miniatuur|right|Bodo Uhse op het Duitse Schrijverscongres 1950 Bodo Uhse (Rastatt, 12 maart 1904 – Berlijn (DDR), 2 juli 1963) was een (Oost-)Duits schrijver, journalist en politiek activist.

Aanleiding De (Oost-)Duitse journalist en publicist Bodo Uhse zou volledig in de mist van de geschiedenis verdwenen zijn, als hij – ergens in 1930 of 1931 – niet besloten had om over te stappen van de nationalistische rechterzijde van het politieke spectrum (in haar nadrukkelijkste vorm belichaamd door de NSDAP, waarvan hij in 1927 lid geworden was) naar de uiterste linkerzijde ervan, naar de Kommunistische Partei Deutschlands. Die overstap bezorgde hem in de DDR, het land waar hij zich na de Tweede Wereldoorlog gevestigd had, de reputatie van gedecideerde antifascist, en leverde hem bovendien een succesvolle carrière in de hogere echelons van de SED, de Sozialistische Einheitspartei Deutschlands op. Zijn weg naar succes ging echter niet over rozen.

Jeugd 1904-1920 Uhse stamde uit een Pruisische officiersfamilie. Over zijn vroege jeugd is niet veel bekend; waarschijnlijk bracht hij die overwegend door in de garnizoenssteden waarin zijn vader gelegerd was. Toen die, na in 1909 uit het leger te zijn ontslagen, naar Ethiopië was vertrokken, werd de jonge Bodo bij zijn – tamelijk welgestelde – grootouders van moederszijde in Braunschweig ondergebracht, waar hij privéonderwijs ontving. De zomers bracht hij door in Schierke (Harz) waar ze over een zomerverblijf beschikten.

Zijn vader scheidde tijdens een kort verblijf in Duitsland in 1913 van zijn vrouw, en keerde in 1914 definitief uit Afrika terug. Hij trad in dat jaar, met de dreigende oorlog als reden voor zijn rehabilitatie, wederom als officier in dienst van de Reichswehr. Gedurende de oorlogsjaren woonde het gezin Uhse in Glogau (het huidige Głogów, in Polen) in Silezië. Zijn vader hertrouwde tijdens een verlofperiode in 1915 met 'Frau Siebert', een vrouw die door Uhse in zijn roman Wir Söhne consequent als 'boze stiefmoeder' wordt opgevoerd.

Na de oorlog en na zijn vaders ontslag uit actieve dienst – hij had gedurende de oorlogsjaren de rang van majoor bereikt – verhuisde het gezin Uhse in 1919 naar Steglitz, in het zuidwesten van Berlijn, waar vader Walther Uhse, omdat zijn militaire pensioen te gering was om van te leven, een baan als toezichthouder in een warenhuis kreeg. De toen vijftienjarige Bodo, die met de ineenstorting van het Duitse Rijk in 1918 zijn ambities om officier te worden had moeten laten varen, sloot zich bij Wandervogel aan, naar zijn zeggen om de eenzaamheid en de deprimerende omgeving van het gezin waarin hij was opgegroeid te ontvluchten. Zijn besluit om aansluiting te zoeken bij de jeugdbeweging wordt over het algemeen gezien als een “Affront gegen Lehrer und Eltern als „Stützen der Gesellschaft”", als een onder de jeugd levende uiting van een verlangen naar een leven buiten de burgerlijke samenleving en het daar heersende materialisme, dat de oorzaak was geweest van het uitbreken en het zich jarenlang blijven voortslepen van de oorlog.

Uhses radicalisering nam een aanvang toen hij vanuit Wandervogel in contact kwam met groepen jongeren die een veel militantere, gepolitiseerde levenshouding nastreefden, en die onder de verzamelnaam bündische Jugend bekend zijn komen te staan. Het contact met die groep, die zich later zou ontwikkelen tot de in oktober 1921 opgerichte Bund Oberland, heeft hem er in maart 1920 als 16-jarige toe aangezet deel te nemen aan de Kapp-Putsch. Toen hij een jaar later wegens wangedrag van school werd gestuurd besloot zijn vader dat het mooi geweest was met zijn lanterfanten, en werd hij op voorspraak van een van diens voormalige strijdmakkers, Konstantin von Gebsattel, op 1 juni 1921 als Volontär, stagiair, aangesteld tot hulpredacteur bij het Bamberger Tagblatt, een krant van burgerlijk-nationalistische signatuur.

Loopbaan als journalist 1920-1933 Volontär, reporter en redacteur bij het Bamberger Tagblatt, Bamberg, 1920-1926 Uhse vervulde, aanvankelijk als stagiair, vanaf begin juni 1920 allerlei taken bij de redactie van het Bamberger Tagblatt; al snel kreeg hij echter klussen als halfwas reporter, en een echt salaris. Pas na verloop van tijd, toen hij de rol vervulde van redacteur voor 'Freizeit und Sport' werd hem serieuze nieuwsgaring toevertrouwd. In de eerste tijd na zijn aanstelling was hij vooral te vinden bij politieke manifestaties, vergaderingen van verenigingen, feestelijke openingen van gebouwen en tentoonstellingen en bij sportwedstrijden. Hij kwam op die wijze met veel vertegenwoordigers van het Bamberger culturele en politieke leven in aanraking, waaronder de schilder Otto Boveri, de beeldhouwster Marie-Luise Fleißer, en een aantal toonaangevende representanten van de rechtse politiek, zoals Dr. Friedrich Weber, General a.D. Erich Ludendorff en de gebroeders Otto Strasser en Gregor Strasser.

Ook maakte hij al in een vroeg stadium kennis met een aantal bestuursleden van de radicaal-antisemitische Deutsch-völkische Schutz und Trutzbund (DvSTB) – hij noemde ze zelf de Judenfresser –, die hem in contact brachten met een groep militant-nationalistische jongeren, die zich later – we spreken dan over oktober 1921 – verenigden onder de Edelweissvlag van de Bund Oberland, die was opgericht als Wehrverband, als militie. De Bund Oberland was een paramilitair overblijfsel van het in 1921 verboden Freikorps Oberland, dat eerder dat jaar, op 21 mei 1921, onder leiding van de latere nationaalbolsjewist Hauptmann Beppo Römer de Silezische St. Annaberg bestormd had en zich op die wijze een plaats in de Duits-nationale geschiedenisboeken had verworven.

Door zijn werk bij een conservatief-burgerlijke krant aan de ene, en zijn lidmaatschap van de militante – op militaire leest geschoeide – Bund Oberland aan de andere kant verkeerde Uhse in een merkwaardige spagaat. Hij was overdag verondersteld tijdens zijn werk bij de krant die groepen te dienen – de burgerij van de conservatieve stad Bamberg – waartegen hij zich in zijn vrije tijd bij de Bund met hand en tand verondersteld was te verzetten. Die paradox lijkt hem niet te hebben gestoord. Hij bewoog zich moeiteloos door beide werelden.

De hyperinflatie die de eerste jaren van Uhses verblijf in de stad bepaalden, en die hem noopten zijn weekloon in een "... geräumige Aktentasche ..." te vervoeren, maakte dat radicale bewegingen aan populariteit wonnen. Niet alleen de Bund Oberland, maar ook de Sturmabteilungen (SA) van de NSDAP, sponnen garen bij de alom heersende armoede en onzekerheid. Aan de hyperinflatie kwam een abrupt einde door het ingrijpen van Rijkskanselier Gustav Stresemann (1878-1929), die in november 1923 de Rentenmark invoerde, waardoor de economie zich stabiliseerde, en de welvaart in Duitsland door een instroom van buitenlandse valuta sterk toenam. De populariteit van de radicale partijen nam daardoor af, en de Bund Oberland 'verburgerlijkte' door een instroom van min of meer welgestelde representanten uit de burgerij.

Gedurende zijn Bamberger jaren was Uhse getuige van, en nam in een aantal gevallen als Oberlandvrijwilliger ook deel aan, een aantal kwesties die in de geschiedschrijving van de Weimarer Republiek als markante gebeurtenissen zijn gaan gelden. In dat verband zijn niet alleen de hyperinflatie die duurde van augustus 1921 tot november 1923 (en haar grote aanjager, de bezetting van het Ruhrgebied door Franse en Belgische troepen op 11 januari 1923), de door Adolf Hitler georganiseerde Bierkellerputsch op 8 en 9 november 1923, maar ook de moord op Außenminister Walter Rathenau noemenswaardig. Uhse nam met het regiment van de Bamberger Oberlandgroep ook deel aan de Deutscher Tag in Nürnberg op 1 en 2 september 1923, waar de nationalistische milities (waaronder, naast de Bund Oberland, de SA, het Wehrverband Reichsflagge, de Bund Wiking) zich aaneensloten tot een Reichsbrede "Deutsche Kampfbund", die later in zijn geheel zou worden opgenomen in de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij (NSDAP) van Adolf Hitler.

Ook kwam hij gedurende zijn jaren bij de krant op politieke bijeenkomsten veel sprekers tegen die later een belangrijke rol zouden gaan spelen in de nationaalsocialistische politiek. Zo ontmoette hij vooraanstaande leden van de NSDAP, zoals Gottfried Feder, de schrijver van het Manifest zur Brechung der Zinsknechtschaft des Geldes (1919), en de onderwijzer Julius Streicher, hysterisch antisemiet, die in de inflatie een Joodse samenzwering zag die het doel zou hebben het Duitse volk 'homeopathisch te verdunnen' (T. Baudet ipse dixit), en zo genetisch te verzwakken.

Gedurende de laatste maanden van 1925 nam Uhses twijfel over de koers van de Bund Oberland toe. Haar plaats in de Duitse maatschappij was naar zijn mening te veel opgeschoven ten gunste van burgerlijke groepen en middenstand, waartegen ze zich in eerder jaren juist met hand en tand verzet had. De rol van de arbeidersklasse, die door de oorspronkelijke ideologische voorganger van Oberland, Arthur Moeller van den Bruck (1876-1925) een leidende rol in een sociale en economische hervorming van Duitsland werd toebedacht, werd door de Bund meer en meer naar de achtergrond geschoven. Uhse besloot de Bund Oberland vaarwel te zeggen, en zich aan te sluiten bij de NSDAP, die de arbeidersklasse volgens hem wel een belangrijke rol in het nieuwe Duitsland gunde.

Om Uhses stap te begrijpen dient hier evenwel een voorbehoud gemaakt te worden. De NSDAP was in de jaren voor 1926 niet de homogene, onder leiding van Hitler als enige Führer staande partij zoals ze later de geschiedenis is ingegaan: een overwegend (klein)burgerlijke partij, zich focussend op een etnisch nationalisme, die de instemming genoot van grote delen van de middenstand en de kapitaalkrachtige grootindustriëlen.

Naast de vanuit het Braune Haus in München uitgedragen en door Hitler vormgegeven Beierse variant van het nationaalsocialisme bestond er in die dagen ook een 'linkse' versie, die ontwikkeld was door de gebroeders Strasser, Gregor en Otto, en die expliciet socialistische kenmerken vertoonde: dus een streven naar een coöperatieve samenleving, waarin de arbeidersklasse een leidende rol speelde, waarin privébezit onteigend moest worden (in de zin die na de oorlog leidde tot het ontstaan van de Volksrepublieken, waarin alles volkseigendom was), en, in plaats van een op het liberaal-democratische westen gerichte economie, een Volkswirtschaft, die zich richtte op de Sovjet-Unie, het enige land dat zich verre had gehouden van het vernederende Verdrag van Versailles. De NS-Linke – zoals ze zich noemden – vonden hun aanhang vooral in de grote industriële complexen in het noordwesten van het Reich, en zijn dan ook als de Arbeitsgemeinschaft Nord-West de geschiedenis ingegaan. Naast de gebroeders Strasser was Dr. Joseph Goebbels een van haar productiefste leden, als publicist werkend voor het Kampfverlag van de Strassers, dat gevestigd was in Elberfeld bij Wuppertal.

Uhse had de Strassers waarschijnlijk ontmoet gedurende de Bamberger Führertagung, een door Adolf Hitler op 25 februari 1926 uitgeroepen "afstemmingsbijeenkomst" voor de hogere echelons van de partij, die hij als journalist en politiek geïnteresseerde burger ongetwijfeld heeft bezocht. Tijdens die bijeenkomst bevestigde Hitler, als Führer, zijn alleenheerschappij over de partij.

Eveneens in dat jaar nam Uhse zijn ontslag bij het Bamberger Tagblatt, en vertrok naar Berlijn, naar zijn zeggen met het plan zich daar "als Lyriker durchzusetzen", om, met andere woorden, schrijver te worden. Dat voornemen liep echter op niets uit, en al snel moest hij op zoek gaan naar een nieuwe baan.

(Hoofd-)redacteur bij de Donaubote, Ingolstadt, 1927-1928