Sinornithomimus is een geslacht van theropode dinosauriërs, behorend tot de groep van de Maniraptoriformes, dat tijdens het late Krijt leefde in het gebied van de huidige Volksrepubliek China.
De eerste fossielen van Sinornithomimus werden in 1997 ontdekt. Het geslacht kreeg in 2003 zijn naam die zoiets als "Chinese vogelnabootser" betekent, toen de typesoort Sinornithomimus dongi benoemd werd. Van Sinornithomimus zijn twee hele versteende kudden opgegraven. Daardoor is het van de Ornithomimidae de soort die van de meest volledige skeletten bekend is.
Sinornithomimus werd tegen de drie meter lang. Het was een snelle warmbloedige tweevoeter met een primitief verenkleed. Zijn lange nek droeg een kleine en tandeloze kop, uitgerust met een snavel waarmee stukken plant konden worden afgebeten. Die werden door maagstenen, die bij de fossielen bewaard zijn gebleven, verder vermalen en in de forse achterste buikholte verteerd. Sinornithomimus is een van de weinige dinosauriërs waarvoor er sterk bewijs is dat hij in kudden leefde. Die werden misschien alleen door jeugdige dieren gevormd terwijl de volwassenen zich in afzonderlijke broedparen wijdden aan de voortplanting.
Vondst en naamgeving In de zomer van 1997 ontdekten Japanse, Mongoolse en Chinese onderzoekers in het kader van een gemeenschappelijk Mongol Highland International Dinosaur Project bij Oelan Soehai in de Alashanzuo Banner van Binnen-Mongolië een rijke vindplaats van dinosauriërfossielen. Op een stuk grond van vijf bij twee meter werden minstens veertien skeletten aangetroffen van een nog onbekende ornithomimide. In 1999 en 2001 werden de vondsten kort beschreven door de Japanse paleontoloog Yoshitsugu Kobayashi. Hij beschreef ze diepgaand in zijn dissertatie over de Aziatische ornithomimiden waarop hij in 2004 promoveerde. Al in 2003 echter werd het hoofdstuk dat over de nieuwe soort ging als een apart artikel gepubliceerd met de Chinese paleontoloog Lü Junchang als medeauteur. Hierin werd de typesoort Sinornithomimus dongi benoemd. De geslachtsnaam is afgeleid van het Latijnse Sinae, "Chinezen" en mimus, "nabootser", met ertussen een Klassiek Grieks ὄρνις, "vogel", bij elkaar een verwijzing dat het een ornithomimide uit China betreft. De soortaanduiding eert als vinder de formele leider van het project, professor Dong Zhiming. thumb|Een blok met acht specimina Het holotype, IVPP-V11797-10, is gevonden in de Oelansoehaiformatie die dateert uit het Turonien, ongeveer negentig miljoen jaar oud. Het bestaat uit een vrijwel compleet skelet van een bijna volgroeid dier, inclusief schedel en onderkaken. De andere vondsten werden als paratypen aangewezen; deze bestonden uit verschillende bijna complete skeletten, een aantal minder volledige en een aantal losse botten van bij elkaar minstens veertien individuen. Dit betrof behalve het holotype acht bijna complete juveniele exemplaren: IVPP−V11797−1, IVPP−V11797−2, IVPP−V11797−3, IVPP−V11797−11, IVPP−V11797−12, IVPP−V11797−13, IVPP−V11797−14 en IVPP−V11797−15; verder twee gedeeltelijke specimina van volwassen individuen: IVPP−V11797−19 en IVPP−V1797−29 en ten slotte drie gedeeltelijke specimna van jonge dieren: IVPP−V11797-9, IVPP−V11797-16 en IVPP−V11797-17. De reeksen IVPP−V11797-20 tot en met 28 en IVPP−V11797-30 tot en met 34 bestaan uit losse botten die niet aan een bepaald skelet konden worden toegewezen. De specimina werden namelijk slechts ten dele in verband gevonden: de beenderen waren soms verspreid geraakt, waarbij hoogstens schedels, stukken wervelkolom en ledematen nog intact waren.
In 1997 waren de lagen nog lang niet uitgeput. In 2008 werd door David Varricchio de vondst gemeld in 2001 van een tweede concentratie bij dezelfde vindplaats waaruit dertien exemplaren waren opgegraven: specimina LH PV5 tot en met 17 waarvan LH PV7 een jong volwassen exemplaar betreft; het restant bestaat uit jongen in allerlei groeistadia. Bij de skeletten werden ook voetsporen afkomstig van dezelfde soort aangetroffen. De gecombineerde vondsten van zevenentwintig skeletten maken Sinornithomimus tot verreweg de best bekende ornithomimide. Het grote aantal heeft een statistische analyse van de populatie mogelijk gemaakt.
Beschrijving Algemene bouw en grootte Sinornithomimus is een vrij kleine ornithomimide. Gregory S. Paul schatte in 2010 de lengte op tweeënhalve meter, het gewicht op vijfenveertig kilogram. Ondanks de geringe afmetingen is de soort niet bijzonder elegant gebouwd maar maakt eerder een gedrongen indruk met een vrij korte schedel en nek en een diepe buikholte. Het kan echter zijn dat dit ten dele rijpingskenmerken zijn want ook de grootste gevonden complete skeletten waren nog onvolgroeid: het grootste specimen is IVPP−V1797−29 met een dijbeenlengte van 413 millimeter maar dat bestaat alleen uit een achterpoot.
Over het algemeen toont Sinornithomimus de kenmerken van de ornithomimiden: hij is een tweevoeter met krachtige achterpoten en lange handen waarvan de lange nek een kleine tandeloze kop draagt. De beschrijvers wisten in 2003 enkele unieke afgeleide eigenschappen, autapomorfieën, vast te stellen: het achterdeel van het wandbeen heeft een uitholling op het bovenvlak van de zijkant; de opening in de groeve van het quadratum is doormidden gedeeld door een verticale richel; de zwelling op de onderkant van het parasfenoïde heeft een lage richel; de proatlas heeft geen achterste zijuitsteeksel.
Schedel en onderkaken upright=1.7|thumb|Schedel van specimen IVPP−V11797−10, het holotype De schedel van Sinornithomimus heeft met 183,1 millimeter bij het holotype minder dan de helft van de lengte van de nek en een hoogte achteraan van 65,7 millimeter. De kop is elegant met een voor een ornithomimide relatief korte snuit die met een licht bol profiel geleidelijk naar de ietwat spitse punt loopt. Bovenop is de schedel vrij plat zodat het geheel een tamelijk rechthoekige indruk maakt. Dit wordt versterkt doordat de bovenkaaklijn een minder opvallende knik omhoog heeft dan bij de verwanten die een meer wigvormige snuitpunt hebben. Het achterdeel van de schedel is relatief lang zodat de oogkassen, die ook wat afgeplat zijn, niet zo'n extreem deel van het zijoppervlak uitmaken. Vóór de oogkas bevindt zich een kleine schedelopening, de fenestra antorbitalis die de vorm heeft van een opstaande rechthoek. Het onderste slaapvenster is spleetvormig maar toch wat breder dan bij andere ornithomimiden; het bovenste slaapvenster is een langgerekte ovaal.
De praemaxilla voor in de snuit is een vrij klein element, midden bovenin ingedeukt door de trog waarin het neusgat ligt dat het met twee smalle takken half omsluit. Onderaan is het erg ruw, vol kleine uithollingen die als aanhechting dienden voor de bovenste snavel. Het er achterliggende bovenkaaksbeen mist deze echter, zowel voor als achter de knik in de kaaklijn. Op het zijoppervlak heeft deze maxilla een diepe groeve waarin zich in een nog dieper inspringende uitholling twee kleinere openingen bevinden, vooraan een driehoekige fenestra promaxillaris en daarachter een iets grotere fenestra maxillaris. De neusbeenderen zijn smal en wijken achteraan uiteen om de punt van de apart gewelfde driehoekige voorhoofdsbeenderen te omvatten, die achteraan sterk verbreed zijn. Daarachter liggen de wandbeenderen die als uniek kenmerk in de buitenste achterhoek een naar beneden gericht uitsteeksel hebben waarop zich een uitholling bevindt. De voorkant van de oogkas bestaat uit het traanbeen dat de vorm heeft van een omgekeerde L met een erg rechte neergaande tak. Onderaan raakt het bijna haaks een relatief langwerpig jukbeen dat door zijn lengte de oogkas een rechthoekige vorm geeft. Het daarachter liggende L-vormige quadratojugale maakt onderaan een stevige rechte hoek die hecht vergroeid is met de zijkant van het quadratum, nabij de voorliggende secundaire gewrichtsknobbel van het kaakgewricht. In het buitenoppervlak van het quadratum bevindt zich een langwerpige verticale groeve de helft waarvan wordt beslagen door een opening die doormidden gedeeld wordt door een verticale richel. Het quadratum heeft een groot naar het midden gericht uitsteeksel waarvan de onderkant een overwelving vormt die het pterygoïde raakt.
Op het achterhoofd is bovenaan het supraoccipitale vlak met middenin een wat uitspringende verticale richel. De grote zijuitsteeksels, de processus paroccipitales steken tot beneden het niveau van het achterhoofdsgat. De exoccipitalia die hun bases vormen, zijn gepneumatiseerd zoals blijkt uit een grote pneumatische opening in hun achterkant; meer naar het midden hebben ze ook vooraan een opening. Aan de onderkant van de hersenpan toont het parasfenoïde de typische ornithomimide zwelling; vooraan loopt het element uit in een omhoogstekende "boeg".
De onderkaken zijn tandeloos en langwerpig. Achteraan zijn ze nog vrij hoog; naar het midden toe versmallen ze totdat ze een punt bereiken waarop het voorste, vrij lange stuk naar beneden buigt. Er is geen echter "kin" en de voorkant is vrij schuin afgesneden zodat een in zijaanzicht spitse kaakpunt ontstaat. Vooraan zijn de onderkaken vergroeid in een in bovenaanzicht U-vormige symfyse. Het dentarium heeft een pneumatische opening maar is verder vrij glad zonder verruwingen voor een hoornsnavel die desalniettemin hoogstwaarschijnlijk wel aanwezig was. De kaakrand vormt in het voorste twee derde deel een scherpe snijrand; achteraan is die wat stomper. Van de achterste takken van het dentarium wikkelt de onderste zich om de voorste tak van het angulare. Er is een kleine zijopening in de onderkaak; van de achterste punt daarvan loopt de naad tussen het angulare en het surangulare helemaal door tot het uiteinde van het achterste uitsteeksel van het articulare.
Er zijn fragmenten van het tongbeen gevonden dat lang en dus is.
Postcrania Wervelkolom thumb|upright=1.7|Reconstructies van het skelet van een volwassen en een jong dier De wervelkolom bestaat uit tien halswervels, twaalf ruggenwervels en zes sacrale wervels. Het aantal staartwervels kon in 2003 niet precies worden vastgesteld door de onvolledigheid van de skeletten; men ging uit van ongeveer vijfendertig. Onder de in 2008 gemelde skeletten bevonden zich exemplaren met completere staarten; op dit punt werd echter geen verdere informatie verschaft.
De volledigheid van het materiaal blijkt uit het feit dat in de nek de allervoorste proatlas bekend is, in de vorm van een gepaard driehoekig element zonder verdere achterwaartse of zijwaartse uitsteeksels. De atlas heeft twee wervelbogen of neurapofysen. De draaier heeft een in zijaanzicht afgerond doornuitsteeksel. De daarop volgende halswervels zijn veel langwerpiger dan de draaier met lange voorste uitsteeksels en lage doornuitsteeksels die op de achterste helft van de wervelboog liggen. Vooral de vijfde en zesde wervel zijn sterk afgeschuind en de grootste kromming van de nek ligt op het punt tussen beiden. De achterste halswervels hebben langere achterste uitsteeksels en hun doornuitsteeksels schuiven langzaam naar voren. Bij de achtste wervel is op de zijkant, boven de parapofyse, het onderste gewrichtsfacet voor de nekrib, een groot pneumatisch foramen zichtbaar, een toegang voor een uitloper van de luchtzakken van de voorste romp.