De sociologie als academische discipline is ontstaan aan het einde van de 19e eeuw. De term en de idee van sociologie gaat echter terug tot kort na de Franse Revolutie als een ideaal van een positivistische wetenschap ter bestudering van de samenleving. Zij kwam voort uit het Verlichtingsdenken en de groeiende succes en status van de wetenschap. Het analyseren van de samenleving in bredere zin heeft echter haar oorsprong in de sociale filosofie en is dan ook van veel vroeger datum.

Achtergrond De moderne academische sociologie is ontstaan als een reactie op de moderniteit, kapitalisme, urbanisatie, rationalisatie en secularisatie; meer specifiek de opkomst van de moderne natiestaat, zijn sociale instituties, het proces van socialisatie, en de middelen van toezicht. De focus op het concept van de moderniteit, in plaats van de Verlichting, onderscheidt het sociologische discours van dat van de klassieke politieke filosofie.John Harriss (1922). "The Second Great Transformation? Capitalism at the End of the Twentieth Century". In Allen, T. and Thomas, Alan (red.) Poverty and Development in the 21st Century. Oxford University Press, Oxford. p.325.

In relatief korte tijd maakte de discipline een sterke uitbreiding en diversificatie door, zowel thematisch als methodologisch, met name als gevolg van de vele reacties op de sterk empiristische en postivistische insteek van de vroege vertegenwoordigers van de sociologie. In de sociologie heeft de theoretische discussie over de relatie tussen actor en structuur (in het Engels structure and agency) altijd een centrale plaats ingenomen. De ene stroming nam de handelende persoon (actor) als uitgangspunt, de andere de werking van instituties als de staat, sociale klasse en de kerk. De hedendaagse sociale theorie poogt beide benaderingen te verenigen. Naast het postmodernisme, dat leidde tot een hausse aan abstracte theorieën, zagen nieuwe kwantitatieve methoden voor gegevensverzameling het licht.

Sociaalwetenschappelijk onderzoek is voortgekomen uit de sociologie, maar heeft inmiddels een zekere mate van autonomie verworven, daar beoefenaars van andere disciplines zich er ook in verdiepen. Het begrip sociale wetenschap is opgekomen als hyperoniem voor de verschillende disciplines die de maatschappij of de menselijke cultuur bestuderen.

Voorlopers vanaf de Klassieke Oudheid Het sociologisch denken kan worden teruggevoerd tot de oude Grieken, getuige bijvoorbeeld Xenophanes' bewering "Als paarden de goden zouden aanbidden, dan zouden die goden op paarden lijken". Proto-sociologische waarnemingen zijn te vinden in teksten van de westerse filosofie van onder meer Herodotus, Thucydides, Plato, Polybios enzovoort, alsmede in het niet-Europese gedachtegoed van figuren, zoals Confucius.Macionis, John J.; Plummer, Ken (2005). Sociology. A Global Introduction (3rd ed.). Harlow: Pearson Education. p. 12.

De kenmerkende trends in het sociologische denken van de oude Grieken kunnen worden herleid tot de sociale omgeving. Omdat er in die tijd zelden uitgebreide of sterk gecentraliseerde politieke organisaties binnen de stadstaten bestonden, kon de tribale geest van lokalisme en provincialisme vrij spel hebben. Lokalisme en provincialisme doordrongen dan ook een groot deel van het Griekse denken over sociale fenomenen., Harry E. Barnes (1948). An Introduction to the History of Sociology. Chicago, Illinois: University of Chicago Press. p. 5.

De oorsprong van het Engelse begrip survey, vertaald veldonderzoek, is terug te voeren op het Domesday Book besteld door koning Willem I in 1086.A. H. Halsey (2004). A history of sociology in Britain: science, literature, and society. p.34Geoffrey Duncan Mitchell (1970). A new dictionary of sociology. p.201

Er bestaan aanwijzingen van vroege islamitische sociologie uit de 14e eeuw. Zo gaf Ibn Khaldun (1332-1406) in zijn boek De Muqaddima (later vertaald als Prolegomena in het Latijn) in zeven delen, een eerste aanzet tot een analyse van de universele geschiedenis. Verder ging dit werk ook dieper in op sociale filosofie en sociale wetenschappen, waarbij er theorieën waren geformuleerd over sociale cohesie en sociale conflicten. Door sommigen wordt hij daarom gezien als de voorloper van de sociologie.Alatas, S. H. (2006). "The Autonomous, the Universal and the Future of Sociology". Current Sociology, 54: p. 7–23.

Oorsprong van het vakgebied Comte, Spencer en Marx thumb|left|upright|Auguste Comte De term "Sociologie" werd geïntroduceerd door de Franse essayist Emmanuel Joseph Sieyès (1748-1836).Des Manuscrits de Sieyès. 1773-1799, Volumes I and II, published by Christine Fauré, Jacques Guilhaumou, Jacques Vallier et Françoise Weil, Paris, Champion, 1999 and 2007 Het begrip stamt van het Latijnse socius, "metgezel", en het achtervoegsel -logie, "de studie van"."Sociology" in: Dictionary of the Social Sciences, Craig Calhoun (red.), Oxford University Press, 2002 Onafhankelijk hiervan werd de term opnieuw geïntroduceerd als een neologisme door de Franse denker Auguste Comte (1798-1857) in 1838."Comte, Auguste". In: A Dictionary of Sociology Comte had zijn eigen werk eerder bestempeld als "sociale fysica", maar die term was toegeëigend door anderen, met name de Belgische statisticus Adolphe Quételet (1796-1874).

Voortbouwend op het gedachtegoed van de Verlichting en de politieke filosofen van het sociaal contract, hoopte Comte alle studies van de mensheid te kunnen verenigen door middel van het wetenschappelijk inzicht in de sociale sfeer. Hij geloofde dat het menselijk leven verschillende historische stadia doorliep, en dat, als men deze vooruitgang kon begrijpen, men remedies kon voorschrijven voor alle sociale kwalen. Sociologie was in het schema van Comte de "koningin der wetenschap". De opkomst van alle fysische wetenschappen zou onvermijdelijk leiden tot de meest fundamentele en lastige wetenschap van de menselijke samenleving zelf. Comte is door deze oorspronkelijke ideeën beschouwd als de "vader van de sociologie". Comte publiceerde zijn bredere wetenschapsfilosofie in het werk Cours de Philosophie Positive [1830-1842], terwijl hij zijn visie op het positivisme uit de doeken deed in Discours sur l'ensemble du positivisme (1865), waarin hij tevens de specifieke doelen van de sociologie benadrukte.

In zijn latere leven ontwikkelde Comte een seculaire "religie van de mensheid", die naar zijn zeggen, in de positivistische samenleving de cohesieve functie van de traditionele eredienst kon vervullen. In 1849 stelde hij een hervorming van de kalender voor tot een zogenaamde "positivistische kalender". Volgens de tijdgenoot John Stuart Mill was het mogelijk om onderscheid te maken tussen de "goede Comte", de auteur van de Cours de Philosophie Positive, en de "slechte Comte", de auteur van het seculier-religieuze systeem.Bourdeau, Michel, "Auguste Comte", The Stanford Encyclopedia of Philosophy (Summer 2011 Edition), Edward N. Zalta (ed.). Het systeem zelf was niet succesvol, maar ondervond wel enige steun met de publicatie van Darwins On the Origin of Species. Het beïnvloedde de verspreiding van verschillende humanistische organisaties in de 19e eeuw, mede door het werk van de seculieren, zoals George Holyoake en Richard Congreve. Hoewel de Engelse volgelingen van Comte, waaronder George Eliot en Harriet Martineau, het grootste deel van zijn systeem afwezen, hadden ze wel bewondering voor het idee van een religie van de mensheid en zijn gebod "vivre pour altrui": ofwel "leven voor anderen", waar het woord "altruïsme" vandaan komt. thumb|upright|Karl Marx.

Comtes ideeën over sociale evolutie vertonen gelijkenis met Karl Marx' opvattingen over de menselijke samenleving, wiens vooruitgang zou uitmonden in communisme. Dit is niet verwonderlijk want beiden waren sterk beïnvloed door de ideeën van de utopisch socialist Henri de Saint-Simon (1760-1825), die eens Comtes mentor was. Beide denkers werkten aan een nieuwe wetenschappelijke ideologie in het kielzog van de Europese ontwikkeling van secularisatie. In de traditie van het hegelianisme verwierp Marx de positivistische methode, en deed een poging een eigen wetenschap van de maatschappij te ontwikkelen. Toen de sociologie later een bredere betekenis kreeg, werd Marx hierdoor ook erkend als een van de grondleggers. Isaiah Berlin beschreef Marx zelfs als de "echte vader" van de moderne sociologie, "voor zover iemand kan aanspraak maken op de titel".Isaiah Berlin (1967). Karl Marx. Time Inc Book Division, New York. p.130

De vroege sociologie van Herbert Spencer (1820-1903) kwam in grote lijnen als een reactie op Comte. Voortbouwend op diverse ontwikkelingen in de evolutionaire biologie, probeerde Spencer tevergeefs om de discipline te herformuleren in, wat we nu zouden kunnen omschrijven als, sociaal darwinistische termen. Spencer was in feite een voorstander van lamarckisme in plaats van het darwinisme.

Andere invloeden Veel andere filosofen en wetenschappers hadden invloed op de ontwikkeling van de sociologie, zoals theoretici van het sociaal contract en historici, zoals Adam Ferguson (1723-1816). Door zijn theorie over sociale interactie wordt Ferguson wel beschreven als "de vader van de moderne sociologie".Willcox, William Bradford; Arnstein, Walter L. (1966). The Age of Aristocracy, 1688 to 1830. Volume III of A History of England, Lacey Baldwin Smith (red.) Lexington, MA. p.133. Voorbeelden van andere vroege werken, die de term "sociologie" droegen, waren A Treatise on Sociologie van de Noord-Amerikaanse advocaat Henry Hughes en Sociology for the South, or the Failure of Free SocietySociology For The South Or The Failure of Free Society Electronic Edition George Fitzhugh (1806-1881). Gearchiveerd op 26 mei 2023. van de Amerikaanse advocaat George Fitzhugh. Beide boeken werden gepubliceerd in 1854, in het kader van het debat over de slavernij in de vooroorlogse VS. Het boek The Study of Sociology van de Engelse filosoof Herbert Spencer verscheen in 1874. Lester Frank Ward, door sommigen beschreven als "de vader van de Amerikaanse sociologie publiceerde Dynamic Sociology in 1883. De Britse Harriet Martineau, een sociale theoreticus van de Whig Party en de Engelse vertaler van veel van Comtes werken, wordt genoemd als "de eerste vrouwelijke socioloog".

Een ander zeer invloedrijk idee bij de eerste generatie sociologen was dat van het organicisme. Dit verwijst naar de idee dat men de samenleving als een organisme moet opvatten. Dit werd vaak gecombineerd met andere ideeën uit de biologie en geneeskunde, wat onder meer resulteerde in sociaal-darwinistische en eugenetische standpunten. Dit is onder meer present bij denkers zoals Herbert Spencer (1820-1903), Paul von Lilienfeld (1829-1903), Albert Schäffle (1831-1903), Ludwig Gumplowicz (1838-1909), William Graham Sumner (1840-1910) en René Worms (1869-1926). Zo titelt een werk van Von Lilienfeld Zur Vertheidigung der Organischen Methode in der Soziologie (1898) en een boek van Worms heet Organisme et société (1896).

Diverse andere sociaal historici en economen zijn erkend als klassieke sociologen, waaronder Robert Michels (1876-1936), Alexis de Tocqueville (1805-1859), Vilfredo Pareto (1848-1923) en Thorstein Veblen (1857-1926). De klassieke sociologische teksten verschillen van die van de politieke filosofie, door hun poging om wetenschappelijk, systematisch, structureel, en/of dialectische te blijven, in plaats van zuiver moreel, normatief of subjectief.

Vorming van de academische discipline Klassieke theoretici van de sociologie uit de late 19e en vroege 20e eeuw waren onder meer Gabriel Tarde (1843-1904), Ferdinand Tönnies (1855-1936), Émile Durkheim (1858-1917), Georg Simmel (1858-1918), Max Weber (1864 - 1920), en Karl Mannheim (1893-1947). Veel van deze geleerden beschouwen zichzelf niet als strikt "sociologen" en droegen ook regelmatig bij aan de rechtswetenschap, economie, psychologie en filosofie.

thumb|upright|Émile Durkheim