Leegkerk is een dorpje in de gemeente Groningen in de Nederlandse provincie Groningen met 75 inwoners. In het dorp staat de kerk van Leegkerk.

De naam betekent laag gelegen kerk, dit als onderscheid met de zuidelijke hoog gelegen kerk van Hoogkerk en als verwijzing naar het laaggelegen gebied waarin de plaats ligt. De plaats werd in 1335 'Nortliuwarthrawaldt' (Noord-Lieuwerderwolde) genoemd, een verwijzing naar het landschap Lieuwerderwolde waarbinnen het lag. In 1385 komt voor het eerst de naam 'Legakerke' (in terra Lywardewalde) voor. Vermoed wordt dat de naamsverandering te maken heeft met het feit dat het veen toen afgegraven was en het gebied rond Leegkerk lager was komen te liggen dan de zandopduiking waarop Hoogkerk ligt.

Geografie thumb|Nu onbehuisde wierde aan een voormalige meander van de Hunsinge. Op de achtergrond de suikerfabriek van Hoogkerk De kern van Leegkerk wordt gevormd door een buurtje aan de Leegeweg, die gedomineerd wordt door een deels nog 13e-eeuwse kerk op een gedeeltelijk omgracht kerkhof. Deze kerk staat op een lage wierde, die het hoogste punt vormt van de Leegeweg. Tegenover de kerk staat de voormalige pastorie en ernaast staat de voormalige kosterij-school. De meeste huizen van Leegkerk staan aan de knik in de Leegeweg ten noorden van de Kerkstraat van Hoogkerk, dat vroeger ook wel Sprikkenburg werd genoemd, naar de boerderij met herberg die hier vroeger op de kruising van de Noodweg met de Leegeweg stond. Onder Leegkerk vallen ook een aantal verspreide boerderijen (zie boerderijen) in de omtrek en het gehucht Slaperstil aan de Friesestraatweg. Vroeger viel ook het gehucht Gaaikemadijk onder Leegkerk, maar het noordelijke deel werd in 1811 bij de gemeente Aduard (nu Westerkwartier) gevoegd en het zuidelijke deel na de aanleg van de Friesestraatweg onder Dorkwerd.

Landschapsgeschiedenis en waterstaat thumb|Vermoedelijke loop van de Hunsinge (blauw) Het gebied rond Leegkerk vormde vroeger onderdeel van het landschap Lieuwerderwolde, waarbij -wolde verwijst naar het toenmalige landschap, dat bestond uit een drassig en dichtbegroeid moerassig veengebied. Wanneer de eerste mensen in dit gebied zijn gaan wonen is niet met zekerheid vastgesteld. Volgens Akkerman wordt het gebied pas na 900 bewoond.Akkerman, p. 2 Archeoloog Kortekaas stelt dat dit gebied in de 11e eeuw en waarschijnlijk al eerder werd bewoond, toen dit veengebied werd ontgonnen vanuit het noorden naar het zuiden toe, waarbij het gebied steeds werd ontgonnen vanuit het oosten naar het westen. In de 11e of 12e eeuw lag de grens van de ontginningen ten noorden van Hoogkerk en wat later was deze opgeschoven tot aan de Peizerweg. Het ontginnen van het veen ging waarschijnlijk gepaard met het afsteken, afgraven en verbranden van veen en wellicht ook met het ontwateren van het gebied om er rogge te kunnen verbouwen. Dit leidde tot oxidatie en inklinking van het veen, waardoor de bodem daalde en globaal in de 12e eeuw de zee kon inbreken in het gebied. Deze inbraken leidden ertoe dat bewoning onmogelijk werd en dat het veen met de resterende bewoningsporen in fasen vanuit het noorden werd weggeslagen, waarbij het zeewater vervolgens een laagje zandige klei afzette. De bewoners gaven echter niet op, want rond 1200 werd een tweede poging ondernomen om het gebied te ontginnen. Ditmaal werden de waarschijnlijk relatief hoog gelegen kleiachtige oeverwallen van de Hunsinge als ontginningsbasis genomen.Kortekaas, pp. 61-62. De Hunsinge was de benedenloop van het Peizerdiep, waarvan de vroegere loop onder andere nog te zien is aan de bochten in de Zijlvesterweg en in de verkaveling rond boerderijen als Gravenburg.Zie Kortekaas, p. 52 (kaart) Rond dit vroegere riviertje werden waarschijnlijk in de 13e eeuw veel huiswierden opgeworpen om de voeten droog te kunnen houden bij overstromingen, veroorzaakt door inbraken van de zee en door hoge waterstanden in het Eelder- en Peizerdiep. Een aantal van deze huiswierden is nog steeds behuisd met een boerderij.

thumb|left|Restant van de Oude Maar naar het zuiden toe vanaf de locatie van de vroegere Wol(d)til in de Leegeweg ten oosten van de Kerkstraat De waterhuishouding werd in de 13e eeuw grootschalig aangepakt door het Klooster van Aduard. Leegkerk was waarschijnlijk een van de oprichters van het Aduarderzijlvest, waarvan het samen met Dorkwerd een schepperij vormde. Na de reductie kreeg de stad Groningen de macht over de schepperij in handen ('staande' recht). De scheppers zelf waren doorgaans grote boeren.Kooij, p. 109 Het Aduarderzijlvest was onder andere verantwoordelijk was voor het graven van het Aduarderdiep, waarmee de Hunsinge werd afgesneden. Vanuit de Hunsinge werden later verschillende tochtsloten en maren gegraven om het omliggende laaggelegen gebied te ontginnen. Een daarvan was de WoldgraftOok Woldgraf, Wolt(e)graft(e), Woldgraaf, Woldgrave, dat in westelijke richting door Lieuwerderwolde werd gegraven (graft verwijst wellicht naar "graven") naar ofwel de Hunsinge of het latere Aduarderdiep.Mogelijk liep deze waterloop parallel iets ten zuiden van het oostelijke deel van de Leegeweg en voorbij de knik in de Leegeweg verder naar het westen via de vroegere 'Oude Laan' (parallel aan het westelijke deel van de Leegeweg en het in 1561 gegraven zuidelijke Kliefdiep/'t Maar/Vinkemaar). Langs deze vroegere Oude Laan liggen nog een viertal onbehuisde wierden. Haaks op de Woltgraft werd mogelijk in 1561 de Oude Maar of Klief(t)diep (vroeger ook wel Brundekemaar) gegraven vanaf de richting van het (later gegraven) Hoendiep naar het noorden via de WoltilDe eigenlijke Wol(d)til lag iets ten oosten van de knik in de Leegeweg over het Oude Maar en werd voor het laatst in 1617 genoemd. Op de kaart van Teijsinga van 1732 komt ook een boerderij Woltgraft voor, die later Woltil wordt genoemd en lag op de plaats van de huidige boerderij aan de Leegeweg 6 (bron: Akkerman, p. 3). in de Leegeweg om ten zuiden van de latere Friesestraatweg af te buigen naar het westen en verder te stromen naar het westen via de Slaperstil om bij boerderij het Kleine Waschhuis uit te stromen in het Aduarderdiep. De Woltgraft was is de 19e eeuw enkel nog de oude benaming voor het deel van de Oude Maar ten zuiden van de Leegeweg, dat ook wel 'olde gat' werd genoemd en voor een sloot parallel ten zuiden van de Leegeweg tussen boerderij HoitumheerdDeze boerderij behoorde tot het kerspel Hoogkerk en wordt voor het eerst genoemd in 1379 als het steenhuis Hoyting(ehuis). Het vormde vanaf dat jaar eigendom van het Heilige Geestgasthuis. In 1565 werd het genoemd als het 'voorwerk te Hoytinghe'. In een oorkonde uit 1543 wordt gesproken over de bouw van een tichelwerk bij de heerd. Ook in oorkonden van 1449 en 1492 is er al sprake van een tichelwerk ten noorden van de Woltgraft/Leegeweg (Van den Broek, p. 260, 368; noot 190). In 1851 verkocht het gasthuis de boerderij aan een particulier. In de jaren 1960 werd de boerderij gesloopt. De plek van de Hoitumheerd bevond zich tussen de Diamantlaan, Kornalijnlaan en Barnsteenstraat in Vinkhuizen. en de knik in de Leegeweg ten noorden van de Hoogkerkster Kerkstraat.Akkerman, p. 4 Vanuit Leegkerk zelf werd de Leegkerkermaar gegraven, die vroeger naar het westen toe uitstroomde in het Aduarderdiep In 1794 werd besloten tot het verbeteren van de afwatering door de bouw van een tweetal poldermolens ter bemaling van de polders van Dorkwerd, Leegkerk, Hoogkerk en het Westerstadshamrik, waarvan echter alleen de molen De Oude Held werd gebouwd ten zuiden van Leegkerk, waardoor de polders rond Leegkerk en Dorkwerd onvoldoende werden bemaald en daardoor te nat bleven. Na klachten van de ingelanden werd daarom in 1828 alsnog besloten tot de bouw van een molen ter bemaling van dit gebied; de poldermolen De Jonge Held aan het Oude Maar of Kliefdiep ten noorden van Leegkerk, waaruit de gelijknamige polder De Jonge Held ontstond. Niet altijd hielpen deze inspanningen: Nog in 1863 raakten de laaggelegen landerijen rond Leegkerk overstroomd bij een doorbraak van de Reitdiepdijk, waarbij vele schapen omkwamen.

Uiteindelijk hebben deze waterstaatkundige inspanningen geleid tot het ontstaan van het huidige kleiweidelandschap waar koeien, schapen en paarden grazen en waar ook veel weidevogels voorkomen, zoals de grutto, tureluur, watersnip en 's winters de goudplevier. De oude blokverkaveling en smalle kromme sloten zijn nog op verschillende plaatsen zichtbaar in het landschap. Tussen 1952 en 1954 werd het Aduarderdiep ten westen van Leegkerk gekanaliseerd ter verbetering van de aanvoer van bieten naar de suikerfabriek van Hoogkerk. De oude loop is nog te zien aan de loop van de Aduarderdiepsterweg ten zuidwesten van Leegkerk. In de jaren 1960 werd gedacht dat de bebouwing van de stad Groningen Leegkerk op korte termijn zou omsluiten. Dit is echter niet gebeurd: De kerk en omringende huizen en boerderijen liggen nog vrij in het landschap. Wel werd de wijk Gravenburg tegen het oostelijke deel van Leegkerk aangebouwd.

Bestuur Leegkerk vormde vroeger onderdeel van het landschap Middag, dat eerst onderdeel vormde van het Ommeland Hunsingo, maar vanaf de 16e eeuw onder het Westerkwartier kwam te vallen. De macht in het gebied was tot de reductie van Groningen in handen van het klooster van Aduard en lokale eigengeërfde boeren en kwam later in handen van de adellijke familie Lewe. Leegkerk vormde vroeger samen met Dorkwerd een rechtstoel (grietenij) die nog tot 1749 (als vroeger onderdeel van Middag) onderdeel vormde van de Oosterwarf van Hunsingo en Fivelingo. Later vormde Leegkerk een aparte rechtstoel.Van den Broek, p. 254 Het ambt van redger in de rechtstoel Leegkerk bestond uit 11 ommegangen, waarvan er 8 in de loop der tijd in handen kwamen van de familie Lewe en de rest in handen van de families Trip en Canters. In de 18e eeuw is ook sprake van een 'regthuis' in Leegkerk, maar waar dit heeft gestaan is niet bekend. In 1789 werden de rechtstoelen vervangen door de nieuwe gemeente Aduard, waarbij ook Dorkwerd en Hoogkerk werden gevoegd. In 1811 werd de gemeentelijke indeling gewijzigd en werd Leegkerk onderdeel van de nieuwe gemeente Hoogkerk. In 1969 werd deze gemeente geannexeerd door de gemeente Groningen.

Leegkerk vormt een buurt binnen de Groningse wijk Hoogkerk e.o.. De westgrens hiervan wordt gevormd door het Aduarderdiep in het westen en de Friesestraatweg in het noorden. De oostgrens lag tot 2014 bij de wijk Vinkhuizen (met boerderij 't Hooihuis) en de zuidgrens iets ten zuiden van de Leegeweg. De buurt bestond in 2013 uit de subbuurten Leegkerk-Dorp, Gravenburg-Noord, Gravenburg-Zuid, De Jonge Held en De Held noord. In het oostelijke deel verrezen in de jaren 1990 en 2000 de wijken De Held (noordelijke deel) en Gravenburg, waarop werd besloten om de buurtindeling te wijzigen om deze logischer te maken. In 2014 werd de buurt Leegkerk daarom aan zuidzijde vergroot en aan oostzijde verkleind, waarbij de wijken De Held en Gravenburg werden afgesplitst, maar ook de bebouwing van Leegkerk aan de knik in de Leegeweg ten noorden van Hoogkerk. De oostgrens bestaat hierdoor sinds 2014 uit de Noodweg en de Zijlvesterweg ten noorden daarvan, waarbij alle huizen rond de knik in de Leegeweg ten noorden van de Kerkstraat nu onder Hoogkerk vallen. Aan zuidzijde is het poldergebied 't Moor bij Leegkerk getrokken. 't Moor verwijst naar het Maar of Kliefdiep (nu Tochtsloot geheten), een afwateringssloot waaraan tussen 1797 en 1883 de molen De Oude Held stond.

Geschiedenis Vroege geschiedenis