Werner Schwier (Hamburg, 25 februari 1907 – 1971) was een Duitse nationaalsocialistische functionaris die tijdens de Tweede Wereldoorlog betrokken was bij de oprichting en organisatie van het strafkamp Erika bij Ommen en bij de uitvoering van propaganda en systematische erfgoedroof in Nederland.
Vroege leven en achtergrond Werner Schwier werd geboren op 25 februari 1907 in Hamburg. Over zijn jeugd en opleiding is weinig bekend. Van beroep was hij paardenslager. Toch liet Schwier zich in officiële en informele contexten aanspreken met de titel "Doktor", hoewel er geen aanwijzingen zijn dat hij een academische graad bezat.
Schwier trad op 1 juli 1931 toe tot de NSDAP (lidmaatschapsnummer 587.615).Bundesarchiv, R 9361-IX KARTEI/40930726 Hij trad binnen de partij op als Gauredner (regionale spreker), waarbij hij propagandatoespraken hield.
Eind 1940 werd Schwier naar Nederland uitgezonden, waar hij hoofd werd van het Referat Internationale Organisationen, een afdeling binnen het Generalkommissariat zur besonderen Verwendung. Deze dienst viel onder de Dienststelle Rosenberg en had tot taak organisaties te liquideren die door het nationaalsocialistische regime als vijandig werden beschouwd.
Propaganda en erfgoedroof Als hoofd van het Referat Internationale Organisationen was Schwier verantwoordelijk voor de ideologische bestrijding van zogenoemde ‘internationale’ organisaties, waaronder de vrijmetselarij, Rotary en B'nai B'rith.
Na de Duitse bezetting van Nederland kreeg Schwier de leiding over de opheffing van de Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden en andere loges. Het Ordegebouw aan de Fluwelen Burgwal 22 in Den Haag werd in beslag genomen. Archieven, bibliotheken en ceremoniële objecten werden geroofd en overgebracht naar Frankfurt am Main, waar zij werden opgeslagen in het Paleis Rothschild.
Het geroofde materiaal werd gebruikt voor een reeks propagandatentoonstellingen tegen de vrijmetselarij, onder meer in Leeuwarden, Haarlem, Amsterdam en Den Haag.
Kamp Erika
In juni 1941 kreeg Schwier van de Sicherheitspolizei opdracht een strafkamp op te richten bij Ommen. Het kamp, dat in 1942 operationeel werd, kreeg de naam Erika en was bedoeld voor personen die door de bezetter als ‘asociaal’ of politiek onbetrouwbaar werden aangemerkt.
Schwier rekruteerde bewakingspersoneel en stelde Karel Lodewijk Diepgrond aan als kampcommandant, terwijl hij zelf verantwoordelijk bleef voor de organisatie en het toezicht. In tegenstelling tot de bezittingen van andere door het nationaalsocialistische regime geliquideerde organisaties werd Kamp Erika volledig onder Schwiers verantwoordelijkheid geplaatst.
Kamp Erika werd berucht vanwege de systematische mishandeling van gevangenen. Tussen 1942 en 1945 kwamen naar schatting 170 tot 200 gevangenen om het leven als gevolg van geweld, uitputting, honger en ziekte. De omstandigheden waren zodanig dat Nederlandse rechters vanaf 1943 weigerden nog gevangenen naar Ommen te sturen.
Straffeloosheid en overlijden Na de bevrijding in 1945 werd Schwier korte tijd geïnterneerd in België, maar hij wist te ontsnappen en naar Duitsland te vluchten. Het is niet tot strafvervolging in Nederland gekomen voor zijn rol bij Kamp Erika.
In de historiografie over de naoorlogse afhandeling van nationaalsocialistische misdrijven wordt Schwier gerekend tot de zogenoemde NS-Täter: functionarissen die binnen het bestuurlijke en ideologische apparaat van het Derde Rijk uitvoerende verantwoordelijkheden droegen, maar wier handelen na 1945 vaak niet tot strafvervolging leidde. Schwier overleed in 1971.
Categorie:Duits persoon in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog