelijk robuust.

Nothronychus graffami Grootte en onderscheidende kenmerken thumb|390px|Een skeletreconstructie van Nothronychus graffami Het holotype van Nothronychus graffami is wat groter dan dat van Nothronychus mckinleyi. De meeste elementen zijn een paar procent langer; het scheenbeen echter zo'n tien procent.