Het arrest CILFIT is een belangrijke uitspraak van het Europees Hof van Justitie van 6 oktober 1982 (zaak C-283/81), inzake de verplichting tot het stellen van een prejudiciële vraag door een nationale rechter.
Casus en procesgang Het geschil betreft de betaling van een vast recht voor sanitaire keuring van uit derde landen in Italië ingevoerde wol, door CILFIT en 54 andere vennootschappen. Zij wensen restitutie. Nadat hun vordering in twee instanties is afgewezen, gaan de betrokken vennootschappen in cassatie. Het Corte Suprema di Cassazione heeft het Hof van Justitie verzocht om een prejudiciële beslissing.
Rechtsvraag Zijn er grenzen aan de verplichting van artikel 177, derde alinea, EEG-Verdragthans: om het Hof een prejudiciële vraag te stellen?
Uitspraak Hof Dictum
Uitlegging van gemeenschapsrecht Omtrent uitlegging van gemeenschapsrecht overweegt het Hof:
Afgeleide rechtspraak In het arrest d.d. 28 juli 2016, C-379/15 (Association France Nature Environnement) oordeelde het Europees Hof van Justitie dat de nationale rechterlijke instantie in laatste instantie zich bij twijfel over de juiste uitleg of juiste toepassing van het EU-recht voor een prejudiciële beslissing tot het Hof moet wenden tenzij — kort gezegd — aan een CILFIT-uitzonderingsgrond is voldaan, hetgeen de rechterlijke instantie bovendien uitvoerig moet aantonen., r.o. 52.
Ook in het arrest d.d. 6 oktober 2021, C-561/19 (Consorzio) oordeelde het Hof dat aldus moet worden uitgelegd dat een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, moet voldoen aan haar verplichting om een voor haar opgeworpen vraag over de uitlegging van het Unierecht aan het Hof voor te leggen, tenzij deze rechterlijke instantie vaststelt dat deze vraag niet relevant is, dat de betrokken bepaling van het Unierecht reeds door het Hof is uitgelegd, of dat de juiste uitlegging van het Unierecht zo evident is dat redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel kan bestaan., dictum
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens — expliciet of impliciet verwijzend naar de CILFIT-criteria — merkt een schending van aan als een schending van artikel 6 EVRM,artikel 6 EVRM
in het arrest d.d. 16 april 2019, 55092/16 (Baltic Master Ltd), omdat ‘it is not clear from the reasoning of the Supreme Administrative Court on what specific legal grounds that court considered the application of the EU law to be so obvious that no doubts could arise’., r.o. 43.
in het arrest d.d. 14 maart 2023, 57378/18 (Georgiou t. Griekenland), omdat ‘it cannot be established from the content and reasoning (…) whether the question was considered irrelevant, whether it was viewed as relating to a provision that was clear or had already been interpreted by the CJEU, or whether it was simply ignored’., r.o. 25.
CILFIT