Struthiomimus is een geslacht van uitgestorven theropode dinosauriërs, behorend tot de groep van de Maniraptoriformes, dat tijdens het Laat-Krijt leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika.

Het eerste fossiel van Struthiomimus werd in 1901 gevonden en ondergebracht bij Ornithomimus. Het geslacht kreeg in 1916 zijn naam, die 'nabootser van de struisvogel' betekent, toen de typesoort Ornithomimus altus hernoemd werd tot een Struthiomimus altus. Daarna werden er nog eens acht soorten benoemd maar van de meeste daarvan wordt tegenwoordig begrepen dat het om andere geslachten gaat. Een uitzondering is misschien Struthiomimus sedens. Van Struthiomimus altus zijn vrij volledige skeletten gevonden zodat de wetenschappers een goed beeld kregen van hoe het dier eruitzag.

Struthiomimus was ongeveer vier meter lang en honderdvijftig kilogram zwaar. Het was een snelle warmbloedige tweevoeter met een primitief verenkleed. Struthiomimus had een korte tandeloze kop, een lange nek, een lange staart en langgerekte voorpoten en achterpoten. Hij onderscheidde zich van andere Ornithomimidae door een elegante bouw en een hand die een groter deel uitmaakte van de armlengte. De lange geklauwde handen werkten als haken waarmee planten naar de kop werden getrokken, waarna een scherpe snavel er stukken van afbeet die heel werden ingeslikt en in de maag door maagstenen verder vermalen. Met zijn lange achterpoten kon Struthiomimus erg hard rennen en zo ontvluchten aan roofsauriërs als Gorgosaurus.

Vondst en naamgeving Struthiomimus altus en de acht overige soorten In 1902 benoemde Lawrence Lambe een fossiel in 1901 bij de Berry Creek nabij de Red Deer River gevonden in lagen van de Dinosaur Park Formation daterend uit het Laat-Campanien van Alberta, Canada, holotype CMN 930, bestaande uit een stel achterpoten met bijbehorend bekken, als een soort van Ornithomimus: Ornithomimus altus. De soortaanduiding betekent 'de hoge' in het Latijn. Lambe bracht behalve de achterpoten allerlei ongelijksoortig materiaal bij het specimen onder waaronder botten van Dromiceiomimus samueli, Daspletosaurus en Troodon. In 1916 bracht Henry Fairfield Osborn de zaak wat op orde in een herbeschrijving en bij die gelegenheid werden de achterpoten hernoemd tot een apart tweede ornithomimidegeslacht: Struthiomimus met als nieuwe combinatie voor de typesoort Ornithomimus altus: Struthiomimus altus. De geslachtsnaam is afgeleid van het Klassiek Griekse στρούθειος, stroutheios, 'van een struisvogel', en μῖμος, mimos, 'nabootser', omdat Osborn het dier op een struisvogel vond lijken. Vaak wordt een verband gelegd met het Grieks στρούθειον, stroutheion, maar dat betekent 'kweepeer'. links|thumb|310px|AMNH 5339, het genoholotype links|thumb|310px|Afgietsel in het Royal Tyrrell Museum Osborn wees nog twee andere specimina aan de soort toe: AMNH 5339 gevonden in 1914 door Barnum Brown en AMNH 5355, twee gedeeltelijke skeletten. Hij compliceerde de zaak nogal door daarbij het verreweg compleetste specimen, AMNH 5339, als genoholotype aan te wijzen en te aarzelen of Struthiomimus een vol genus was of slechts een subgenus van Ornithomimus.

De hoofdreden voor Osborn om een apart (onder)geslacht te benoemen, was dat hij dacht dat Struthiomimus een vijfde middenvoetsbeen bewaarde dat Ornithomimus verloren zou zijn. In feite hebben beide vormen nog een vijfde metatarsale. Osborn hernoemde in 1916 daarom Ornithomimus tenuis Marsh 1890 tot een tweede soort van Struthiomimus: Struthiomimus tenuis. Het gaat hier echter om tyrannosauroïde resten.

In 1926 benoemde William Arthur Parks een Struthiomimus brevetertius en in 1928 een Struthiomimus samueli, nog steeds met het vijfde middenvoetsbeen als criterium. In 1930 zouden die soorten ondergebracht worden bij Ornithomimus en in 1972 bij Dromiceiomimus. In 1933 benoemde Parks een Struthiomimus currellii en een Struthiomimus ingens. In een herziening van de systematiek van de ornithomimiden uit 1972 bestempelde Dale Russell beide laatste soorten als synoniemen van Dromiceiomimus brevitertius. Hij erkende echter Struthiomimus altus als een geldige soort en wees er verschillende specimina aan toe: AMNH 5375, AMNH 5385, AMNH 5421, CMN 8897, CMN 8902 en ROM 1790, alle gedeeltelijke skeletten. Russell maakte van Struthiomimus ook eenduidig een vol geslacht in plaats van een mogelijk subgenus.

In 1997 vermeldde Donald Glut Ornithomimus lonzeensis in zijn dinosauriërencyclopedie als een Struthiomimus lonzeensis. Vermoedelijk gaat het hier om een eenvoudige vergissing.

In 2001 hernoemde James Orville Farlow Ornithomimus sedens tot een Struthiomimus sedens aangezien deze soort sterk op Struthiomimus lijkt. Sommige onderzoekers hebben dit gevolgd. Het probleem is echter dat de typesoort O. velox wellicht evenzeer op Struthiomimus lijkt. Het is al gesuggereerd de soort O. sedens een apart geslacht te geven.

In 2010 hernoemde Gregory S. Paul Ornithomimus edmontonicus tot een Struthiomimus edmontonicus omdat hij het aantal geslachten wilde terugbrengen en Struthiomimus een juister beschrijvend karakter vond hebben. Hij is hierin niet door andere onderzoekers gevolgd. De enige soort waarover dus alle onderzoekers het eens dat het een soort van Struthiomimus betreft, is zo de oorspronkelijke Struthiomimus altus.

Sinds 1972 zijn ook enkele nieuwe exemplaren van Struthiomimus altus gevonden. Deze omvatten: UCMZ 1980.1, een gedeeltelijk skelet zonder schedel; RTMP 81.16.264, een staartuiteinde en RTMP 93.109.43, een handklauw. Bij elkaar zijn nu de meeste skeletelementen bekend, hoewel de kwaliteit van de fossielen niet altijd even goed is.

Uit de Horseshoe Canyon Formation van het vroehge Maastrichtien van Alberta is een specimen bekend, AMNH 5257, een gedeeltelijk skelet zonder schedel, dat door Osborn onder voorbehoud aan S. altus was toegewezen maar dat tegenwoordig geacht wordt een aparte soort te vertegenwoordigen. Die soort is nog niet benoemd en voorlopig wordt naar het taxon verwezen als een Struthiomimus sp. Uit dezelfde formatie is later ook specimen RTMP 90.26.1 opgegraven, een gedeeltelijk skelet met schedel dat wellicht tot dezelfde soort behoort.

In 2016 werd ROM 1790 benoemd als het aparte geslacht Rativates.

Soortenlijst Het proces van naamgeving kan worden samengevat in de volgende soortenlijst: Struthiomimus altus (Lambe 1902) Osborn 1916: valide typesoort van het geslacht Struthiomimus, = Ornithomimus altus Lambe 1902 Struthiomimus tenuis (Marsh 1890) Osborn 1916: nomen dubium, non Struthiomimus, = Ornithomimus tenuis Marsh 1890, non Ornithomimus Struthiomimus brevetertius Parks 1926: vermoedelijk non Struthiomimus, = Ornithomimus brevitertius (Parks 1926) Russell 1930, vermoedelijk non Ornithomimus, = Dromiceiomimus brevitertius (Parks 1926) Russell 1972 Struthiomimus samueli Parks 1928: vermoedelijk non Struthiomimus, = Ornithomimus samueli (Parks 1928) Russell 1930: vermoedelijk non Ornithomimus, = Dromiceiomimus samueli (Parks 1928) Russell 1972 Struthiomimus currellii Parks 1933: jonger synoniem van Dromiceiomimus brevitertius, = Ornithomimus currellii (Parks 1933) Russell & Chamney 1967 Struthiomimus ingens Parks 1933: jonger synoniem van Dromiceiomimus brevitertius, = Ornithomimus ingens (Parks 1933) Russell & Chamney 1967 Struthiomimus lonzeensis (Dollo 1903) Glut 1997: lapsus calami, non Struthiomimus, = Megalosaurus lonzeensis Dollo 1903, non Megalosaurus, = Ornithomimus lonzeensis (Dollo 1903) Kuhn 1965, non Ornithomimus Struthiomimus sedens (Marsh 1892) Farlow 2001: valide soort, misschien non Struthiomimus, = Ornithomimus sedens Marsh 1892 Struthiomimus edmontonicus (Sternberg 1933) Paul 2010: valide soort, non Struthiomimus, jonger synoniem van Dromiceiomimus brevitertius, = Ornithomimus edmontonicus Sternberg 1933, = Ornithomimus edmontonensis Sternberg 1933 per Russell 1964

Beschrijving Algemene bouw en grootte thumb|Sruthiomimus in grootte vergeleken met een mens. Struthiomimus is de klassieke ornithomimide, de soort die het beeld dat van deze groep bestaat grotendeels gevormd heeft. Hij heeft de vogelachtige elegantie van de struisvogel waarnaar hij vernoemd is en is zelfs sierlijker gebouwd met lange nek, kleine kop en goed geproportioneerde middellange rug, voorpoten, achterpoten en staart. Eigenlijk is Struthiomimus geen heel goed voorbeeld van een ornithomimide want de meeste verwanten zijn schonkiger en lomper gebouwd met veel onevenwichtiger proporties. Wel delen allen de typische ornithomimide eigenschappen van lange voorpoten met lange handen, het lopen op lange achterpoten, smalle nek, en het bezit van een kleine langwerpige tandeloze schedel met snavel. Alle theropoden houden hun rug horizontaal; het was echter pas door de vondst van AMNH 5339 dat Osborn deze houding goed begreep: hij liet in 1916 Struthiomimus afbeelden met de staart hoog in de lucht om de romp in evenwicht te brengen, iets wat in veel latere illustraties nagebootst zou worden. Pas in de jaren zeventig zou het gebruikelijk worden ook de andere basale theropoden zo weer te geven. Struthiomimus was warmbloedig en bezat vermoedelijk een primitief verenkleed.

Gregory S. Paul schatte in 2010 de volwassen lichaamslengte van Struthiomimus altus op vier meter, het gewicht op honderdvijftig kilogram. Zijn schatting van Struthiomimus sp. is exact dezelfde.

Onderscheidende kenmerken thumb|"Struthiomimus altus" door John Conway.

Verschillende wetenschappers hebben getracht de kenmerken waarin Struthiomimus zich van zijn verwanten onderscheidt exact vast te stellen teneinde te rechtvaardigen dat de soort als een apart taxon erkend wordt. Dale Russell poogde in 1972 vooral een afscheiding ten opzichte van Ornithomimus en Dromiceiomimus te bepalen. De proportionele kenmerken van ledematen en wervelkolom die hij daarvoor aanvoerde, bleken echter na hernieuwd onderzoek grotendeels niet houdbaar te zijn. Daarbij komt nog dat alle eigenschappen die overblijven zogenaamde symplesiomorfieën zijn, dat wil zeggen dat daarin Struthiomimus weliswaar van Ornithomimus of Dromiceiomimus verschilt maar overeenkomt met meer basale ornithomimiden zodat ze niet kunnen dienen als autapomorfie, nieuwe afgeleide eigenschap. Dat geldt onder andere voor: de robuuste voorpoot, de meer gekromde handklauwen, de langere rug, de brede achterkant van de voorste staartwervels, een overgang tussen de voorste en achterste staart die achter de veertiende wervel ligt, een eerste middenhandsbeen dat korter is dan het tweede, een eerste handklauw die langer is dan de tweede, en een derde handklauw die langer is dan het derde kootje van de derde vinger. Dit zijn dus veel voorkomende kenmerken onder de ornithomimiden als geheel die ontbreken bij Ornithomimus of Dromiceiomimus maar daarmee Struthiomimus nog niet strikt typeren. Hetzelfde geldt voor een aantal eigenschappen die Nicholas Longrich in 2008 aangaf: een korte schedel, een bolle bovenkaaklijn, een kort raakvlak tussen het voorhoofdsbeen en het postorbitale, een vlakke bovenkant van de achterste staartwervels en brede voetklauwen met een langgerekt uitsteeksel op de achterste bovenkant.

Toch lukte het Longrich ook echte autapomorfieën van Struthiomimus altus vast te stellen: een voorhoofdsbeen dat in bovenaanzicht een volledig bolle bovenrand van de oogkas vormt; voorhoofdsbeenderen die abrupt naar achteren verbreden waarbij de voorste zijrand een hoek van veertig graden maakt met de middenlijn; de voetklauwen hebben een afgeronde onderste zijrand. Ook een autapomorfie kan het bezit zijn van een hand die acht procent langer is dan het opperarmbeen, afhankelijk van de vraag of bij Ornithomimus sedens die dit kenmerk ook toont, deze eigenschap homoloog is — wat vrijwel zeker het geval zal zijn als dit taxon als een Struthiomimus sedens de zustersoort van Struthiomimus altus vormt, zoals sommige onderzoekers denken — want dan is het geen autapomorfie maar synapomorfie van beiden.