Schallebijters, ISSN 1386-3762 soms schalebijters (Carabus) zijn een geslacht van kevers uit de familie van de loopkevers (Carabidae). Het geslacht telt ongeveer 2000 soorten.

Alle soorten staan bekend als felle rovers, zowel de larven als de volwassen kevers. Op het menu staan voornamelijk insecten en wormen die op de grond worden opgespoord en buitgemaakt. Schallebijters zijn typische bodembewoners die niet graag klimmen.

Algemeen De kevers zijn felle rovers die op levende prooien jagen, toch zijn ze niet strikt vleesetend, ook plantendelen zoals fruit worden wel gegeten. De larven zijn eveneens roofzuchtig en leven van kleine ongewervelden.

Schallebijters ruimen vele plantenetende dieren zoals insectenlarven en slakken op en zijn over het algemeen nuttige kevers. Ze eten ook aas en jagen op de ongewenste meikeverlarven en de jonge stadia van de schadelijke coloradokever.

Alle soorten leven op het noordelijk halfrond; Europa, Azië, Noord-Amerika en het Midden-Oosten. In België en Nederland zijn de schallebijters algemeen in omgevingen met een strooisellaag, zoals parken en bossen. In Nederland komen 15 soorten schallebijters voor.

Naamgeving Schallebijters worden ook wel schalebijters of scharrebijters genoemd. De kevers hebben deze curieuze naam te danken aan een verbastering van de oude naam scalbote. Deze naam is afkomstig uit het Frans en is afgeleid van het Franse woord escarbot, dat 'mestkever' betekent.

De wetenschappelijke geslachtsnaam Carabus is ook afgeleid van de mestkever. Deze naam komt uit het Grieks en is terug te voeren op het woord karabos (), dat 'gehoornde kever' betekent.

In andere talen worden de schallebijters wel 'echte loopkevers' genoemd, zoals het Duitse echten Laufkäfer of het Noorse ekte jordløperne.

Verspreiding miniatuur|Europese verspreiding van de kettingschallebijter (Carabus granulatus) Schallebijters komen alleen voor in het Palearctisch gebied (Europa, Azië en het Midden-Oosten) en het Nearctisch gebied (Noord-Amerika), dus grofweg het noordelijk halfrond. Op het zuidelijk halfrond zoals Afrika en Australië wordt de plaats van de schallebijters overgenomen door andere groepen van loopkevers, zoals zandloopkevers en bombardeerkevers. Een groot aantal schallebijters komt voor in China. De soorten die behoren tot de grote ondergeslachten Alipaster en Apotomopterus zijn endemisch in China. De drie soorten uit het geslacht Nesaeocarabus zijn endemisch op Tenerife, een van de Canarische Eilanden.

Sommige soorten zijn aangepast aan een bepaalde leefomgeving en komen voor in een beperkt gebied. Een voorbeeld is de goudglanzende schallebijter (Carabus auronitens), die een voorkeur heeft voor hoger gelegen bossen zoals heuvels en bergen. Andere soorten zijn generalisten die als gevolg hiervan een groot verspreidingsgebied hebben. Een voorbeeld is de Europese paarse loopkever (Carabus violaceus), die ook in België en Nederland te vinden is.

De meeste schallebijters zijn te vinden in humusrijke bossen. Een aantal soorten is in drogere streken te vinden zoals heide en berggebieden. De soorten Carabus syrus en Carabus syriacus zijn bewoners van droge zandige gebieden en komen voor in het Midden-Oosten waaronder Israël. De soort Carabus hortensis is juist bestand tegen lagere temperaturen en wordt gevonden tot in noordelijk Noorwegen tot bij de stad Narvik.

Uiterlijke kenmerken thumb|Onderdelen van de kop, afgebeeld is de tuinschallebijter (Carabus nemoralis) thumb|De kettingschallebijter (Carabus granulatus) heeft een duidelijk patroon van bultjes op de dekschilden thumb|De blauwe schallebijter (Carabus intricatus) is blauw Schallebijters zijn middelgrote tot grote kevers die een vrij herkenbare lichaamsbouw hebben, al zijn er enkele uitzonderingen. Schallebijters worden wel beschouwd als 'standaardmodel' voor alle loopkevers; ze hebben allemaal een typisch loopkeverachtige bouw. Ze zijn dan ook voornamelijk te onderscheiden aan hun lichaamslengte en kleur. Ook de vorm van het halsschild en de dekschilden en met name de patronen op deze dekschilden zijn vaak soortspecifiek. Het lichaam is ovaal-langwerpig, waarbij de dekschilden, het halsschild of pronotum en de kop goed zijn te onderscheiden. Schallebijters zijn typische bodembewoners, ze hebben altijd vleugels maar vliegen zelden. Sommige soorten hebben het vermogen om te vliegen zelfs volledig verloren. De poten en antennes zijn lang en sprieterig, ze zijn duidelijk gesegmenteerd. De meeste soorten worden één tot twee centimeter lang maar een aantal soorten wordt groter met uitschieters tot meer dan vier centimeter.

Kop De kop is altijd duidelijk te onderscheiden door de aanwezigheid van lange en duidelijk gesegmenteerde antennes (1). De antennes zijn niet alleen lang maar ook zeer beweeglijk. Ook de kaken of mandibels (3) zijn sterk vergroot en vallen duidelijk op, zoals bij alle loopkevers. De kop is voorzien van twee paar tasters die ook wel palpen worden genoemd. Deze hebben een zintuiglijke functie en dienen om te proeven. De palpen zijn bij de schallebijters relatief lang en ze eindigen in een enigszins verdikte, knotsvormige structuur. De tasters aan de onderzijde van de kop worden de liptasters of labiale tasters (2) genoemd en de tasters aan de bovenzijde zijn de kaaktasters of maxillaire tasters (4). De ogen (5) puilen uit en zijn rond en kraalachtig. De meeste soorten kunnen in vergelijking met andere kevers goed zien, de ogen worden gebruikt om prooien op te sporen en vijanden waar te nemen. De ogen bestaan uit kleine deeloogjes die de ommatidia worden genoemd en het geheel wordt aangeduid met het samengesteld oog. Veel schallebijters zijn nachtactief en bij deze soorten worden voornamelijk de koptasters gebruikt om prooien en vijanden waar te nemen.

Borststuk Het borststuk is smal en langwerpig. De vorm van het halsschild verschilt per soort. De achterzijde van het borststuk en het achterlijf worden beschermd door de stevige dekschilden of elytra. De dekschilden bedekken altijd de gehele bovenzijde van het achterlichaam. De kleur en vorm van de dekschilden zijn eveneens een determinatiesleutel omdat deze bij iedere soort weer anders zijn. Diverse schallebijters zijn groen met een metaalachtige glans, zoals de gouden schallebijter (Carabus auratus) en de graslandschallebijter (Carabus monilis). Andere soorten zijn overwegend zwart met een violette glans, zoals de paarse loopkever (Carabus violaceus) en de tuinschallebijter (Carabus nemoralis). De blauwe schallebijter (Carabus intricatus) heeft een uitgesproken blauwe kleur en is hieraan te herkennen.

Bij diversee schallebijters is het vermogen om te vliegen verloren gegaan doordat de onder de dekschilden gelegen achtervleugels gereduceerd zijn. Een aantal soorten echter kan niet meer vliegen ondanks de aanwezigheid van vliezige achtervleugels. De tuinschallebijter (Carabus nemoralis) is hiervan een voorbeeld. De achtervleugels van de gouden schallebijter (Carabus auratus) zijn volledig gereduceerd. Bij sommige soorten kan een deel van de individuen wél vliegen en een deel niet. Dit is onder andere beschreven bij de kettingschallebijter (Carabus granulatus).

Bij de schallebijters vertonen de dekschilden vaak patronen. Die kunnen heel verschillend zijn; enkele veel voorkomende zijn: Opstaande lengterichels; de dekschilden hebben opstaande kielen in de lengte van het lichaam, zoals bij de goudglanzende schallebijter (Carabus auronitens), al dan niet in combinatie met onderstaande kenmerken. Korrelig oppervlak; de dekschilden hebben een ruw, korrelig oppervlak bestaande uit onregelmatige putjes. Dit komt voor bij onder andere de lederschallebijter (Carabus coriaceus) en Carabus blaptoides. De gladde schallebijter (Carabus glabratus) heeft een zeer licht patroon van korreltjes zodat het oppervlak glad aandoet. Groeven; veel soorten hebben lengtegroeven, soms zijn deze glad maar er kunnen ook patronen tussen de groeven zitten. De groeven kunnen zeer fijn zijn of juist breed. Voorbeelden van soorten met lengtegroeven zonder opvallende patronen zijn de gouden schallebijter, die brede groeven heeft, en de paarse loopkever (Carabus violaceus), die zeer fijne groeven bezit. Groeven met rijen putjes; er zijn rijen kleine putjes aanwezig tussen de lengtegroeven. Een voorbeeld is de moerasschallebijter (Carabus clatratus). Groeven met rijen bobbeltjes; tussen de groeven liggen rijen opstaande bultjes. Een dergelijk patroon komt onder andere voor bij de kettingschallebijter (Carabus granulatus) en Ullrichs schallebijter.

De onderzijde van het borststuk draagt drie paar poten, die bij alle schallebijters zeer lang en slank zijn. De poten bestaan uit de heup of coxa, het dichtst bij het lichaam – dit deel is het kleinst en is aan de bovenzijde niet te zien – gevolgd door de dij of femur, die onder de dekschilden uitsteekt, en verbonden is met de scheen of tibia' De scheen eindigt in een gewricht dat een stekel draagt die de spore wordt genoemd. Het laatste deel van de poot, de voet of tarsus, is bij de meeste soorten tevens het langste deel, en is geleed. De tarsus bestaat altijd uit vijf tarsleden waarvan de laatste een klauwtje draagt. Schallebijters kunnen als het moet zeer snel rennen.

Bij de schallebijters zijn de mannetjes het eenvoudigst van de vrouwtjes te onderscheiden aan de vorm van de voorpoten. Deze zijn duidelijk breder bij de mannetjes en dit dient om een vrouwtje tijdens de paring beter te kunnen vasthouden.

Achterlijf Het achterlijf van de kevers bevat alle organen, zoals de geslachtsorganen, het ademapparaat en het spijsverteringsstelsel. Aan de achterzijde zit de anus.

Rondom de anus liggen klieren die een stinkende en onsmakelijke vloeistof afscheiden. De stof die wordt uitgescheiden wordt hemolymfe genoemd en dient om vijanden af te schrikken. Bij een aantal soorten is de klierafscheiding ook voor mensen ondraaglijk vanwege de zeer sterke rottingsgeur. De afweerstof is niet zo sterk als bij de bombardeerkevers het geval is.

Bij de schallebijter Carabus lefebvrei is de substantie goed onderzocht. In de afscheiding van deze soort werden onder andere terpenen, ketonen, aldehyden, alcoholen, esters, en carbonzuren aangetroffen. Vooral monoterpenen zoals linalool zijn een belangrijk bestandsdeel.

Voortplanting en ontwikkeling Schallebijters zoeken elkaar op in het voortplantingsseizoen waarna de paring plaatsvindt. De vrouwtjes zetten de eitjes vaak een voor een af in de bodem, in dood hout of onder objecten als stenen. De eitjes zijn vaak enige millimeters lang en wit. Van de rasterschallebijter (Carabus cancellatus) is bekend dat ze aanvankelijk een cilindervorm hebben en later een rondere vorm krijgen die lijkt op een boon.

De eitjes komen na enige tijd uit – de ontwikkelingstijd is afhankelijk van de temperatuur – waarbij de larven tevoorschijn komen. Deze vervellen twee keer waarna ze verpoppen en uiteindelijk de volwassen kever verschijnt. Na iedere vervelling is de larve helder wit; het duurt enige tijd voordat de oude kleur terugkomt.

Larve thumb|Tekening larve van de rasterschallebijter (Carabus cancellatus) thumb|Larve van de graslandschallebijter (Carabus monilis)