thumb|Klassieke voorbeelden van kapitelen: a.Toscaans; b.Romeins-Dorisch; c.Ionisch; d.Modern Ionisch; e.Korinthisch; f.Composiet

Een (klassieke) bouworde is een van de oude stijlen van de klassieke architectuur, ieder gekenmerkt door de proporties en karakteristieke profielen en details, en het meest gemakkelijk herkenbaar door het type zuil dat er gebruikt is. De pilarenorde, zuilenorde of pilasterorde heeft betrekking op het hiërarchisch gebruik van vijf verschillende stijlen van de pilaar of zuil. Bij het gebruik van pilaren werd de juiste rangschikking hiervan het grote hoofdthema van de architectuur in de renaissance.

Vanaf de 16e eeuw en later erkennen architecturale theoretici vijf bouworden. De oorsprong van de orden ligt in het oude Griekenland, en later aangepast door de Romeinen. Elke stijl heeft een onderscheidend kapiteel en hoofdgestel. Wat ook zeer bijzonder is aan zuilen is dat er een verschil zit tussen een mannelijke of vrouwelijke zuil, zie eerste plaatje van tekeningen: de rechterkant is vrouwelijk.

Geschiedenis Het was de Romeinse architect Vitruvius die het gebruik van Griekse bouwvormen promootte in zijn architectuurboek De Architectura Libri Decem (De tien boeken van architectuur en in het Nederlands in 2008 verschenen als Handboek Bouwkunde). Hierin beschreef hij ook het gebruik van de pilaar of zuil. Het werk van Vitruvius was echter verminkt overgeleverd. Zo ontbraken de tekstverduidelijkende afbeeldingen.

Velen trachtten de ware ideeën van Vitruvius met betrekking tot de regels voor de ideale compositie van een gebouw, de constructie en de versieringen ervan te achterhalen. En ieder gaf zijn interpretatie hoe Vitruvius het volgens hem bedoeld zou hebben.

Zo publiceerden architecten als Leon Battista Alberti (1404-1472), Cesare Cesariano (1476/78-1543) en Sebastiano Serlio (1475-1553/55) hun ideeën in architectuurboeken. Deze staan ook bekend als (architectuur)traktaat, bouwordenboek, zuilenboek, voorbeeldboek en modelboek. In 1562 gaf Giacomo Barozzi da Vignola (1507-1573) zijn Regola delli cinque ordini di architettura (De vijf orden van de architectuur) uit. Het bevatte 32 platen die voorbeelden gaven van gebouwen die enkele van de pilaarstijlen hadden, waaronder het Pantheon dat de Korinthische pilaar heeft en het theater van Marcellus (beiden in Rome) dat de Dorische pilaar heeft. Het werd met toegevoegde illustraties meermaals in verschillende talen herdrukt.

De geleerde Daniele Barbaro (1513-1570) was in 1547 begonnen aan een Vitruvius-vertaling met daarbij zijn uitvoerige commentaar en ideeën. Barbaro publiceerde in 1556 een Italiaanse vertaling met commentaar. In 1567 gaf hij een Latijnse editie uit. Barbaro erkende echter dat de diepgaande kennis op het gebied van architectuur en archeologie van de architect Andrea Palladio (1508-1580) had bijgedragen aan dit werk. De zo ontbeerde tekstverduidelijkende illustraties die Palladio hier speciaal voor maakte, getuigen daarvan. Het werd zo de meest accurate versie van Vitruvius tot dan toe.

Palladio zelf beschreef de stijlvormen van de pilaren in zijn architectuurboek uit 1570 I quattro libri dell'architettura (De vier boeken van architectuur). Zijn navolger Vincenzo Scamozzi (1548-1616) gaf, voortbordurend op Palladio, een voorbeeldboek uit dat in zijn geheel uitgebreid over de pilaar en zuil ging L’idea della Architettura Universale (1615). Vooral het praktische gedeelte ervan werd meermaals herdrukt, soms in zakformaat voor gebruik ‘op de werkvloer’. Zo was er de uitgave van Symon Bosboom uit 1657, Cort onderwys vande Vijf Colommen. Scamozzi's boek verscheen in 2008 als De grondgedachte van de universele bouwkunst. Klassieke zuilenorden.

Opzet De verschillende pilaarstijlen zouden op een hiërarchische manier aan een gebouw moeten worden aangebracht. Dit al naargelang de belangrijkheid. In architectuurboeken wordt dan ook een vaste rangschikking aangegeven volgens welke men de pilaren diende aan te brengen. Deze wordt ook wel met ‘superpositie’ aangeduid. De term ‘orde’ wijst dan ook op een ‘schikking volgens een bepaald systeem’.

Onder deze ordening van de pilaren worden vijf verschillende stijlen van de pilaar of zuil gerekend. Ze hebben hun eigen voorgeschreven maatvoering en voorgeschreven bijbehorende kenmerkende versieringen, zoals aan het hoofdeind, het kapiteel. Scamozzi zette de schikking op van laag (beneden) naar hoog (naar boven): de Toscaanse pilaar of pilaar van de Toscaanse orde, omdat deze geen enkele versiering heeft. Dan de Dorische pilaar of pilaar van de Dorische orde, omdat deze ‘dragend’ ‘mannelijk robuust’ is, met een kussenachtig kapiteel. Daarboven komt de Ionische pilaar of de pilaar van de Ionische orde. Deze heeft een kapiteel in de vorm van een ramshoren. Deze wordt gevolgd door de Composiete pilaar of pilaar van de Composiete orde, ook Romeinse pilaar of pilaar van de Romeinse orde genoemd. Deze heeft een kapiteel in de vorm van een versmelting van een ramshoren en de bladeren van de acanthus. Deze heeft ook het kapiteel van de Korinthische pilaar of zuil, de Korinthische orde, die in de hiërarchie van de pilarenorden bovenaan staat.

Types Variërend van de gezette primitiefste tot aan de rijkste en slankste, zijn dit (hier rechts getoond) de: Toscaanse orde (ook wel Tuskisch) (Romeins), Dorische orde (Grieks en Romeins) (rechts de Romeinse versie getoond) Ionische orde (Griekse versie) Ionische orde (Romeinse versie) Korinthische orde (Grieks en Romeins) Composiete orde (Romeins)

Er zijn echter slechts drie antieke en originele orden in de architectuur, de Dorische, Ionische en de Korinthische, die uitgevonden waren door de Grieken. Aan deze drie voegden de Romeinen de Toscaanse orde, die veel simpeler was dan de Dorische, en de Composiete orde toe, die meer ornamentiek had dan de Korinthische.

De bouworde van een klassiek gebouw is vergelijkbaar met de modus of sleutel van de klassieke muziek, of de grammatica en de retorica van een geschreven compositie. Ze is opgebouwd uit verschillende modules zoals de intervallen van muziek, en het wekt bepaalde verwachtingen in een publiek afgestemd op de taal.

De drie onderdelen van een zuil zijn het basement, de schacht en het kapiteel. De horizontale structuur die wordt gedragen door de zuilen wordt het hoofdgestel genoemd, en bestaat uit de architraaf, fries en kroonlijst.

Het basement bestaat uit het stylobaat (de platte vloer waarop de zuilen geplaatst zijn), de sokkel (een blok, vaak vierkant, soms rond, die het onderste deel van het basement vormt), en lijstwerk met profielen. Bekende voorbeelden zijn de convexe torus en de concave scotia, gescheiden door banden.

Op de top van het basement is de schacht verticaal geplaatst. De schacht is rond van vorm en zowel lang als smal. De schacht wordt soms benadrukt met verticale holle groeven of cannelures. De schacht is aan de voet wijder dan aan de top, vanwege zijn entasis die begint op een derde van onder af aan omhoog, onmerkbaar maakt dit de column iets slanker aan de top.

Het kapiteel rust op de schacht. Het heeft een dragende functie, die het gewicht van het hoofdgestel op de ondersteunende kolom concentreert, maar het in de eerste plaats heeft het een esthetisch doel. De eenvoudigste vorm van het kapiteel is de Dorische, bestaande uit drie delen. De insnoering is de voortzetting van de as, maar is visueel gescheiden door een of meerdere groeven. Het lijstwerk ligt boven op de insnoering. Het is een cirkelvormig blok dat naar buiten uitstulpt naar de bovenzijde ter ondersteuning van de abacus, dat vierkant of een gevormd blok is dat op zijn beurt het hoofdgestel ondersteunt.

Het hoofdgestel bestaat uit drie horizontale lagen, die ieder visueel van elkaar gescheiden worden met behulp van sierlijsten of banden. De drie lagen van het hoofdgestel hebben verschillende namen: de architraaf komt op de bodem, het fries in het midden en de gevormde kroonlijst ligt op de top. In Romeinse en postrenaissance werken kan het hoofdgestel worden uitgevoerd van kolom tot kolom in de vorm van een boog die voortkomt uit de kolom die het gewicht draagt, met behoud van haar eventuele scheidingen en sculpturale verrijkingen.

Afmetingen De hoogte van de zuilen zijn berekend in termen van een verhouding tussen de diameter van de schacht aan de basis en de hoogte van de zuil. Een Dorische zuil kan worden omschreven als zeven diameters hoog, een Ionische zuil acht diameters hoog en een Korinthische zuil negen diameters hoog. Soms wordt dit geformuleerd als "lagere diameters hoog", om vast te stellen welk deel van de schacht is gemeten.

Griekse bouworden Er zijn drie onderscheiden bouworden in de oude Griekse architectuur: de Dorische, de Ionische en de latere Korinthische. Deze drie werden door de Romeinen overgenomen en veranderden hun kapitelen. De Romeinse overname van de Griekse orden vond plaats in de 1e eeuw voor Christus. De drie oude Griekse orden zijn sindsdien consequent gebruikt in de neoklassieke Europese architectuur.

Soms wordt de Dorische orde beschouwd als de oudste orde, maar er is geen bewijs om dit te ondersteunen. Integendeel, de Dorische en Ionische orden lijken te zijn verschenen rond dezelfde tijd, de Ionische in het oosten van Griekenland en de Dorische in het westen en het vasteland.

Zowel de Dorische en de Ionische orde lijken te zijn ontstaan in hout. De tempel van Hera in Olympia is de oudste goed bewaard gebleven tempel van Dorische architectuur. Het werd gebouwd net na 600 v. Chr. De Dorische orde spreidde zich later uit over Griekenland en Sicilië, waar het de belangrijkste bouworde was voor monumentale architectuur voor 800 jaar lang. 150px|thumb|De Dorische orde van het Parthenon

Dorische orde

De Dorische orde is ontstaan op het vasteland en het westen van Griekenland. Het is de eenvoudigste van de bouworden, gekenmerkt door korte, met facetten, zware kolommen met duidelijke, ronde kapitelen (toppen) en geen basement. Met een hoogte die slechts vier tot acht keer de diameter bedraagt, zijn de kolommen het meest plomp van alle orden. De schacht van de Dorische orde wordt uitgehold door 20 groeven. Het kapiteel bestaat uit een insnoering die van eenvoudige vorm is. Het lijstwerk is convex en het abacus is vierkant.

Boven het kapiteel bevindt zich een vierkante abacus die het kapiteel verbindt met het hoofdgestel. Het hoofdgestel is verdeeld in drie horizontale registers, het onderste deel daarvan is ofwel glad of gedeeld door horizontale lijnen. De bovenste helft is onderscheidend voor de Dorische orde. De fries van het Dorische hoofdgestel is verdeeld in trigliefen en metopen. Een triglief is een eenheid die bestaat uit drie verticale banden die worden gescheiden door groeven. Metopen zijn effen of gesneden reliëfs.

De Griekse vormen van de Dorische orde komen voor zonder een individueel basement. In plaats daarvan worden direct geplaatst op de stylobaat. Latere vormen echter kwamen met de conventionele basis bestaande uit een sokkel en een torus. De Romeinse versies van de Dorische orde hebben kleinere proporties. Als gevolg daarvan lijken ze lichter te zijn dan de Griekse orden. 150px|thumb|Ionische orde

Ionische orde

De Ionische orde kwam uit oostelijk Griekenland, waar de oorsprong vervlochten is met de soortgelijke, maar weinig bekend Aeolische orde. Het onderscheidt zich door slanke, gegroefde zuilen met een groot basement en twee tegengestelde voluten (rollen of krullen) in het lijstwerk van het kapiteel. het lijstwerk zelf is versierd met een ei-en-pijl-motief. De Ionische schacht wordt geleverd met vier meer groeven dan de Dorische tegenhanger (totaal 24). Het Ionische basement heeft twee convexe sierlijsten genaamd tori die worden gescheiden door een scotia.