thumb|Il milione Westerse opvattingen over Tibetaans boeddhisme waren tot in de 20e eeuw vooral het gevolg van verhalen en beschrijvingen van ontdekkingsreizigers, missionarissen en zendelingen. De overeenkomst tussen velen van hen was, dat zij niet of nauwelijks Tibetaans beheersten, geen kennis hadden van de kangyur, het belangrijkste deel van de Tibetaans boeddhistische canon en zich in die opvattingen sterk lieten leiden door hun eigen religieuze en ideologische overtuigingen.
Een cultuurhistorische studie van het Tibetaans boeddhisme op basis van wetenschappelijk onderzoek vangt in Europa pas aan na ca. 1930 met het werk van tibetologen als Paul Pelliot, Marcelle Lalou, Rolf Stein en iets later Giuseppe Tucci. De wetenschappelijk studie van het Tibetaans boeddhisme in Noord-Amerika begint feitelijk pas na 1960, na het ontstaan van de Tibetaanse diaspora.
Dit lemma beschrijft een aantal westerse opvattingen over Tibetaans boeddhisme tot ca. 1900. De overeenkomst hierin is, dat de meeste in die periode vigerende opvattingen - opnieuw met slechts enkele uitzonderingen - een dominant negatief beeld schetsten.
De eerste beschrijvingen De eerste beschrijvingen betreffen meestal observaties van Tibetaanse lama's aan het hof in Karakorum, de toenmalige hoofdstad van het Mongoolse Rijk. Willem van Rubroeck was aan dat hof in 1254 en merkt op:
Enige decennia later verblijft Marco Polo aan het hof van Koeblai Khan. Hij merkt daar de aanwezigheid op van bedrijvers van zwarte magie, afkomstig uit TEBET en KESIMUR (Kashmir) zoals de namen van de landen luiden waar ze vandaan komen. Zij bedrijven het werk van de duivel, maar proberen anderen te laten geloven dat zij het doen ten behoeve van hun god. Zij zijn smerig, geven niets om hun eigen eer, noch om de eer van anderen die hen zien; zij hebben altijd modder op hun gezicht en wassen en kammen zich nooit. Ze behoren tot het ras van de meest kwaadaardige geestenbezweerders.
Als hij in Il Milione, opgetekend door Rustichello van Pisa, een latere periode van zijn verblijf beschrijft oordeelt Marco Polo iets genuanceerder over het boeddhisme. Hij merkt echter vooral de overeenkomsten op tussen deze afgodendienst en het christendom. Daarmee zet Marco Polo een denkrichting neer, die tot in de 20e eeuw zou voortduren.
In de 14e eeuw beschrijft Odoric van Pordenone die tussen 1318 en 1330 in het Mongoolse rijk reist een belangrijke tulku.
Het is niet meer met zekerheid na te gaan welke tulku Odoric van Pordeone beschrijft. De meest waarschijnlijke optie is die van Namkha Legpa, de twaalfde sakya trizin, het hoofd van de sakyatraditie.
Als gedegenereerde vorm van het rooms-katholicisme Vanaf de vestiging van de Portugezen in India in de loop van de 16e eeuw waren er de in de koloniale expansie van West-Europa gebruikelijke geruchten over het bestaan van christelijke gemeenschappen als gevolg van veel vroegere evangelisatie. Die geruchten werden gevoed door de mythe van Pape Jan, een priester-koning die in Azië of Afrika een christelijk rijk zou hebben gesticht. Deze gemeenschappen werden in dit geval gezocht achter de bergketen van de Himalaya. Het was dan ook een kwestie van tijd dat missionarissen verbonden aan de vestigingen van met name Portugese, maar ook andere jezuïeten op zoek gingen naar deze gemeenschappen.
António de Andrade weet in 1616 Tibet te bereiken en schrijft daarover:
Johann Grueber bereikt Lhasa in 1661 en constateert dat
In Europa vormde zich dan ook de opinie dat er werkelijk in Tibet sprake was geweest van een christelijke missie in veel vroeger tijden, maar de door de missionarissen aangetroffen religie een in de loop van de tijden volstrekt gedegenereerde en gedeformeerde vorm daarvan was. Deze opinie heeft lang standgehouden.
In 1846 verblijven de missionarissen Évariste Régis Huc en Joseph Gabet in Lhasa. In hun boek Souvenirs d’un voyage dans la Tartarie, le Thibet et la Chine pendant les années 1844, 1845 et 1846 gaan zij uit van de overtuiging dat een christelijke missie in Tibet verantwoordelijk is geweest voor een belangrijk deel van het ritueel van het Tibetaans boeddhisme. Zij vertellen een verhaal over een ontmoeting die Tsongkhapa, de geestelijke vader van het gedachtegoed van de Gelug, ruim 400 jaar voor hun verblijf gehad zou moeten hebben met een lama uit het uiterste westen die Tsongkhapa als zijn discipel inwijdde in de religieuze doctrines van het westen. Huc en Gabet formuleren dan dat deze man een katholieke missionaris is geweest, die helaas door zijn vroegtijdig overlijden Tsongkhapa niet volledig over het christendom had kunnen informeren. Door de onvolledige kennis was er dus een volstrekt gedeformeerde versie ontstaan van wat eigenlijk het katholicisme moest zijn. De wijze waarop Huc en Gabet dit beschrijven is zo onhandig en naïef, dat hun boek door de rooms-katholieke kerk op de Index librorum prohibitorum (lijst van verboden boeken) wordt geplaatst. Wessels, C. eindnoot 37, pag. 499 in: Filippi, Felippo de (bewerking, 2006), An account of Tibet: The travels of Ippolito Desideri, Rupa & Co, New Delhi,
De denkrichting van Huc en Gabet is echter nog zelfs door Sven Hedin in zijn boek Transhimalaya uit 1951 serieus besproken. Sven Hedin, "Transhimalaya"
(Het is overigens mogelijk dat er op heel andere wijze dan bovengenoemde auteurs veronderstelden enige contacten in de 8e en mogelijk 9e eeuw zijn geweest tussen het westen van Tibet en enige christenen. Er zijn brieven van Timoteüs I (727 - 823) hoofd van de Nestoriaanse Assyrische Kerk van het Oosten vanaf 779. In een van die brieven benoemt hij een aantal landen waar de Trisagion, een van de oudste christelijke gebeden, wordt gereciteerd. Daarin wordt Tibet genoemd. In een andere brief kondigt hij zijn voornemen aan een bisschop voor Tibet te benoemen. De brieven moeten van ongeveer rondom 790 dateren. thumb|Christelijke kruisen op rotsen in het westen van Tibet. Omstreeks 900. De inscriptie bij het kruis aan de linkerkant is ´´ In het jaar van het varken ´´
Een andere aanwijzing is de aanwezigheid van een aantal kruisen die gekerfd zijn in rotsen in het westen van Tibet. Onder de Tibetaanse manuscripten van Dunhuang is een tekst, bekend als Pelliot tibétain 351, die een voornamelijk boeddhistisch karakter heeft, maar de volgende passage bevat;
Deze noties hebben echter nooit een rol gespeeld in de hierboven en hieronder vermelde opvattingen over eerder christelijke missies.) Schaik, Sam van, "Christianity in early Tibet", Early Tibet
Als werk van de duivel thumb|Athanasius Kircher De opvatting, dat de religie van Tibet kennelijk zoveel overeenkomsten had met het rooms-katholicisme leidde later bij andere auteurs tot andere opvattingen. Een aantal zocht dat in het werk van de Duivel. Er zijn daarvan vele voorbeelden te geven. Hieronder worden er twee beschreven.
In 1667 schrijft Athanasius Kircher in zijn China Illustrata over de verering van de dalai lama.
Een Portugese missionaris merkt in 1854 nog op dat
De grote uitzondering; Ippolito Desideri Van 1716 tot 1721 verblijft de Italiaanse jezuïet Ippolito Desideri in Centraal-Tibet. In korte tijd heeft hij een vloeiende beheersing van het Tibetaans in zowel woord al geschrift. Hij krijgt daardoor ook toegang tot de hoogste kringen van de geestelijkheid en de adel in Tibet. Zijn beschrijving van ruim vijf jaar in het land vormt het belangrijkste deel van de Relazione del Viaggio di Ippolito Desideri. Het is de eerste algemene accurate beschrijving van Tibet. Desideri beschreef het landschap, de flora en fauna, de landbouw in Tibet, de Tibetanen met hun gebruiken, de sociale orde, de voor dat moment recente geschiedenis van Tibet en vooral het Tibetaans boeddhisme.
Tot dan toe werd er gesproken over de religie van Tibet zonder enig besef van het feit dat dit een regionale variant van het boeddhisme was. Desideri merkt als eerste de voornamelijk uit India afkomstige wortels van het Tibetaans boeddhisme op. In zijn boek geeft hij ook een correcte samenvatting van zowel de kangyur als de tengyur, de Tibetaans boeddhistische canon. Hij beschrijft op correcte wijze het proces van de selectie van gereïncarneerde tulkus. Desideri is van opvatting dat de oorspronkelijk uit India afkomstige religie enigszins in onbruik raakte en er daarbij in Tibet nieuwe verhalen verzonnen werden. Hij noemt echter de Tibetanen een intelligent volk, begiftigd met verbeeldingskracht, die afscheid hebben genomen van veel dat in de oude leerstellingen onbegrijpelijk was en behouden hebben dat waarheid en goedheid leek.
Desideri oefent in zijn boek ernstige kritiek uit op eerder verschenen publicaties over Tibetaans boeddhisme. Hij noemt met name de boeken van Marco Polo, António de Andrade, Athanasius Kircher en een aantal andere wat minder bekende auteurs. Hij wijst op een aantal grote fouten in hun werk, spreekt ook de overtuiging uit dat auteurs die nooit in Tibet zijn geweest dan wel geen Tibetaans beheersen nooit in staat zullen zijn om tot een correcte opvatting te komen.
De Relazione del Viaggio di Ippoliti Desideri zal geschreven zijn na zijn terugkeer uit Tibet tijdens zijn verblijf daarna in India of gedurende de laatste jaren van zijn leven in Europa, vanaf 1727. Het werk raakt vrijwel onmiddellijk na zijn overlijden in de vergetelheid tot het pas in 1875 gevonden werd in een privébibliotheek in Florence. Pas in 1904 werd een eerste publicatie in het Italiaans uitgegeven. Dat was echter een uitgave waar maar een deel van de beschrijving van Desideri in voorkomt. In 1924 werden door Cornelius Wessels in de archieven van de orde der jezuïeten in Rome nog twee andere manuscripten van Desideri gevonden waarin andere hoofdstukken voorkomen. De meest gebruikte versie nu is samengesteld door Filoppo de Felippi uit die drie manuscripten. Filippi, Felippo de (bewerking, 2006), An account of Tibet: The travels of Ippolito Desideri, Rupa & Co, New Delhi, pag. 338-343,
Het Lamaïsme thumb|Peter Simon Pallas
Onwetend van de hen onbekende manuscripten van Desideri blijven Europese auteurs nog lange tijd geen enkele relatie zien tussen het voornamelijk in India ontstane boeddhisme en de variant daarvan in Tibet. Er blijft gesproken worden over de religie van Tibet. In 1784 betoogt Johan Herder in zijn Outlines of the History of Man dat door de in Tibet heersende klimatologische omstandigheden de religie van de lama's daar nooit ontstaan kan zijn. Hij voegt eraan toe, dat als "er ooit een religie op aarde is geweest, die het etiket van monsterlijk en inconsistent verdient, dit wel de religie van Tibet moet zijn". Herder, Johan, "Outlines of History of Man"
Medio 18e eeuw begonnen de Chinese keizers ook in formeel opzicht een onderscheid te maken tussen het Tibetaanse boeddhisme en de traditionele Chinese vorm van boeddhisme. De laatste werd dan eenvoudig fojiao genoemd. De eerste kreeg de naam lamajiao. Perdue, Peter C. (2005), China marches West: The Qing Conquest of Central Eurasia, pag. 433, 444, Belknap Press of Harvard University Press,
De eerste keer dat het woord lamaïsme in de Europese literatuur wordt gebruikt is in een rapport uit 1769 van Peter Simon Pallas, een Duits botanicus die in Sint-Petersburg werkt. In zijn werk Samlungen historischer Nachrichten ueber die mongolischen Voelkerschaften spreekt hij op basis van onderzoek onder de Kalmukken over de "leerstellingen van het lamaïsme" die een verzinsel zijn van priesters en illusies waardoor deze de onwetende meerderheid proberen te misleiden. Ook hij maakt weer de vergelijking met het rooms-katholicisme. Hun hoofd, de dalai lama kan beschouwd worden als hun paus, behalve het feit dat zijn ziel voortdurend van de ene naar de andere menselijke gestalte verhuist en vergoddelijkt wordt. Pallas, Peter Simon, "Samlungen historischer Nachrichten ueber die mongolischen Voelkerschaften"
Gedurende de hele 18e eeuw zal er verder niemand in Europa zijn, die de Indiase wortels van het Tibetaans boeddhisme opmerkt.