thumb|260px|Scipionyx samniticus Scipionyx samniticus is een vleesetende theropode dinosauriër, behorend tot de groep van de Coelurosauria, die tijdens het vroege Krijt, ongeveer 110 miljoen jaar geleden, leefde in het gebied van het huidige Italië.
Het fossiel van Scipionyx is in 1981 gevonden door een amateurpaleontoloog die de vondst pas in 1993 bij de autoriteiten inleverde. Het geslacht kreeg in 1998 zijn naam, die "Scipio's klauw" betekent, toen de typesoort Scipionyx samniticus benoemd werd. De bekendmaking van Scipionyx in de jaren negentig was uiterst opzienbarend: het ging om een zeer jong dier waarbij, uniek voor een dinosauriërfossiel, grote resten van de spieren en ingewanden bewaard waren gebleven. Het is daarmee een van de belangrijkste ontdekkingen binnen de studie naar dinosauriërs.
Omdat het exemplaar zo jong is, misschien maar drie dagen oud en een halve meter lang, wordt het lastig aan te geven hoe het er als een volwassen dier uitzag. Het zal dan ongeveer anderhalf à twee meter lang geweest zijn. Het liep op zijn lange achterpoten waarbij de horizontale romp in evenwicht gehouden werd door een lange staart. Met de geklauwde kortere voorpoten en de kop werden kleine prooien gegrepen. Bij het fossiel zijn verschillende verteerde resten van hagedissen en vissen in de ingewanden gevonden. Bij het exemplaar zijn geen schubben of veren aangetroffen. Men vermoedt echter dat Scipionyx, net als sommige van zijn directe verwanten in de Compsognathidae, een primitief verenkleed bezat en warmbloedig was.
Vondst en naamgeving In het voorjaar van 1981 vond de Italiaanse amateurpaleontoloog Giovanni Todesco, een vierendertigjarige schoenmaker uit San Giovanni Ilarione bij Verona, tijdens een uitstapje met vrouw en vrienden in de Le Cavere-steengroeve aan de rand van het dorpje Pietroroja in de Apennijnen, zeventig kilometer ten noordoosten van Napels, in een laag van de daar aanwezige Plattenkalk ofwel de Calcari di Ittioliti di Pietraroja, een klein fossiel, een kalkplaat waarop een skelet zichtbaar was. Todesco dacht dat het misschien van een oervogel was. Dergelijke vondsten zijn in Italië automatisch eigendom van de Staat maar Todesco besloot het fossiel niet te melden. In plaats daarvan prepareerde hij het zelf in de kelder van zijn huis met behulp van wat beitels en spijkers. Blootgelegde botten bedekte hij met een ruime hoeveelheid vinyllijm wat het al snel zeer lastig maakte de verwijdering van het omvattende kalkgesteente voort te zetten, temeer daar hij puur op het blote oog werkte, zonder enig optisch instrument. Omdat de kalkplaat uit elkaar dreigde te vallen, verstevigde hij die door met kit ondersteunende platen aan de randen te bevestigen. De staart van het skelet was voor een deel afwezig en daarom vulde hij die aan met een, overigens nog steeds te korte, nepstaart van gekleurde polyesterhars. Niet tevreden over het resultaat van zijn inspanningen nodigde Todesco in het voorjaar van 1993 paleontoloog Giorgio Teruzzi van het Museo di Scienze Naturali di Milano uit naar zijn huis om wat hij il cagnolino ("puppy") noemde naar zijn scherpe tandjes, te bekijken. In de Italiaanse pers is later het verhaal opgedoken dat Todesco hiertoe bewogen zou zijn door het zien van de film Jurassic Park maar die rolprent kwam pas in de zomer van dat jaar uit. Teruzzi identificeerde het fossiel als het jong van een dinosauriër en gaf het een tweede bijnaam: Ambrogio naar de patroonheilige van Milaan, Sint Ambrosius. Omdat hijzelf geen expert was op het gebied van dinosauriërs riep hij een van de weinige Italiaanse paleontologen erbij die wel ervaring had op dat terrein, de priester Giuseppe Leonardi. Franco Capone, wetenschapsjournalist van het nieuwsblad Oggi en voormalig persagent van het museum, wist Todesco ervan te overtuigen vrijwillig van de vondst afstand te doen teneinde een strafvervolging te voorkomen. Todesco persoonlijk overhandigde toen op 15 oktober 1993 het specimen, waarvan de waarde later op tweeënhalf miljoen euro geschat is, verpakt in een slaapzak aan de archeologische intendance in Napels. De vondst werd hierop toegevoegd aan de staatscollectie van het Soprintendenza per i Beni Archeologici di Salerno, Avellino, Benevento e Caserta waartoe het nog steeds officieel behoort; vanaf 19 april 2002 wordt het fossiel in een eigen zaal tentoongesteld door het Museo Archeologico di Benevento dat het in bruikleen heeft van de Staat. Deze situatie is politiek niet onomstreden; verschillende parlementsleden van Il Popolo della Libertà, waaronder in 2013 Nicola Formichella, hebben ervoor gepleit dat het fossiel terugkeert naar Pietroroja om daar getoond te worden in het gebouw van het er inmiddels opgetrokken Paleolab. Het bezwaar van een geringere toegankelijkheid in het afgelegen bergdorp wilde hij ondervangen door het plaatsen van een speciale webcam zodat de hele wereld via internet het stuk kon observeren. thumb|390px|Pietroroja vanuit het zuidoosten; de kale helling net boven het dorp is de verweerde Plattenkalk met direct aan de dorpsrand de La Cavere-groeve In 1993 werd de ontdekking door Teruzzi en Leonardi gemeld. Dit zorgde voor enige publiciteit: het fossiel was de eerste dinosauriër die in Italië gevonden was. Het blad Oggi dat de journalistieke primeur had, gaf hierbij het jong de bijnaam Ciro ("Cyrus"), een typische Napolitaanse jongensnaam, een idee van hoofdredacteur Pino Aprile. Ook liet het blad een model op ware grootte maken, een werk van Silvo Tassinari en Lorenzo Baides. In 1994 kreeg het museum de vergunning het fossiel verder te prepareren; hetzelfde jaar publiceerde Leonardi een uitgebreider artikel over de vondst. In 1995 beschreef Marco Signore de vondst in zijn dissertatie. Hierin gaf hij de soort de naam "Dromaeodaimon irene" die als ongepubliceerde nomen ex dissertatione echter nog niet geldig was. Toen was de preparatie door Sergio Rampinelli, die vanaf begin 1994 gedurende driehonderd uur in Salerno de resten verder blootlegde, nog niet voltooid. Het vinyl en de nepstaart werden verwijderd en de botten dieper blootgelegd waarna ze bedekt werden met de kunsthars Paraloid B72. Het nieuwe onderzoek toonde aan dat het fossiel verbluffend goed geconserveerd was: een belangrijk deel van de ingewanden was bewaard gebleven. Daarom werd ervan afgezien de beenderen met een zuurbad verder vrij te leggen: dat zou de kwetsbare resten van de weke delen vernietigd hebben. left|thumb|Dal Sasso met een afgietsel van het holotype in 2012 In 1998 benoemden en beschreven Signore en Cristiano dal Sasso de soort in een artikel in het prestigieuze blad Nature. De naam "Dromaeodaimon" bleek verlaten; men koos nu, na als alternatieven "Italosaurus", "Italoraptor" en "Microraptor" overwogen te hebben, voor de soortnaam Scipionyx samniticus. De geslachtsnaam verbindt een verwijzing naar zowel de grote geoloog Scipione Breislak die de stratigrafie van het vondstgebied voor het eerst vastlegde, als naar de Romeinse consul Publius Cornelius Scipio Africanus maior, met een Klassiek Grieks ὄνυξ, onyx, "klauw". De soortaanduiding verwijst naar Samnium, die naam voor het gebied in de klassieke oudheid. De beschrijvers hebben later aanbevolen de naam op zijn Italiaans uit te spreken, dus als "Sjiepieónix", in reactie op de gangbare Engelse uitspraak "Siepájonix". Overigens heeft het dier ook nog een Amerikaanse bijnaam, al zijn vierde: paleontoloog Thomas Holtz noemde hem Skippy the Dinosaur. Pas in 1998 werd Scipionyx in Italië echt een beroemdheid. De grote publiciteit pakte voor Todesco niet zo gunstig uit: in 1999 werd zijn hele fossielenverzameling in beslag genomen en hij werd alsnog vervolgd wegens verduistering van oudheden. In 2004 kreeg hij echter van de rechtbank ontslag van rechtsvervolging; aangezien niet bewezen kon worden dat hij het belang van de vondst meteen had ingezien, achtte men het doorslaggevend dat hij het fossiel uiteindelijk vrijwillig had ingeleverd.
Het fossiel, holotype SBA-SA 163760, is gevonden in een mariene afzetting die nog niet formeel benoemd is maar dateert uit het onderste Albien, ongeveer 110 miljoen jaar oud. Het bestaat uit een in verband liggende gedeeltelijk skelet met schedel en onderkaken van een zeer jong dier, platgedrukt op een enkele plaat. Alleen het uiteinde van de staart vanaf de tiende wervel, de onderkant van de achterpoten en de tweede rechterhandklauw ontbreken — vermoedelijk alleen maar doordat Todesco de steenplaat niet zorgvuldig genoeg geborgen heeft. Van de weke delen zijn de luchtpijp, de lever, het darmkanaal, bloedvaten, verschillende spiergroepen, bindweefsel, pezen, kraakbeenelementen en hoornschachten aanwezig, ofwel versteend of in de vorm van omzettingsresten. In de endeldarm is nog feces aanwezig met daarin de verteerde resten van een maaltijd. Resten of afdrukken van de huid en van mogelijke schubben of veren zijn niet ontdekt. Hoe het fossiel zo goed geconserveerd kon worden, is nog onduidelijk. De twee belangrijkste hypothesen zijn dat het karkas of in een lagune afzonk of in een wat diepere modderlaag in open zee, in beide gevallen in zuurstofloos of anoxisch water dat de normale verrotting voorkwam.
De beschrijving uit 1998 was wat summier omdat Nature grote beperkingen stelt aan de lengte van een artikel; daarbij was het fossiel nog niet met alle moderne middelen onderzocht die het uitzonderlijke belang ervan rechtvaardigde. Daartoe werd het fossiel tussen december 2005 en oktober 2008 van Benevento naar het natuurhistorisch museum van Milaan overgebracht. In 2011 verscheen een uitgebreide monografie die Scipionyx tot de meest grondig beschreven dinosauriër ooit maakte.
Beschrijving Algemene bouw en grootte thumb|270px|Een volwassen scipionyx, een ei en een net uitgekomen jong van vijfendertig centimeter lang vergeleken met een mens Het is lastig een beschrijving van de soort als zodanig te geven daar de vondst een zeer jong dier betreft dat hoogstens enkele weken oud kan zijn geweest toen het stierf. Tijdens de groei zouden vele details en de algemene proporties zich ongetwijfeld nog sterk gewijzigd hebben. Als theropode is Scipionyx een tweevoeter met een horizontale romp, in evenwicht gehouden door een lange staart. Vermoedelijk had het volwassen dier een relatief lange nek want die is bij het fossiel al langgerekt en dit zou tijdens de rijping denkelijk nog toenemen. De voorpoten zijn ook lang en hiervoor zou het omgekeerde kunnen gelden, hoewel het er meer op lijkt dat een relatief grote armlengte toch typerend is voor het taxon. De achterpoten zijn relatief langgerekt en de kop groot; tijdens de groei zouden die vermoedelijk proportioneel kleiner worden. De romp zou daardoor in relatieve grootte toenemen. Het is waarschijnlijk dat Scipionyx een primitief verenkleed had, zowel tijdens zijn jeugd als gedurende zijn volwassenheid want zo'n lichaamsbedekking was vermoedelijk de normale toestand van de coelurosauriërs waartoe hij behoorde.