Het Kasteel van Guise (Frans: Château de Guise) is een kasteel in de Franse gemeente Guise. Oorspronkelijk was het een vroegmiddeleeuws houten mottekasteel, het werd herbouwd in steen en vervolgens enorm uitgebreid tussen de 12de en de 16de eeuw. Het werd aan het einde van de 17de eeuw gerenoveerd door markies de Vauban om tegemoet te komen aan de toenmalige vooruitgang in de belegeringstechnieken. Een groot deel van het kasteel werd tijdens de Eerste Wereldoorlog tot puin herleid en wordt vanaf 1952 gerestaureerd door de Club du Vieux Manoir.

Geschiedenis Volgens sommige bronnen was de plaats van Guise al in de 6e eeuw bewoond. Dankzij haar strategische ligging aan de Oise, nabij de grens van het Frankische Rijk, ontwikkelde zij zich al vroeg tot een belangrijke versterkte plaats. Aan het einde van de 10e eeuw wordt op de heuvel boven de rivier een kasteel van de graven van Vermandois vermeld. In 1052 werd de burchtkapel verheven tot kapittelkerk, die tevens als grafkerk van de heren van Guise diende.

Middeleeuwen Na het beleg door Filips van de Elzas in 1180 werden het kasteel en de kapittelkerk herbouwd door Jacques d'Avesnes. Nadat Guise in 1185 in het koninklijk domein was opgenomen, werd waarschijnlijk de grote ronde donjon gebouwd, die nog altijd het belangrijkste overblijfsel van het middeleeuwse kasteel vormt. In de 14e eeuw werd het complex uitgebreid met een ommuring, ronde torens en een versterkte toegang.

Tijdens de Honderdjarige Oorlog werd Guise in 1424 na een beleg van vijf maanden ingenomen door Jan II van Luxemburg-Ligny. Onder Isabella van Luxemburg en Karel V van Maine vonden vanaf het midden van de 15e eeuw omvangrijke herstel- en versterkingswerken plaats, waarbij onder meer de donjon werd vernieuwd.

Uitbouw tot vesting

Nadat keizerlijke troepen Guise in 1536 hadden ingenomen en in brand gestoken, liet Claude de Lorraine het middeleeuwse kasteel omvormen tot een moderne vesting. Onder invloed van de nieuwe Italiaanse vestingbouw werden bastions, halve manen en kazematten aangelegd, waardoor Guise uitgroeide tot een van de vroegste voorbeelden van een gebastioneerde vesting in Frankrijk. Zijn zoon Frans van Guise zette deze werkzaamheden voort en liet tevens de stadsomwalling en de kapittelkerk herstellen.

In de 17e eeuw werd Guise een belangrijke koninklijke grensvesting. Het kasteel wist verschillende belegeringen te doorstaan, waaronder die van 1636 en 1650. Op verzoek van Lodewijk XIV inspecteerde Vauban de vesting in 1673. Onder zijn leiding werden de verdedigingswerken gemoderniseerd, de bastions aangepast aan de artillerie en nieuwe militaire gebouwen opgetrokken.

Verval Vanaf de 18e eeuw verloor Guise geleidelijk zijn militaire betekenis. Binnen de vesting verrezen woningen en tuinen, terwijl de aarde wal (glacis) als wandelplaats werden gebruikt. Tijdens de Franse Revolutie werd de kapittelkerk als artilleriedepot ingericht en in 1801 afgebroken. In de 19e eeuw verdwenen ook grote delen van de stadsomwalling. Hoewel het kasteel nog enige tijd als militair steunpunt bleef dienen, verloor het in 1881 definitief zijn functie als vesting.

thumb|55px Tijdens de Eerste Wereldoorlog gebruikten de Duitse bezettingstroepen de donjon als observatiepost. Daarom werd het kasteel zwaar beschoten door de geallieerde artillerie. Vrijwel alle bovengrondse gebouwen gingen verloren, evenals het karakteristieke 16e-eeuwse peperbusdak van de donjon.

Na de oorlog raakte het kasteel ernstig in verval. In 1925 werd het terrein verkocht aan de Parijse loodgieter Charles Donadio, die delen van het metselwerk liet slopen en de natuursteen verkocht aan de overheidsdienst "Conseil général des ponts et chaussées". Een latere eigenaar Ferdinand August Sonnet (Lamorteau (België), 28 oktober 1891 - Saint-Quentin (Frankrijk), gefusilleerd 12 juni 1944) liet de ondergrondse ruimten met puin en afval vullen, wat uiteindelijk leidde tot instabiliteit van de kasteelheuvel.

thumb|Gedenksteen Sonnet Tijdens de Tweede Wereldoorlog sloot Sonnet zich aan bij het Franse verzet, hij werd op 12 juni 1944 te Saint-Quentin gefusilleerd, hij werd postuum geëerd met het Oorlogskruis op 14 juli 1947. Zijn weduwe en kinderen droegen op 6 augustus 1965 het kasteel van Guise over aan de gemeente Guise. Ter zijner nagedachtenis is in de muur van de toegangsweg een gedenksteen geplaatst.Archives départementales du Val-d'Oise. 358, 691https://bel-memorial.org/names_on_memorials/display_names_on_mon.php?MON_ID=4651 Tegenwoordig is het kasteel een beschermd historisch monument en wordt het nog steeds onderhouden en onderzocht door de Club du Vieux Manoir.

Restauratie Een keerpunt kwam in 1952, toen Maurice Duton de vereniging Club du Vieux Manoir oprichtte. Vanaf 1954 begon deze vereniging met het vrijmaken, consolideren en restaureren van de ruïnes. Daarbij werden onder meer de fundamenten van de voormalige kapittelkerk en verschillende ondergrondse ruimten blootgelegd. Nadat het kasteel in 1965 eigendom van de gemeente Guise was geworden, werden de restauraties voortgezet.

Beschrijving thumb|Plan du chateau Het middeleeuwse kasteel werd omgeven door een ringmuur met daaraan ronde torens. Van deze torens zijn er zes geïdentificeerd. De toren die tegenwoordig in het bastion van de Haute-Ville is opgenomen, fungeerde als barbacane (voorwerk ter verdediging van de toegang) en bestond uit twee boven elkaar gelegen ruimten, die met een koepelgewelf waren overdekt.

De omwalling van de hoofdburcht omsloot twee binnenplaatsen. Op de eerste stond de kapittelkerk Saint-Gervais et Saint-Prothais. Moderne opgravingen hebben de funderingen blootgelegd, waardoor de plattegrond kon worden gereconstrueerd. Het koor eindigde in een driezijdige apsis en sloot aan op het transept, waarvan de noordelijke arm toegang gaf tot twee zijkapellen. Op de noordwesthoek van de westgevel bevond zich een ronde traptoren. In de zestiger jaren is de kerk tot aan de 4 meter dieper gelegen fundamenten uitgegraven, hierbij zijn veel historische vondsten gedaan die nu in het museum tentoongesteld zijn. Om de muren te conserveren is de grond weer terug gebracht zodat nu alleen de bovenzijde van muren zichtbaar is.

Op de eigenlijke kasteelplaats staat de donjon, opgetrokken uit baksteen op een sokkel van zandsteen. Dit is tegenwoordig het enige gebouw waarvan de opgaande muren nog behouden zijn. De toren is ongeveer 32 meter hoog en heeft een buitendiameter van 18 meter. De houten vloeren van de vier verdiepingen en het leien kegeldak, dat werd bekroond door een lantaarn, zijn verdwenen.

De overwelfde kelderverdieping diende als voorraadkelder en beschikte over een waterput. De eerste verdieping, met een vlak plafond, bevatte de keizerlijke zaal, die werd verwarmd door een grote haard. Een tegenwoordig verdwenen houten vloer scheidde deze ruimte van de Sint-Nicolaaskapel op de tweede verdieping, die was overdekt met een bakstenen ribgewelf met natuurstenen ribben.

De derde verdieping was bestemd voor de keukens, die waren voorzien van een broodoven. Deze oven werd in de 15e eeuw aangepast om er bakstenen in te bakken. Deze verdieping beschikte tevens over verdedigingsvoorzieningen. Een daarboven gelegen verdieping heeft haar gewelf verloren. Alle verdiepingen waren met elkaar verbonden door een wenteltrap, aangebracht in de muren, die een dikte hebben van 4,5 tot 5 meter.

De bakstenen vestingmuur, waarvan de hoeken waren versterkt met natuurstenen hoekstenen, werd aan de westzijde voorafgegaan door een halve maan (demi-lune of ravelijn), waarin zich de Porte de Paris bevond. De omwalling werd verder versterkt door de bastions van de Haute-Ville en de Alouette aan de westzijde en die van de Charbonnière en de Moineau aan de oostzijde. De aardwerken van de halve maan zijn nog altijd zichtbaar.

De Porte de la Ville werd beschermd door de westelijke vestingmuur en door een orillon (afgeronde bastionsflank) van het bastion van de Haute-Ville. Via een ophaalbrug stond deze poort in verbinding met de toegangsweg die vanuit de stad omhoog liep en aan de noordzijde werd beschermd door de uitspringende muur van de Poterne (posternpoort). De poort gaf toegang tot een overwelfde doorgang die uitkwam op de binnenplaats van het bastion van de Haute-Ville.

Op deze binnenplaats bevindt zich de Porte des Carrosses (Koetspoort), waarvan de oplopende doorgang naar de hoofdburcht voert, onder het Pavillon du Gouvernement door, naar het exercitieterrein. Rond dit plein bevinden zich de resten van de gevangenis en het arsenaal. In de onderbouw van het arsenaal bevindt zich nog steeds een grote zaal, overdekt met een tongewelf.

De bastions van de Charbonnière, de Alouette en de Haute-Ville bevatten zalen, kazematten en galerijen die zijn overdekt met ribgewelven of tongewelven. Zij zijn onderling verbonden door trappen, overdekt met trapsgewelven (voûtes à ressaut). Een deel van deze ruimten is tegenwoordig ingericht als museum van de kasteelsite.

Guise Categorie:Guise Categorie:Historisch monument in Hauts-de-France Categorie:Bouwwerk in Aisne