thumb|Ligging van Elzas-Lotharingen in het Duitse Keizerrijk thumb|De Frans-Duitse grens bij Foussemagne nabij Belfort 1871-1918 Elzas-Lotharingen (Duits: Elsaß-Lothringen, Frans: Alsace-Lorraine of Alsace-Moselle) is een gebied in het oosten van het huidige Frankrijk. Het bestaat historisch uit de Elzas en het noordelijke deel van Lotharingen dat overeenkomt met de huidige departement Moselle.
Het gebied maakte vanaf de middeleeuwen eeuwenlang deel uit van het Heilige Roomse Rijk van de Duitse Natie, totdat het in de 17e eeuw bij het koninkrijk Frankrijk werd gevoegd. Van 1871 tot 1919 behoorde het tot het Duitse Keizerrijk, waarna het tijdens het interbellum opnieuw Frans werd. Van 1940 tot 1945 was Elzas-Lotharingen door nazi-Duitsland bezet, waarna het uiteindelijk definitief Frans werd.
De benaming Elzas-Lotharingen is wat verwarrend, omdat het grootste deel van Lotharingen, de Franse departementen Meurthe-et-Moselle, Meuse en Vosges, er vanaf 1871 niet toe behoorde. Alleen het Franse departement Moselle was tussen 1870 en 1919 als "Lothringen" deel van het Duitse Reichsland Elsaß-Lothringen. Daarom duidt de Franse overheid de drie departementen, die nog altijd een bijzonder statuut hebben, liever aan als Alsace-Moselle. Formeel werd het gebruik van de naam "Alsace-Lorraine" in 1920, na de wederinlijving bij Frankrijk, eerst nog verboden.
Taal en godsdienst De volkstelling van 1910 telde de volgende groepenElsaß-Lothringen, Verwaltungsgeschichte:
Moedertaal Duits: 1.492.347 (86,8 %) (in de Elzas 94,6 %, in Lotharingen 73,5 %) Andere taal: 219.638 (12,8 %), waarvan: Frans: 198.318 (11,5 %, met name in Metz en in het aansluitende zuidwestelijke deel van Lotharingen) Italiaans: 18.750 (1,1 %) met name in het Lotharingse mijngebied Pools: 1.410 (0,1 %) met name in het Lotharingse mijngebied Duits en tevens een andere taal: 7.485 (0,4 %)
In 1936 sprak nog een grote meerderheid van bijna 70 % Duits(e dialecten), maar kende ook al ca. 65 % Frans. In 1960 waren deze percentages, na de radicale verfransing, ca. 50 % en bijna 85 %. Sindsdien is de Duitstaligheid, de Duitse dialecten inbegrepen, onder de helft gezakt.
Godsdienst in de Elzas in 1910 Kerkelijke confessie: rooms-katholiek: 1.310.450 (76,21 %) protestants: 372.078 (21,64 %), vooral luthers, daarnaast calvinistisch en doopsgezind (mennonitisch) andere christenen: 4.416 (0,26 %) jodendom: 32.264 (1,88 %) geen opgave: 262 (0,02 %)
Geschiedenis Voorgeschiedenis Het gebied van het latere Elzas-Lotharingen werd bij de definitieve opdeling van het vroegere Frankische Rijk van Karel de Grote (Verdrag van Verdun, 843) als deel van het Middenrijk toegewezen aan Karels kleinzoon Lotharius I. Na Lotharius' dood werd het Middenrijk nog verder opgedeeld onder diens zoons, waarbij Lotharius II het naar hem vernoemde Koninkrijk Lotharingen ontving, dat ongeveer de Nederlanden, de Elzas en het huidige Lotharingen besloeg. Zie verder de geschiedenis van de twee afzonderlijke gebieden. De Elzas en Lotharingen waren tot in de 18de eeuw onderdeel van het, overigens zeer pluriforme, Duitse Rijk, voluit: het Heilige Roomse Rijk van de Duitse Natie. Cultureel waren deze gebieden geheel geïntegreerd in het Duitse Rijngebied. Franse invloed was er marginaal en de Vogezen vormden een grote taal- en cultuurbarrière met het westen. Kerkelijk vielen de gebieden onder de aartsbisdommen Trier en Mainz. Straatsburg was een van de voornaamste culturele centra van het Duitse Rijk: universiteitsstad en centrum van kerkelijke Hervorming en van Duitstalige en Latijnse boekdrukkunst. Het wereldlijk bestuur was uiterst verbrokkeld over een tiental autonome Duitse rijkssteden, Duits-koninklijke domeinen, bisschops- en kloosterdomeinen, en veel kleine graafschappen en ridderlijke heerlijkheden. In de zuidelijke Elzas ontstond in het graafschap Sundgau de eerste aanzet tot het rijk van de Habsburgers, die in de 16de eeuw het Duitse keizerschap zouden verwerven. De lutherse hervorming schoot wortel in het noorden van de Elzas. In Straatsburg en Mühlhausen-Mulhouse trad een groot deel van de burgerij toe tot het calvinisme en het daaraan verwante Zwitserse zwinglianisme.
De Franse koningen probeerden na de middeleeuwen de Duitse gebieden ten westen van de Rijn in hun bezit te krijgen en aldus de Rijn tot grensrivier te maken. Na 1600 begon dit streven haar vruchten af te werpen: in zijn expansiestreven naar de Rijn slaagde de Franse koning erin om geleidelijk steeds meer graafschappen en heerlijkheden onder zijn gezag te brengen. Nadat Straatsburg in 1648 Frans was geworden en de status van Duitse rijksstad verloor, vielen in de loop van de volgende eeuw ook de meeste overige heerlijkheden en steden aan Frankrijk toe. Sindsdien oriënteerde de Elzas, en vooral de stedelijke burgerij, zich steeds meer op Parijs en de Franse cultuur. De plattelandsbevolking werd hierdoor nauwelijks beïnvloed. Lotharingen volgde in de geschiedenis een eigen weg. In 1644 werd het grotendeels veroverd en bezet door Frankrijk, dat overigens al vanaf 1552 aanspraken op het gebied had doen gelden en deze met tijdelijke militaire bezettingen kracht bijzette. De halve eeuw na 1644 bracht verwoesting en ontvolking. Tot 1713 bestreden de Franse koning en de Lotharingse hertog (als Duitse Rijksvorst) elkaar, totdat de Franse koning Lodewijk XV zijn aanspraken op de troon van Polen, die hem betwist werden door de Duitse keizer Karel VI, terugtrok. Maar dat onder voorwaarde dat zijn Poolse schoonvader de hertog van het (nog steeds Duitse) hertogdom Lotharingen zou worden. Via deze constructie kon Frankrijk steeds meer zeggenschap aan zich trekken en in 1766 het hertogdom Lotharingen annexeren.
Na de Franse Revolutie werd de centralisatie van de Franse republiek ook in de Elzas en in Lotharingen verder doorgevoerd, hoewel Napoleon dat verzachtte in een concordaat met Rome, dat autonome rechten waarborgde, met name die van de Kerk en in het onderwijs. Frans was sinds het begin van de revolutie al de enige taal van het openbaar bestuur. Maar in de praktijk bleef Duits onmisbaar en pas vanaf 1853 was het zover dat het Duits, c.q. het dialect langzaamaan kon worden afgeschaft in het openbaar bestuur en het lager onderwijs. Onder herhaaldelijk protest, vooral van de dorpsgeestelijkheid, werd het aantal lesuren Duits steeds verder teruggebracht. Om dat te regelen werd het kerkelijk toezicht op de lagere scholen teruggedrongen. De ouders kwamen vooral en met succes in verzet toen het godsdienstonderwijs niet meer in het Duits mocht worden gegeven. In het middelbaar onderwijs bleef het Duits tweede taal en soms ook onderwijstaal, zoals in de lutherse instellingen. Niettemin was de verfransing in het lager onderwijs nog lange tijd weinig effectief wat mag blijken uit het feit dat slechts één op de tien rekruten in de laatste lichting voor het Franse leger (1869) bij de keuring voldoende Franstalig werd bevonden.
Onder het nieuwe Duitse Keizerrijk miniatuur|Grenzen zoals vastgesteld in bij de Vrede van Frankfurt, de groene gebieden werden geruild voor Belfort Frankrijk moest na de Frans-Duitse Oorlog, bij de Vrede van Frankfurt (mei 1871), de Elzas (de departementen Bas-Rhin en Haut-Rhin, behalve Belfort, plus een aangrenzend stukje van het departement Vosges), en niet geheel, maar wel het noordelijke deel van Lotharingen (de toenmalige departementen Moselle en Meurthe), aan het nieuwe Duitse Keizerrijk afstaan. Dit zogenaamde "Reichsland Elsaß-Lothringen" werd geen Duitse bondsstaat met een eigen constitutie, maar stond onder direct gezag van het Rijk en werd als bezet gebied vanuit Berlijn bestuurd. In Frankrijk bestond weerzin tegen de annexatie, die in één klap het eeuwenlange streven van de Franse koningen om Frankrijk tot aan de Rijn uit te breiden ongedaan had gemaakt. Deze vernedering gaf voeding aan decennialange revanchegedachten: dit 'onrecht' zou vroeg of laat ongedaan gemaakt moeten worden. Dit Franse revanchisme zou op zijn beurt weer bijdragen aan het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.
Overigens was er ook onder de Elzas-Lotharinger bevolking zelf aanvankelijk weinig enthousiasme voor een aansluiting bij het nieuwe Duitsland. De protestanten schikten zich het meest in de nieuwe situatie. De burgerlijke en aristocratische elite bood het meeste verzet. Zij had zich gedurende de Franse overheersing, inmiddels enkele honderden jaren, grotendeels op Parijs georiënteerd en was ook grotendeels tweetalig geworden: onderling sprak de elite Frans, dat werd gezien als de taal van verfijnde beschaving en cultuur, terwijl het Duits door de elite als de taal van het 'onbeschaafde volk', de boeren en arbeiders, werd gezien. De eenvoudige plattelands- en stadsbevolking sprak geen Hoogduits, maar daarvan aanzienlijk afwijkende plaatselijke Elzassische dialecten. Het deel van de bevolking dat protesteerde tegen de annexatie bij zowel de Franse als de Duitse regering was aanzienlijk. Velen wezen het Duitse staatsburgerschap af. 40.000 inwoners van het geannexeerde gebied waren over de nieuwe grenzen naar Frankrijk gevlucht, en 12,5 % van de inwoners – ruim 160.000 zogenaamde optanten – weigerde het Duitse staatsburgerschap te aanvaarden. In Haut-Rhin (Oberelsaß) iets meer dan 20 %, maar elders steeg het aantal niet boven de 10 %. De motieven waren cultureel en nationaal besef, economische binding en persoonlijke belangen (waaronder dienstplichtigheid). Van deze zogenaamde optanten vertrokken er vóór 1872 al 50.000 naar Frankrijk, waaronder vooral ook Franse ambtenaren die niet in dienst van het nieuwe Duitse keizerrijk konden treden. Daarnaast vertrokken industriëlen met hun bedrijf, als hun afzetgebied in Frankrijk lag. Opvallend was het hoge aantal Joden onder de emigranten. Nog vele jaren zou de emigratiestroom aanhouden, vooral van jongelieden die op deze wijze de dienstplicht in het Duitse leger wilden ontgaan. Aan het einde van de Duitse periode zouden ruim 200.000 Elzassers in Frankrijk leven.
De constitutie van het Duitse Rijk werd in 1874 ook in Elzas-Lotharingen ingevoerd. Het Duits werd de verplichte taal in bestuur en onderwijs en voor het gerecht, maar voor het gebruik van het Frans bleven nog lange tijd dispensaties bestaan in Franstalige gemeenten. Tot 1914 bleven meer dan 300 gemeenten, vooral in het Franstalige deel van Lotharingen, in feite tweetalig bestuurd. De pers werd vrijgelaten in haar taalgebruik en een vijfde van de kranten en tijdschriften kon ten minste voor een deel in het Frans blijven verschijnen. Hoewel het gebied rechtstreeks door Berlijn werd bestuurd, werd de verduitsing naar verhouding mild, hoewel met toenemend beperkende regelgeving, doorgevoerd om geen al te grote weerstand op te roepen. In 1877 kreeg het gebied als Reichsland beperkte autonome wetgevende bevoegdheid en daarvoor werd een Landesausschuss (gewestelijk raadgevend orgaan) ingesteld onder de stadhouder als vertegenwoordiger van de rijkskanselier.
Het verzet tegen de Duitse overheersing bleef, maar zwakte af toen Elzas-Lotharingen ten volle ging profiteren van de economische opbloei van het nieuwe Duitse Rijk. De politieke, ten dele ook religieuze, tegenstellingen waren groot.