Door de eeuwen heen is Vlaanderen het toneel geweest van vele migratie-stromen.
Neolithicum thumb|Leefgebied van de verschillende stammen der BelgaeVoor de verovering door de Romeinen werd het gebied dat nu Vlaanderen is, bewoond door de Belgae. Dit was niet één volk, maar een verzamelnaam voor een reeks verschillende stammen. De Menapiërs en Morini woonden in de kuststreek; de Nerviërs en de Atuatuci in Centraal-Vlaanderen en de Eburonen in de Maasvallei. Volgens Julius Caesar waren de Belgen van Germaanse afkomst.Commentarii de Bello Gallico boek 2, IV. Tegenwoordig gaat men er echter van uit dat ze een mengeling waren van Germanen en Kelten.
Gallo-Romeinse periode Omstreeks 57 v.Chr. kwamen de eerste Romeinen naar onze streken, ten gevolge van de nederlaag van de Belgae in de slag aan de Sabis. Het daaropvolgende oorlogsseizoen wijdde Caesar aan de vernietiging van de Eburonen, waarvoor hij Atuatuca als uitvalsbasis nam.Caes., D.B.G., VI 29.4-44 Hij verklaarde de stam vogelvrij; iedereen mocht ze plunderen en vermoorden. De Eburonen vluchtten naar de meest ontoegankelijke uithoeken van het Belgisch territorium: het Ardennerwoud, de Peel ("aaneengesloten moerassen") en de delta van Maas en Rijn ("op eilanden die door de getijden worden gevormd"). Velen verlieten Gallië helemaal.Caes., D.B.G., VI 31.5
Ongetwijfeld leed de bevolking zwaar onder deze represailles, maar het is onwaarschijnlijk dat de Eburonen volledig uitgeroeid werden. De streek werd in ieder geval sterk ontvolkt. Met toestemming van Caesar vestigden zich daarom Germaanse stammen in het vroegere gebied van de Eburonen. Dit waren de Frisiavones aan de Schelde; de TexuandriDe tekst van Plinius Maior († 79 n.Chr.) waarin deze volkeren voor het eerst zijn genoemd (Naturalis Historia, IV.100 en 106), is niet altijd even duidelijk. Texuandri (ook: Texandri, Toxandri, Taxandri) blijkt in elk geval een verzamelnaam te zijn geweest: zij droegen verschillende (stam)namen. Texuandri wordt in verband gebracht met het Gotisch taíhswa - rechts, wat de betekenis "rechtermensen" oplevert; rechts werd in overdrachtelijke zin gebruikt voor zuid, misschien west. in Taxandrië, de huidige Kempen - de naam Tessenderlo stamt van hen - en de Tungri (de naamgevers van Tongeren) in Haspengouw.
Rond 100 na Chr. startte de romanisering. Hierbij vermengde de oorspronkelijke bevolking zich met de immigranten en Romeinse soldaten; de aristocratie paste zich aan de Romeinse levenswijze aan en kreeg burgerrechten. De macht van de druïden werd sterk ingeperkt en de Keltische goden werden in het Romeinse pantheon ingepast.
Frankische periode
Rond 260 n.C. vonden de eerste invallen van de Salische Franken plaats. In 358 n.C. kregen zij van de Romeinen de toestemming zich in Taxandrië (de huidige Kempen) en de Betuwe, in het huidige Zuid-Nederland, te vestigen. In ruil daarvoor dienden zij als buffer tegen invallen van andere Germaanse stammen en werden ze foederati (bondgenoten). Als zodanig streden zij onder andere in 451 n.C. aan de zijde van Aetius tegen de Hunnen (en hun bondgenoten) tijdens de Slag op de Catalaunische Velden.
In 405 n.C. werden de Romeinse troepen uit de Rijnprovincies weggetrokken omdat men ze nodig had in de strijd tegen de Goten, die dreigden Italië binnen te vallen. Dit leidde ertoe dat heel wat Germaanse stammen de nu onbewaakte grens overstaken. In Vlaanderen breidden de Saliërs zich steeds verder uit en veroverden uiteindelijk heel Noord-Gallië.
Het is een wijdverbreid misverstand dat hierdoor de huidige taalgrens ontstond. Ten eerste werd de Gallo-Romeinse bevolking niet volledig verdreven. In gebieden met een grote concentratie aan Gallo-Romeinse villae, zoals Zuid-Limburg en Zuid-Vlaanderen, sprak men nog tot in de twaalfde eeuw Romaans. Ten tweede vestigden zich ook Germanen in wat tegenwoordig Noord-Frankrijk en Wallonië zijn. Een overblijfsel hiervan zijn de vele (van origine) Germaanse plaatsnamen daar, zoals Roubaix (equivalent van Roosbeek), of Houffalize (van Hohenfels). De taalgrens ontstond pas door de geleidelijke her-romanisering van de Nederlanden bezuiden de huidige taalgrens en de germanisering van de Gallo-Romeinen ten noorden daarvan.
Middeleeuwen Na de dood van Lodewijk de Vrome in 843 werd het Frankische Rijk verdeeld onder zijn drie zonen volgens het Verdrag van Verdun. Hierbij vormde onder ander de Schelde de grens tussen West- en Midden-Francië (Lotharingen). Met uitzondering van het latere graafschap Vlaanderen behoorde het huidige Vlaanderen dus tot Neder-Lotharingen. Rond deze periode vonden ook de roof- en veroveringstochten van de Noormannen plaats.
Hierdoor kalfde de centrale macht af en wonnen de steden aan macht. Dit resulteerde omstreeks 1050 in een periode van economische groei. Dit trok kooplui en ambachtslieden uit gans Europa aan; onder meer in Antwerpen (vanwege zijn haven) vestigden zich grote aantallen Engelsen, Portugezen, Spanjaarden, Duitsers en andere nationaliteiten.
Als reactie hierop werden er graven aangesteld om de gouwen te besturen. Zo ontstonden de graafschappen Vlaanderen en Loon en het hertogdom Brabant. Omstreeks de veertiende eeuw kwamen deze gebieden in Bourgondische handen. Dit was aanvankelijk eerder een personele unie waarbij elke provincie autonoom bleef en zijn eigen landsheerlijkheid bezat. Filips de Goede slaagde erin een centraal bestuur op te zetten, dat door zijn zoon Karel de Stoute werd verdergezet. Dit en generaties lang samenleven had een groot impact op de interne migratie binnen het Bourgondische rijk en een supranationaal gevoel tot gevolg. Deze periode eindigde in 1482, toen de regering overging naar de Spaanse heerschappij.
Nederlandse opstand
Het aanbreken van de vroegmoderne tijd kenmerkte zich in de Noordelijke Nederlanden door onrust die tot een nieuw maatschappelijk bestel en staatkundige onafhankelijkheid leidde. De Zuidelijke Nederlanden, waaronder Vlaanderen, bleven onder Spaans bewind. Tijdens deze Spaanse periode ontstond een deels gedwongen, massale emigratiestroom naar het noorden en oosten. Veel van de honderdduizenden migranten waren welgesteld, ondernemend en vernieuwend. Religieuze vervolging van protestanten speelde een grote rol, maar de intellectuele vrijheid en de economische mogelijkheden in de Noordelijke Nederlanden en Duitsland bepaalden mede de bestemming van de migranten. De meesten trokken naar Amsterdam en de Noord-Nederlandse provincies en droegen daar bij tot de Hollandse Gouden Eeuw. Verschillende redacteurs van de Statenbijbel waren bijvoorbeeld uit de Zuidelijke Nederlanden afkomstig. Hierdoor heeft het Zuid-Brabants mee het Standaardnederlands beïnvloed.
Deze emigratiegolf vond zijn hoogtepunt na de val in 1584 van de toen calvinistische stad Gent en in 1585 van het in meerderheid door calvinisten en lutheranen bewoonde Antwerpen. De afsluiting van de Schelde door de (Noordelijke) Republiek betekenden Antwerpens neergang en die van de zuidelijke Nederlanden. De noordelijke Nederlanden en in de eerste plaats Amsterdam konden op deze neergang hun Gouden Eeuw opbouwen.
Vanaf 1580 tot circa 1630 kwamen 150.000 vluchtelingen, onder wie Vlamingen, Brabanders, maar ook Walen, naar het Noorden, vaak via een omweg die verliep door Engeland (Londen) en verschillende Duitse landen, net name steden als Emden in Oost-Friesland, Wezel in Kleverland, Frankfort in Hessen, waar zich tussen 1540 en 1589 grote Nederlandse religieuze gemeenten hadden ontwikkeld.
Na 1585 halveerde de Antwerpse bevolking in korte tijd. Het omgekeerde gebeurde in de Hollandse en Zeeuwse steden. Het aantal inwoners van Amsterdam steeg door de komst van de vluchtelingen van 30.000 in 1578 tot 108.000 in 1622. De welgestelde immigranten brachten hun kennis en vaardigheden mee. Ook andere Hollandse en Zeeuwse steden vermeerderden hun bevolking met de helft of meer door deze immigratie zoals Leiden waar wevers uit de Westhoek (later Frans-Vlaanderen) zich vestigden, en Middelburg dat veel Gentenaren opnam. De handwerkslieden, waarvan velen uit de textielnijverheid en de diamantnijverheid, brachten hun technieken mee en verplaatsten daardoor het zwaartepunt van deze nijverheden naar het Noorden. De reacties van de plaatselijke bevolking op de komst van deze immigranten verschilden van plaats tot plaats. Omdat velen gevlucht waren om godsdienstige redenen, werden zij door de protestantse minderheid goed onthaald want zij versterkten de positie van de officiële calvinistische kerk aanzienlijk en vormden de basis van wat later als haar typisch 'Hollandse' karakter aangeduid zou worden. Toch waren er ook wrijvingen tussen de verschillende migrantengroepen: Calvinisten, Lutheranen, Wederdopers. Door hun grote aantal en hun orthodoxe calvinisme was er bij vrijzinnige Hollandse regenten aanvankelijk huiver om Zuidnederlanders naast zich in het openbaar bestuur een plaats toe te staan.
De etnische kern van de huidige Vlaamse bevolking bestaat uit de achtergebleven, die overwegend katholiek waren en onder Spaanse heerschappij bleven tot in de 17e eeuw.
Franse periode Nadat 40.000 man Franse troepen, waaronder 2500 vluchtelingen uit de Oostenrijkse Nederlanden en het prinsbisdom Luik, in november 1792 (Slag bij Jemappes) een eerste maal waren binnengevallen en na vier maanden verdreven werden (Tweede Slag bij Neerwinden), behaalden de Franse revolutionaire troepen in juni 1794 met de Slag bij Fleurus een definitieve overwinning op de Habsburgse monarchie. Het inlijven en het plunderen van het land door een antiklerikale republiek, vuurden het patriottisme, eerder in 1790 opgevlamd tijdens de korte periode van de Verenigde Nederlandse Staten, opnieuw aan. Daarentegen ging er van het langdurig en verzoenend bewind van Napoleon Bonaparte vanaf 1799 een assimilerende kracht uit. Er ontstond nu een migratie vanuit Vlaanderen naar onder andere het verlichte Parijs. De hogere burgerij en adel, zoals in een groot deel van Europa, was toen Franstalig of verfranst.
Emigratie in de Negentiende eeuw thumb|De SS Belgenland, een van de schepen van Red Star Line Een tweede belangrijke emigratiegolf voltrok zich in de tweede helft van de 19de eeuw. Toen vertrokken vele duizenden Vlamingen, vooral uit Oost- en West-Vlaanderen, naar Canada, de Verenigde Staten en Zuid-Amerika. Hierin speelde de Red Star Line een belangrijke rol met haar geregelde dienst tussen Antwerpen en New York en soms tussen Antwerpen en Philadelphia. Vanaf het einde van de negentiende eeuw verkozen Vlaamse migranten vooral Canada. De Canadese overheid stelde alles in het werk om vanuit Europa een emigratiebeweging op gang te brengen. De Vlamingen waren erg gegeerd omdat ze bekendstonden als goede werkers en bekwame boeren. De grote rederijen beschreven Canada in hun folders als een waar paradijs. Arbeiders werden gelokt met beloftes van hoge lonen, maar kwamen bedrogen uit. De werkomstandigheden waren immers vaak nog slechter dan in Vlaanderen. Hierdoor keerde een aantal onder hen terug naar de heimat. In tegenstelling tot andere migrantengroepen vormden de "Amerikaanse Vlamingen" geen afzonderlijke gemeenschap; toch hechtte men belang aan het behoud van een eigen identiteit. Zo verscheen in Detroit de "Gazette van Detroit", een Vlaamse krant. De integratie verliep echter vrij vlot, want al na de eerste generatie waren er gemengde huwelijken.
Dichter bij huis, migreerden honderdduizenden Vlamingen naar Wallonië en Noord-Frankrijk om daar in de mijnbouw te gaan werken. Daarnaast vestigde zich een tienduizendtal als boer in Wallonië.
Later emigreerden ook tal van Vlamingen naar Belgisch-Kongo, dat sinds 15 november 1908 een Belgische kolonie was. Voordien, sedert 1885, was het gebied reeds op bloedige wijze geregeerd als soevereine staat - of veeleer als "privé-kolonie" - door de Belgische vorst Leopold II, onder de naam Kongo-Vrijstaat.
Eerste Wereldoorlog Vluchtelingen in Nederland