De Plashoeve in het Noord-Brabantse Lieshout is omstreeks het jaar 1050 gesticht als ontginningsboerderij in het domein Lieshout. Ongeveer honderd jaar na de uitgifte werd de hoeve eigendom van de Sint-Servaaskerk te Maastricht. In 1201 kreeg de abdij van Floreffe de hoeve in leen. Deze abdij verwierf het volle eigendom in 1283. In 1698 is de hoeve verkocht aan de toenmalige pachter. De Plashoeve bleef zeven generaties lang eigendom van diens familie.

De bewoners van de Plashoeve zijn bekend vanaf 1628. Zij waren, als eigenaren van een grote voormalige domeinhoeve, belangrijke personen in het dorpsleven en velen van hen bekleedden bestuursfuncties in de heerlijkheid Lieshout. Ondanks hun relatieve welstand hadden zij een hard bestaan. De schrale zandgronden vergden zware arbeid en de oogsten waren karig. Er werden na de vrede van Münster bovendien extra belastingen opgelegd, die amper opgebracht konden worden.

De huidige boerderij is omstreeks 1750 gebouwd als langgevelboerderij. Vijftig jaar later is de hoeve ingrijpend verbouwd. In de daaropvolgende decennia kromp de oppervlakte van de percelen die tot de hoeve behoorden door opeenvolgende boedelscheidingen van 34 naar 2 hectare. In 1868 is de Plashoeve op een openbare verkoping verkocht aan een familie die de hoeve vier generaties in bezit hield. In 1970 is de hoeve opnieuw verkocht. De nieuwe eigenaar restaureerde de boerderij en verkreeg voor de Plashoeve de monumentenstatus.

Periode 1050 tot 1698, adellijk en kerkelijk bezit De Plashoeve, tot de 18e eeuw hoeve vander Plasse genoemd, is omstreeks 1050 als mansus (domeinhoeve) gesticht in het voormalige domein Lieshout. (1987): Het domein Lieshout, eigen uitgave, Lieshout, blz. 14. In die tijd had het woord hoeve nog niet de betekenis van boerenbedrijf. Het was een oppervlaktemaat waarmee de hoeveelheid grond werd aangeduid waarvan een boer met zijn gezin kon leven. De boer aan wie de Plashoeve werd uitgegeven was geen vrij man, maar een horige. Hij kreeg het recht om 14 hectare woeste grond in cultuur te brengen in het Baverden, een laaggelegen gebied in het noordwestelijk deel van het domein. Als tegenprestatie moest hij een deel van de oogst afstaan en moest hij crouwaijen (herendiensten) verlenen. Verder mocht hij zonder toestemming van de heer van Lieshout niet naar elders verhuizen en had zijn zoon het recht én de plicht hem op de Plashoeve op te volgen.

De Plashoeve is met drie andere hoeven op onbekende wijze uit het domein verloren gegaan. Omstreeks 1140 schonken de nieuwe eigenaren de vier hoeven aan de Sint-Servaaskerk te Maastricht. Deze schenking werd in 1146 bevestigd door koning Koenraad III. In 1201 gaf het kapittel van de Sint-Servaaskerk de vier hoeven te leen aan de abdij van Floreffe. Deze abdij was door een schenking in het bezit gekomen van het domein Lieshout. In 1283 verkreeg de abdij de volledige rechten op de Plashoeve en de andere drie verloren hoeven. (1979): Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312, deel 1, Martinus Nijhoff,’s-Gravenhage, nr. 46, nr. 94 en nr. 394, . Daarmee was het domein weer compleet.

In 1587 was de Plashoeve een van de omtrent sesse oft zeven hoeven die in Lieshout tegelijk met de molen door Staatse troepen werden afgebrant. De abdij van Floreffe heeft de hoeven en de molen binnen enkele jaren laten herbouwen en heeft tot het restaureren groote en swaere costen moeten doen. (1919-1920): Procedure tusschen de abdij van Floreffe en de Stad Helmond in zake Kerkopbouw, Bossche Bijdragen deel 3, blz. 123, 140. De verwoeste hoeven waren nog woonstalhuizen die hun stevigheid kregen van palen die diep in de grond verankerd waren. Deze boerderijen hadden een levensduur van minder dan honderd jaar; dan waren de palen onderaan verrot. Zoals in die tijd gebruikelijk was, werd de Plashoeve herbouwd als hallenhuis. Het hallenhuis heeft als belangrijkste kenmerk de toepassing van het ankerbalkgebint. De constructie van dit gebint is zo stevig dat de palen niet meer in de grond verankerd hoefden te worden; zij werden op poeren geplaatst. Bij goed onderhoud had een hallenhuis een zeer lange levensduur.

Archeologische vondsten thumb|Het bord, met een diameter van 25 cm, is geglazuurd met loodglazuur, een giftige stof die tegenwoordig verboden is. Op 8 augustus 1974 vond Pim Brouwers, toen eigenaar van de Plashoeve, bij het afbreken van het kippenhok een beschadigd bord en een vrijwel gave kan met daarop drie appliques, opgelegde reliëfs. Volgens Nico Arts, stadsarcheoloog van Eindhoven, is de kan een schenkkan van zogenaamd steengoed uit het pottenbakkersdorp Raeren. Op twee van de drie appliques is dezelfde afbeelding te zien. Hiervoor was, waarschijnlijk zonder toestemming, gebruikgemaakt van het wapen van het echtpaar Henrick van Schulenborg en Adriana van Ommeren. De derde applique is een ontwerp van pottenbakker Jan Emons. Door de appliques, die indertijd gedocumenteerd werden, kan de schenkkan gedateerd worden in de jaren omstreeks 1585.Centraal Bureau voor Genealogie (2007): Identificatie wapen, kenmerk 07.07.0478 (1982): Auflagen auf Raerener Steinzeug, ein Bildwerk, Gesellschaft zur Förderung des Töpfereimuseums, Raeren, blz. 63, 135. 'Kale' kannen van steengoed kwamen volgens de archeoloog algemeen voor in de regio Eindhoven. Kannen met appliques worden echter meestal gevonden op plaatsen waar welgestelde personen hebben gewoond, zoals bij kastelen of kloosters. Het bord, dat inmiddels verloren is gegaan, is volgens Nico Arts van roodbakkend aardewerk met zogenaamde slipversiering, afkomstig van een Nederrijnse pottenbakker, aan het vogeltje te zien daterend uit de periode rond 1600. Volgens Nico Arts vormden de schenkkan en het bord vermoedelijk een zogenaamd bouwoffer: enkele voorwerpen, vaak van aardewerk, die opzettelijk onder de haard of onder de drempel werden begraven om een gebouw te behoeden voor onheil, zoals blikseminslag of brand. Nico Arts heeft beide vondsten in 2007 alsnog laten vastleggen in het landelijk archeologisch registratiesysteem Archis.

De dateringen van de schenkkan en het bord duiden er op dat de Plashoeve een van hoeven is die in 1587 werden verwoest en enige tijd later herbouwd. De hoeve is toen als hallenhuis gebouwd op korte afstand van de plek waar de huidige langgevelboerderij staat. Nadat het hallenhuis was afgebroken is op die plaats een bakhuis gebouwd en nog later een kippenhok.

De oudst bekende bewoners thumb|De akkers van de Plashoeve in het maatboek van 1628 De eerste bewoner van wie de naam bekend is, staat vermeld in het oudste Lieshoutse maatboek dat bewaard is gebleven. In dit maatboek dat dateert uit 1628, begint het gedeelte over de Plashoeve met de aanhef Jan van Roeijeckers gebruijckt een hoeff toebehorende den abt van Floreff ende is groot ..., gevolgd door een opsomming van de akkers. Deze hebben in totaal een oppervlakte van 49 loopensen en 30 roeden, ongeveer 8 hectare. Hoe groot de totale oppervlakte van de Plashoeve was, is niet te achterhalen. Omdat de bede, de grondbelasting van die tijd, alleen geheven werd over de akkergronden, werden in het maatboek namelijk uitsluitend de akkers vermeld. Van de gebruiker Jan van Roeijeckers is verder niets bekend. In het volgende maatboek, in 1634 opgesteld door Alexander Andriessen en Elias Heijmans, heet de gebruiker Jan Jansen van Roeijeckers. Het is wellicht dezelfde als in 1628, het kan ook de zoon zijn. In die tijd kreeg een kind achter zijn eigen voornaam altijd de voornaam van de vader, het zogenaamde patroniem. Sommige percelen hebben een andere naam en andere afmetingen dan in 1628, maar veel percelen zijn identiek. De totale oppervlakte is nagenoeg gelijk. Het volgende maatboek is opgesteld in 1640. De opsomming van de percelen van de Plashoeve is ietsje anders dan in 1634, de totale oppervlakte is echter exact hetzelfde. Er is een nieuwe gebruiker, Thoenis Roeijackers, waarschijnlijk de zoon van Jan Jansen van Roeijeckers, men was in die tijd niet zo strikt in de spelling van namen. thumb|left|De beginpagina van de gerestaureerde verpondingskohieren 1650 Na de vrede van Münster in 1648 werden in Brabant naast de bede ook de verpondingen ingevoerd, waardoor de grondbelasting meer dan vertienvoudigde. Grondbelasting moest voortaan betaald worden over alle landbouwpercelen en niet zoals voorheen uitsluitend over akkerland. In de maatboeken werden daarom vanaf die tijd alle percelen vermeld. In de eerste verpondingskohieren die in Lieshout werden opgesteld heet de gebruiker Anthonis Roeyeckers, ongetwijfeld dezelfde als in het maatboek van 1640. De oppervlakte was nu door het meetellen van weiden en heidegrond 218 loopensen en 35 roeden, ruim 36 hectare. De Plashoeve wordt in de kohieren aangeslagen voor 52 gulden 12 stuivers en een penning (1/16 stuiver). De kohieren waren ernstig beschadigd. Ze zijn inmiddels gerestaureerd, maar het exacte jaartal bleek niet te achterhalen. Deskundigen dateren deze kohieren op omstreeks 1650. In de volgende kohieren, die van 1681, heet de gebruiker Jan Thonis Roijeckers, de zoon van Thonis en genoemd naar zijn grootvader. De Plashoeve werd hierin aangeslagen voor 52 gulden 18 stuivers. Johannes Theunis Royackers overleed 18 februari 1691.Doop, Trouw en Begrafenis registers. N.B. Alle vermelde gegevens aangaande geboorten, huwelijken en overlijden tot 1810 zijn online te vinden op de website van het Brabants Historisch Informatie Centrum. In de staat van de bezittingen van de abdij van Floreffe in Lieshout, die opgemaakt is op 23 januari 1692, wordt over de Plashoeve vermeld dat de hoeve gebruikt wordt door Paulus Brouwers, tegen een huur van 140 gulden per jaar.

Geschil met de Staten-Generaal In die jaren speelde er een geschil over de bezittingen van de abdij van Floreffe in Lieshout, die inmiddels beheerd werden door de abdij van Postel. De Staten-Generaal stelden dat Postel in de Meierij lag en dat alle bezittingen die de abdij beheerde dus onteigend mochten worden. De Abdij van Floreffe daarentegen hield vol dat Postel in de Zuidelijke Nederlanden lag en daarom gevrijwaard was van confiscatie. (1878): Geschiedenis van de abdij van Postel, Splichal-Roosen, Turnhout, blz. 224. Onder druk van de voortdurende aanspraken door de Staten-Generaal vroeg de abdij van Floreffe aan de Staten-Generaal toestemming haar bezittingen in Lieshout te verkopen.

thumb|Op alle de voorgaende generale conditien heeft den selven Heere Verpachtere in hueringe ende paghtinge uijtgegeven aen Paulus Dirck Willems onsen inwoonder, die de voornoemde paghtinge ende huere verclaert te accepteren mits desen de hoeve genaempt vander Plasse, soo ende gelijck hij paghter die tegenwoordigh is gebruijckende, ...

Detail uit de pachtakte van 28 mei 1696