thumb|Druivenserres in Vlaams-Brabant thumb|Suikerbieten worden van het land gehaald bij Tienen De land- en tuinbouw in Vlaanderen heeft traditioneel een familiaal karakter, maar wordt, net als de landbouw in andere regio’s, in toenemende mate gekenmerkt door schaalvergroting, specialisering, innovatie en verbreding. Intensieve sectoren maken in Vlaanderen het grootste deel van de landbouw uit: varkens-, pluimvee- en melkveehouderij, groenten en fruit, sierteelt. In Wallonië ligt de nadruk op akkerbouw en extensieve grondgebonden veeteelt.
Structurele aspecten
Vlaanderen telt in 2024 23.225 landbouwbedrijven, waarvan 78% met beroepsmatig karakter (standaardoutput van minstens 25.000 euro). Het aantal landbouwbedrijven is sinds 2013 met meer dan 13% teruggelopen, wat neerkomt op een gemiddelde daling van 1,3% per jaar. Vooral kleinere bedrijven stoppen. In tien jaar tijd is de gemiddelde oppervlakte cultuurgrond per bedrijf met 13% gestegen tot 29 hectare. De schaalvergroting laat zich ook voelen in de gemiddelde veebezetting per bedrijf. Een gespecialiseerd rundveebedrijf heeft in 2024 156 runderen, een varkensbedrijf 2.407 varkens en een pluimveebedrijf 69.614 kippen. Ook de gemiddelde standaardoutput per bedrijf groeit gestaag,
De land- en tuinbouw bewerkt in 2024 een areaal van 618.225 hectare of 46% van de Vlaamse grondoppervlakte. Daarvan nemen voedergewassen (weiden, voedermaïs) met 55% en graangewassen (inclusief korrelmaïs) met 18% het grootste aandeel voor hun rekening. De totale oppervlakte voor land- en tuinbouw is licht gestegen ten opzichte van 2014. Dat komt vooral door de groei bij aardappelen en groenten. De bewerkte oppervlakte is voor 40% in eigendom van de landbouwer zelf, de rest is in pacht.
De land- en tuinbouw wordt gekenmerkt door een sterke specialisatiegraad. Negen op de tien bedrijven zijn gespecialiseerd in een van de drie subsectoren. 45% van de bedrijven heeft als specialisatie veeteelt (melkproductie, varkens, rundvee en pluimvee), 33% akkerbouw (granen, aardappelen, suikerbieten) en 13% tuinbouw (groenten, fruit, sierteelt).
De biologische landbouw neemt in Vlaanderen in 2025 een areaal van 10.483 hectare in, 1,7% van de totale cultuuroppervlakte. Het aantal biologische bedrijven bedraagt in 2025 639 eenheden. Gemiddeld zijn in Vlaanderen 3% van de landbouwbedrijven bio. In 10 jaar tijd zijn de Vlaamse biolandbouwers met nagenoeg de helft toegenomen. Biobedrijven zijn met een gemiddelde oppervlakte van 16 hectare kleiner dan conventionele bedrijven.
Economisch belang De Vlaamse land- en tuinbouwsector realiseert in 2024 een eindproductiewaarde van 7,9 miljard euro. Van de totale productiewaarde neemt de veeteelt 64% in, de tuinbouw 27% en de akkerbouw 9%. De vijf belangrijkste subsectoren qua productiewaarde zijn varkens (1,85 miljard euro), melk en melkderivaten (1,49 miljard euro), groenten (1,08 miljard euro), runderen (716 miljoen euro) en fruit (604 miljoen euro). Zij vertegenwoordigen samen 72% van de totale eindproductiewaarde.
In 2023 zijn er 43.585 personen regelmatig tewerkgesteld in de Vlaamse land- en tuinbouw. Omgerekend naar voltijdse arbeidskrachten (VAK) en rekening houdend met de niet-regelmatig tewerkgestelden betekent dat 35.330 VAK of gemiddeld 1,62 VAK per bedrijf. 39% van de totale voltijdse arbeid is terug te vinden op gespecialiseerde veeteeltbedrijven, 36% op tuinbouwbedrijven, 16% op akkerbouwbedrijven en 9% op gemengde bedrijven. De arbeidsbezetting is overwegend familiaal, met 66% van het totale aantal regelmatig tewerkgestelde personen en 52% van de VAK. Het aandeel familiale arbeidskrachten is sectorafhankelijk. In de tuinbouw zijn er meer niet-familiale seizoenarbeiders.
Vlaanderen heeft in 2025 een handelsoverschot van +9,5 miljard euro in de handel in agrarische producten. De invoer ligt op 51,9 miljard euro, de uitvoer op 61,4 miljard euro. Enkele belangrijke exportproducten zijn cacaoproducten (5,9 miljard euro), zuivelproducten (4,4 miljard euro), vers en bevroren vlees (3,3 miljard euro), banketbakkerswerk zoals koekjes en wafels (3,0 miljard euro) en aardappelbereidingen (2,6 miljard euro). Vlaanderen heeft een aandeel van 6,5% in de totale agrarische uitvoer van de EU-27. België prijkt op de zesde plaats in het EU-klassement van de agrarische uitvoer, na Nederland, Duitsland, Frankrijk, Spanje en Italië. Vlaanderen neemt 85% van de Belgische landbouwexport voor zijn rekening.
Het aandeel van de landbouw, inclusief bosbouw en visserij, in de totale bruto toegevoegde waarde bedraagt in 2024 in Vlaanderen 0,7%. Gemiddeld in de Europese Unie bedraagt dat kengetal 1,8%.
Regionale spreiding
Het belang van de landbouwsector in Vlaanderen is regionaal gebonden. Een landbouwtyperingskaart geeft het resultaat weer van een classificatie van gemeenten met een gelijkaardige landbouwactiviteit. De typische regio’s zijn herkenbaar: fruit rond Sint-Truiden, glasgroenten ten noorden van Sint-Katelijne-Waver, sierteelt ten oosten van Gent, rundvee in de Vlaamse Ardennen en het Pajottenland en ten slotte intensieve veehouderij (varkens en pluimvee) verspreid over West-Vlaanderen, het Waasland en de Kempen. Rond Mechelen is er een streek met overwegend openluchtgroenten. In de omgeving van Leuven komt akkerbouw in combinatie met rundvee voor. De Gentse sierteeltstreek wordt omgeven door een gebied met rundvee. De streek rond Maldegem, Malle, Ham en Peer wordt geklasseerd als melkvee.
De verklaring voor deze variatie ligt in de geschiedenis en in bodemfysische factoren. Veredelingsbedrijven hebben zich gevestigd in de onmiddellijke nabijheid van de mengvoederindustrie en de slachthuizen. De groente- en fruitteelt is geconcentreerd rond de veilingen en de afgeleide industrie.
Landbouw en omgeving
miniatuur|Eco-efficiëntie van de Vlaamse landbouw, index: 2011 = 100%, 2011-2016
Om een beeld te krijgen van de eco-efficiëntie van de landbouw plaatsen we drukindicatoren tegenover een economische indicator. In de periode 2011-2016 blijft de eindproductiewaarde eerst stabiel, maar stijgt daarna om te stabiliseren op dit hoge niveau. De milieudrukindicatoren evolueren in die periode onderling verschillend ten opzichte van de eindproductiewaarde. Bij het fosforkunstmestgebruik, de gewaserosiegevoeligheid, de verzurende emissies en de emissie van zeer fijn stof verbetert de eco-efficiëntie dankzij het gevoerde erosie- en mestbeleid. Hetzelfde mestbeleid is verantwoordelijk voor de stijging van het stikstofkunstmestgebruik. P2O5 is nu het limiterende element in dierlijke mest, zodat meer stikstof uit kunstmest nodig is om aan de gewasbehoeften te voldoen.
De ongunstige evolutie van de druk door gewasbeschermingsmiddelen is deels te verklaren door het verbod op bepaalde neonicotinoïden, waardoor meer vollegrondsbehandelingen nodig zijn. Daarnaast leidden verschillende ongunstige weersomstandigheden, zoals de natte en warme zomer van 2014, de natte meimaand in 2015 en de natte eerste jaarhelft van 2016, afwisselend voor een hoog fungicidegebruik op het groeiend aardappelareaal en in de fruitteelt.
De grootte en de samenstelling van de pluim-, rundvee- en varkensstapel wijzigden licht in de periode 2011-2016. Mede door het stijgend aantal warmte-krachtkoppeling in eigen beheer in de glastuinbouw, technologische verbeteringen met betrekking tot mesttoediening, -bewerking en -verwerking, en emissiereductie resulteerden deze ontwikkelingen toch nog in een dalende trend van de broeikasgasemissies. De hoge gemiddelde temperatuur in 2011 lijkt een invloed te hebben op het energiegebruik. Enkel 2014, dat nog warmer was, had een gelijkaardig energiegebruik. Tot slot ligt het watergebruik in de periode 2012-2016 lager.
Het netto primaire energiegebruik door de landbouwsector bedraagt in 2016 27,9 petajoule. De groenteteelt onder glas blijft met 42% de grootste energiegebruiker. Het aandeel van aardgas stijgt van 55% in 2011 tot 59% in 2016. Het aandeel stookolie, LPG en benzine blijft in dezelfde periode gelijk (34%). Biomassa groeide van 10% naar 12%, onder meer door de pocketvergisters. Zware stookolie en steenkolen nemen elk 2% voor hun rekening. Sinds 2010 is de Vlaamse landbouwsector door WKK's en zonnepanelen een nettoproducent van elektriciteit. In 2016 plaatst de landbouw 2,2 petajoule meer op het net dan er aangekocht wordt.
Het aandeel van de landbouw in de totale Vlaamse broeikasgasemissie bedraagt 10% in 2021. Het relatief grote aandeel van de landbouw is te wijten aan het feit dat 58% van de lachgas (N2O)-emissie en 72% van de methaan (CH4)-emissie uit de landbouw komt. Aangezien beide gassen een veel zwaarder broeikaseffect hebben dan koolzuurgas (CO2), komt de landbouw aan een groter aandeel in de totale broeikasgasemissie dan de economische grootte en het energiegebruik van de sector doen vermoeden. In 2016 bedraagt de totale emissie van broeikasgassen uit de landbouw 7,4 Mton CO2-eq, een daling met 23% ten opzichte van 1990. Methaanuitstoot is vooral afkomstig van verteringsprocessen uit de veehouderij. Lachgasemissie komt grotendeels direct uit de bodem.
Landbouwbeleid De landbouw- en voedingssector is via allerlei complexe interacties verbonden met de rest van de economie. Verdergaande mondialisering beïnvloedt de sector diepgaand. Ook andere internationale ontwikkelingen hebben een impact op de landbouw in Vlaanderen: de groeiende wereldbevolking, de klimaatverandering, de uitputting van fossiele brandstoffen en niet-hernieuwbare grondstoffen, de prijsschommelingen van voedingsproducten, de omgang met genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s). De landbouwsector zal ook in de toekomst geconfronteerd worden met een verdere liberalisering van de wereldhandel en een globalisering van de voedselketens.
Om tegemoet te komen aan de evoluerende economische omstandigheden en behoeften van burgers enerzijds en om te zorgen dat de Europese landbouw toekomstbestendig is, wordt regelmatig een nieuw Gemeenschappelijk landbouwbeleid opgesteld. Het nieuwe GLB 2023-2027 past binnen de ambities van de Europese Green Deal, de Farm to fork-strategie en de biodiversiteitsstrategie.
In 2024 heeft Vlaanderen in totaal 395 miljoen euro uitbetaald via het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Bijna drie kwart bestaat uit markt- en inkomenssteun (pijler 1), met als belangrijkste maatregelen de rechtstreekse betalingen en de gemeenschappelijke marktordening (GMO) groenten en fruit. Een kwart van de betalingen bestaat uit plattelandsontwikkeling (pijler 2), vooral investeringssteun uit het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF) en agromilieuklimaatmaatregelen. Melkvee heeft met 20,6% het grootste aandeel van het budget, gevolgd door akkerbouw (17,2%), glastuinbouw (11,5%) en vleesvee (10,9%). Bijna 34% van de GLB-steun gaat naar jonge landbouwers van maximum 40 jaar.
Dierenwelzijn In 2014 werd dierenwelzijn een gewestelijke bevoegdheid.