thumb|364x364px|De vermoedelijke Indo-Europese expansie tussen 4000 en 1000 v.Chr. volgens de Koerganhypothese. De Indo-Europeanen (verouderd: Indo-Germanen en Indo-Ariërs) waren een prehistorisch volk en sprekers van het Proto-Indo-Europees. Daarmee staan ze tot op zekere hoogte genetisch, maar vooral cultureel en zeker taalkundig aan de basis van het huidige Indo-Europese cultuurgebied, waar Indo-Europese talen gesproken worden. Over de datering en lokalisering van het oervolk bestaat discussie. De prominentste opvattingen plaatsen de Indo-Europeanen in de Pontische steppe in het vijfde en vierde millennium v.Chr., of in Anatolië in het negende en achtste millennium v.Chr.
Het onderzoek naar de verwantschap van de Indo-Europese talen kwam langzaam op gang in de achttiende eeuw. Tegenwoordig spreekt men van Indo-Europese studies. Belangrijk daarbij is taalkundig en filologisch, maar ook archeologisch en soms genetisch onderzoek. Omdat een taalgemeenschap ook een bepaalde cultuur bezit, valt het onderzoek naar de geschiedenis, identiteit en cultuur van de Indo-Europeanen ook onder het vakgebied. Zo bestaat naast en aanvullend op vergelijkende taalkunde tevens vergelijkende mythologie, waarbij de hypothetische godsdienst en mythen van de Indo-Europeanen gereconstrueerd wordt.
Harde bewijzen zijn niet altijd te vinden om uitspraken over de Indo-Europeanen te onderbouwen. Weinig archeologisch bekende culturen kunnen zonder meer aangewezen worden als Indo-Europees, en er bestaan ook geen geschreven bronnen uit de periode. Vaak behoudt onderzoek daarom een hypothetisch karakter.
De term Indo-Europeaan wordt in Nederland ook gebezigd als synoniem van Indische Nederlander.
Periodisering Op basis van de oudste geschreven bronnen en een inschatting van het tempo waarop taal verandert, is aangenomen dat het Proto-Indo-Europees gesproken moet zijn geweest vóór 2000 v.Chr. Omdat de woordenschat een laat-paleolithische economie laat zien (domesticatie van planten en dieren, keramiek), moet het gesproken zijn ná 8000 v.Chr. Omdat de latere woordenschat ook woorden bevat voor bijvoorbeeld de ploeg, de kar en wol, is het onwaarschijnlijk dat zij deel gingen uitmaken van het Proto-Indo-Europees vóór 4000 v.Chr. Dergelijke cultuurtermen kunnen evenwel prima verbreid zijn over een Indo-Europees taalgebied dat al in beweging was. Een schatting dat het late Proto-Indo-Europees vermoedelijk rond 4000 v.Chr. gesproken is, zegt daarom nog niet veel over de verbreiding van de dialecten ervan.Mallory & Adams 2006, p. 454-455. Voor dezelfde datering, zie ook Gamkrelidze & Ivanov 1995, p. 761; Pereltsvaig & Lewis 2015, p. 180-181.
De oudste aftakking van de Indo-Europese taalfamilie is de Anatolische (Hettitisch, Luwisch, Palaïsch). Door het eigen karakter van deze groep moet hij in een zeer vroeg stadium van de Proto-Indo-Europese hoofdgroep afgescheiden zijn, ergens in het vierde millennium v.Chr. Bepaalde nieuwe ontwikkelingen die te zien zijn in het Grieks, Armeens en Indo-Iraans suggereren dat deze talen tot eenzelfde dialectgroep behoord hebben. Vermoedelijk was die als zodanig te onderscheiden in de loop van hetzelfde millennium. Het bestaan van een Mitannisch Indo-Iraans dialect halverwege het tweede millennium v.Chr. wijst erop dat de Indo-Iraanse hoofdgroep niet later dan het derde millennium v.Chr. uiteenviel.Gamkrelidze & Ivanov 1995, p. 761.
Halverwege het tweede millennium v.Chr. worden enkele Griekse dialecten aangetroffen, namelijk het Myceens, Arcado-Cypriotisch, Ionisch en Aeolisch. Het ene is niet uit het andere ontstaan. Ze gaan gezamenlijk terug op een gemeenschappelijke bron, die vermoedelijk bestaan heeft aan het eind van het derde of begin van het tweede millennium v.Chr.Gamkrelidze & Ivanov 1995, p. 761-762.
Deze globale tijdlijn is evenwel niet compatibel met de Anatolische hypothese, die het Proto-Indo-Europees enkele millennia vroeger plaatst.
Thuisland Het probleem bij het bepalen van het oorspronkelijke kerngebied is dat men niet kan weten wat men precies zoekt. Het Proto-Indo-Europees vormt zelf immers een deel van een grotere, oudere taalfamilie. Daarvoor zijn bijvoorbeeld het Proto-Indo-Oeralisch en het Nostratisch gepostuleerd. Het Proto-Indo-Europees is daarom geen duidelijk moment in de geschiedenis en beslaat evenmin een helder afgebakend gebied. Op hetzelfde moment moeten namelijk ook verwante dialecten bestaan hebben. De ontwikkeling van de proto-taal beslaat eeuwen of misschien een of twee millennia, en in die tijd kan er van alles zijn veranderd.Mallory & Adams 2006, p. 453-454. Het vaststellen van het thuisland is daarom een erg ruwe benadering.
Belangrijk is ook dat rekening gehouden wordt met de identificatie van leenwoorden en zelfs genetische verwantschap met andere taalfamilies, zoals het Oegrisch en het Semitisch. Als dergelijke verbanden correct zijn, dan ligt het voor de hand dat het Indo-Europese thuisland zodanig ligt, dat dergelijke uitwisselingen mogelijk zijn. De Pontische steppe laat dit toe.
Een ander punt is dat het Proto-Indo-Europees waarschijnlijk niet gesproken werd in een gebied waar in een vroeg stadium een niet-Indo-Europese taal gesproken werd. Zo zijn er oude schriftelijke bronnen overgeleverd van bijvoorbeeld het Soemerisch, Egyptisch, Hurritisch, Hattisch en Elamitisch.Mallory & Adams 2006, p. 457.
Verschillende plaatsen zijn als Indo-Europees thuisland aangewezen. In de negentiende eeuw had men de neiging die te zoeken in Azië. In de twintigste eeuw neigt men echter meer naar Europa.Mallory & Adams 2006, p. 443. Tezamen verschillen ze van Noord-India en Armenië tot de Baltische regio, Balkan, Kaukasus en Centraal-Europa. Twee belangrijke hypothesen zijn thans de Pontisch steppe en Anatolië. De eerste heeft de meeste aanhang. Beide vinden in archeologische termen echter weinig tot geen bewijs op basis waarvan de betrekkelijk snelle en grote verbreiding in Indo-Iraans Azië verklaard kan worden.
Anatolische hypothese thumb|450x450px|Kaart die de Indo-Europese expansie vanuit Anatolië laten zien volgens berekeningen.Atkinson & Gray et al. Gearchiveerd op 28 juli 2023. in hun studies van de afgelopen twaalf jaar. Echter, er is onder andere geen rekening gehouden met het niet-verwante Etruskisch. De Anatolische hypothese wordt vooral aangehangen door Colin Renfrew, Tamaz Gamkrelidze en Vjatsjeslav Ivanov (laatste twee stelden eerder nog de Kaukasus voor als thuislandZimmer 1990, p. 319.). De hypothese verbindt de Indo-Europese expansie met de verspreiding van de landbouw. De landbouw verbreidde zich vanuit Anatolië naar de Balkan richting Centraal-Europa. Daarvoor bestaat ook archeologisch bewijs. Voor de rest van Europa is deze verklaring echter moeilijker, hoewel de trechterbekercultuur als Indo-Europees beschouwd is. Vanuit de Balkan zou de agrarische Indo-Europese cultuur via de steppen tot voorbij de Oeral verspreid zijn, en vandaar naar het zuiden, richting Iran en India.
Dit is onzeker. De verbreiding van de landbouw, ook richting de Balkan, kan tevens gedragen zijn door gemeenschappen die geen Indo-Europese taal spraken, zoals Hattiërs of sprekers van Kaukasische talen.Mallory & Adams 2006, p. 460-461. Een neolithische expansie levert vervolgens moeilijkheden op met de latere maar algemeen Indo-Europese woorden voor 'wol', 'ploeg', 'kar' en dergelijke, waar toen nog geen sprake van was. Ook is er geen bewijs voor een expansiegolf vanuit de Balkan richting de steppen. Integendeel, er zijn aanwijzingen dat agrarische cultuur in Zuid-Rusland geïntroduceerd werd via de Kaukasus. Nog een andere moeilijkheid is dat de gekende Indo-Europese culturen in Anatolië ‘slechts’ een superstraat vormden.Mallory & Adams 2006, p. 462. Een laatste bedenking is dat het Proto-Indo-Europees in het geheel geen woorden bevat die verwijzen naar graansoorten, zoals tarwe en gerst.Zimmer 1990, p. 318.
In 2002 verscheen in het wetenschappelijke blad Nature een artikel] onder de Nieuw-Zeelandse supervisie van Russell Gray en Quentin Atkinson, waarin opnieuw de Anatolische hypothese bepleit werd op basis van nieuwe, statistische, fylogenetische bepalingen.Artikel Nature. Gearchiveerd op 28 juli 2023. Zij plaatsen het Proto-Indo-Europees in het achtste millennium v.Chr. en stelden tevens een gewijzigde stamboom voor de taalfamilie voor.Zie voor een bespreking van dit en andere modellen Clackson 2007, p. 10-19. De gebruikelijke paleolinguïstische argumentatie waarbij gewezen wordt op woorden voor technologische innovatie is wat hen betreft ontoereikend. Zo stellen ze dat het reconstrueren van een woord een ding is, maar het reconstrueren van de betekenis ervan veel moeilijker is. Het onderzoek gaf aanleiding tot een reeks publicaties voor en tegen het standpunt.Een uitvoerige tegenreactie verscheen in boekvorm mede door de aandacht en betrekkelijke populariteit van het artikel: Pereltsvaig & Lewis 2015.
Koerganhypothese thumb|450x450px|Hypothetisch Indo-Europees thuisland: koerganhypothese volgens Marija Gimbutas. Bezet gebied omstreeks 4000 v.Chr. thumb|450x450px|Yamnacultuur. Bezet gebied omstreeks 3000 v.Chr. G = pre-Proto-Germaans; I-C = pre-Proto-Italo-Keltisch; B-S = pre-Proto-Balto-Slavisch; G-A = pre-Proto-Grieks-Armeens; I-I = pre-Proto-Indo-Iraans. Bruin: Proto-Anatolisch. thumb|450x450px|Bezet gebied omstreeks 2000 v.Chr. De Indo-Europese dialecten hebben zich meer gedifferentieerd en beginnen proto-talen te worden. Het gebied van de Touwbekercultuur valt hier ongeveer samen met de noordelijke dialecten. Het dialect van de Indo-Europese bovenlaag van de Mitanni is nergens weergegeven, evenmin als de eventuele desintegratie van de Indo-Iraanse hoofdfamilie rond deze periode. thumb|450x450px|Bezet gebied omstreeks 500 v.Chr. Het probleem met veel kaarten is echter dat gebieden gemakkelijk als eentalig worden opgevat, terwijl taalgrenzen in werkelijkheid diffuus en individuen tweetalig kunnen zijn (en dus ook een niet-Indo-Europese taal kunnen spreken). Ook zijn er vermoedelijk veel Indo-Europese variëteiten geheel onbekend voor ons, waardoor de kaart (en stamboom) vermoedelijk te eenvoudig is.
De tweede breedgedragen hypothese is onder anderen bepleit door Marija Gimbutas, en staat ook wel bekend als de koerganhypothese. Diverse details van Gimbutas' theorie zijn bestreden,Zie bijvoorbeeld Zimmer 1990, p. 317-318. maar de kern vond veel aanhang. De theorie lokaliseert het thuisland in de bosrijke vlaktes en steppen van Oekraïne en Zuid-Rusland. Daar zijn ronde, prehistorische grafheuvels gevonden, koergans genaamd, die verbonden zijn met Indo-Europeanen. De westwaartse expansie begon vermoedelijk rond 4000 v.Chr. of in de eeuwen erna. De expansie wordt bij voorkeur voorgesteld met paard en (strijd)wagen. Archeologisch bewijs, zoals de typische kurgans, kan aangevoerd worden tot aan de rivier Tisza, maar in Hongarije en verder komen zij niet voor. De grootschalige herstructurering van de Balkancultuur in die tijd is niettemin geweten aan een Indo-Europese invasie, maar dit is bediscussieerd. De verbreiding oostwaarts wordt gelijk voorgesteld als bij de Anatolische hypothese. Critici beschouwen de steppecultuur echter als voorouder van de Indo-Iraniërs en Tocharen, maar niet van alle Indo-Europeanen,Mallory & Adams 2006, p. 461-462. hoewel dit op zijn beurt weer problemen met datering geeft. Recent archeogenetisch onderzoek ondersteund echter de hypothese, en benoemde de bronpopulatie als Westelijke Steppeherders.