thumb|De Oosterhoek in 1867 thumb|Oterdum omstreeks 1920, met links de trambaan van OG thumb|Chemiepark Delfzijl in 2011 De Oosterhoek is de vroegere benaming van een landstreek in de Nederlandse provincie Groningen, in een gebied dat van 1811 tot eind 2020 behoorde tot de gemeente Delfzijl die per 1 januari 2021 is opgegaan in de gemeente Eemsdelta. De naam wordt gebruikt voor het gebied van de voormalige kerspelen Weiwerd, Heveskes en Oterdum.

De Oosterhoek ligt zuidoostelijk van Delfzijl en Farmsum tussen het Weiwerdermaar en het Termunterzijldiep en wordt door een primaire waterkering (zeedijk) gescheiden van de Eemsmonding bij de Bocht van Watum. Het gebied werd gekenmerkt door grote landbouwbedrijven en vormde een overgangsgebied tussen het Klei-Oldambt en het Hogeland. Net als in het Oldambt bestonden er flinke tegenstellingen tussen (grotendeels) socialistische landarbeiders en liberale herenboeren.

De streek wordt sinds omstreeks 1970 nauwelijks nog bewoond en bestaat vanaf de jaren zestig en zeventig van de 20e eeuw voor een groot deel uit haven- en industriegebied, in beheer bij Groningen Seaports. Het Chemiepark Delfzijl en het industrieterrein Oosterhorn worden geëxploiteerd in de vroegere polder Oosterveld en op de voormalige valgen van Weiwerd en Heveskes. Op de parallel aan de kustlijn van de Oosterhoek aangelegde Schermdijk staan sinds 2015 de windturbines van het Windpark Delfzijl Noord, ondanks de naam zuidoostelijk van Delfzijl.

Gebied Tot de Oosterhoek behoorden van oudsher de polders Weiwerd en Oosterveld de wierdedorpen Weiwerd en Heveskes en het dijkdorp Oterdum de wierde Heveskesklooster, waarop van omstreeks 1315 tot 1586 het Johannieter klooster Oosterwierum stond en waar in 1982 het noordelijkste prehistorische hunebed van Nederland werd opgegraven de buurtschap Oterdumerwarven. Niet "officieel" tot de Oosterhoek behoren het aan de oostkant aangrenzende wierdedorp Borgsweer en de buurtschap Lalleweer. Zij maakten deel uit van de gemeente Termunten, die in 1990 door Delfzijl werd ingelijfd. Ook het gehucht Geefsweer iets ten westen van Weiwerd hoort er net niet meer bij.

Geschiedenis De geschiedenis van de overwegend agrarische Delfzijlster Oosterhoek kenmerkt zich door de voortdurende strijd tegen het water en door herhaalde oorlogen tussen rivaliserende landsheren die elkaar de zeggenschap over de Groninger Ommelanden betwistten. De bewoners waren te gering in aantal (nooit meer dan 1000 in totaal) om die zeggenschap zelf te kunnen bevechten. Dat bleek in het bijzonder in de tweede helft van de 20e eeuw, toen de bewoners zeer tegen hun zin, maar zonder veel tegenstand te bieden, hun dorpen en boerderijen moesten achterlaten op grond van de toenmalige inzichten over economische prioriteiten en grootschalige industrialisatie.

Voor de middeleeuwen De oudste aanwijzing voor menselijke bewoning in de Oosterhoek is het hunebed dat bij Heveskesklooster is opgegraven (het noordelijkste van Nederland) en dat ongeveer 5400 jaar oud moet zijn. Het is mogelijk dat de wierden waarmee de boeren in de Oosterhoek zich beschermden tegen de overstromingen van de Eems, 2000 jaar oud zijn. Aan het begin van de christelijke jaartelling stond in Heveskesklooster een boerenhoeve van 17 meter lang en 7,5 meter breed. Misschien hebben er in het gebied nog meer gestaan.

Middeleeuwen Ongeveer vanaf het jaar 1000 begon men de eerste dijken te bouwen en in de 13e eeuw was de bedijking van de Oosterhoek door de Friezen in volle gang. De noodzaak hiervan wordt aangetoond doordat maar liefst zeven "rampjaren" (1246, 1248, 1257, 1277, 1287, 1288 en 1290) in de kronieken worden genoemd. Mogelijk in die tijd, maar waarschijnlijk later, ontstond de Dollard, die delen van het naburige Reiderland wegvaagde. Dankzij de dijken nam het aantal overstromingen af, maar geheel uitgebannen werden ze niet.

Tegen de oever van de Eems lag een strook van vette, vruchtbare zeeklei ("valgen"). De wierdedorpen Waqvurt (Weiwerd) en Hewenschenze (Heveskes) stonden op een verhoogde laag van keileem. Uterheem (Oterdum) was naast en gedeeltelijk tegen de dijk gebouwd. Zuidelijk van de dorpen bevonden zich de veenachtiger "meeden" of "warven".

De Johannieter monniken van Oosterwierum namen in het begin van de 14e eeuw de leiding over de waterhuishouding op zich en droegen zo bij tot de economische groei. Zij beheerden het Oterdumerzijlwerk en bezaten in heel Oost-Groningen landerijen en boerenhoeven, waaronder de voorwerken Nijenhuis in Oterdum en (waarschijnlijk) Woltersweer in Oterdumerwarven. Het aan de zeedijk gelegen Oterdum, waar de Stadsweg vanuit Groningen, Appingedam en Farmsum overging op de zeeroute naar Oost-Friesland en Denemarken, ontwikkelde zich tot het handelscentrum van de Oosterhoek. In 1451 wordt melding gemaakt van een veerman die van Oterdum op Emden voer. In de 17e eeuw, vermoedelijk in 1658, werd het vertrekpunt verplaatst naar Termunterzijl, vier kilometer oostelijk van de Oosterhoek, waar in 1601 een schutsluis in gebruik was genomen.

In de 15e en 16e eeuw vonden regelmatig veldslagen plaats tussen de ridders van Oost-Friesland en die van de stad Groningen, die elkaar de zeggenschap over het gebied betwistten. In 1427 wist de Oost-Fries Focko Ukena de strategisch belangrijke vesting Oterdum te veroveren, maar daarvoor moest hij wel de dijken laten doorsteken. In 1450 was het gezag over het Oldambt, inclusief de Oosterhoek, in handen van een Stad-Groninger drost die zetelde in het Huis te Oterdum.

Daarmee was de strijd tussen de Groningers en de Oost-Friezen, waarvan de Oosterhoek te lijden had, nog niet gestreden. Edzard I van Oost-Friesland voerde in de Oosterhoek oorlog tegen de Saksische hertogen Albrecht de Kloekmoedige en Georg "met de baard" en bouwde daartoe een schans bij Oterdum. In 1505 werden Weiwerd, Heveskes en Oterdum volgens de kroniekschrijver Sicke Benninghe geplunderd en platgebrand door Stad-Groninger troepen. Inwoners van Heveskes hadden zich op de kerktoren verschanst en wisten deze te behouden totdat hulptroepen uit Appingedam waren aangerukt en de Groningers wegtrokken. In 1514 moest Edzard I het afleggen tegen de Groningers die zich verbonden hadden met Karel van Gelre en daarmee kwam definitief een einde aan zijn aspiraties in de Groninger Ommelanden. thumb|Fundamenten van de in 1586 uitgebrande kloosterkerk van Oosterwierum (Heveskesklooster), vierhonderd jaar later blootgelegd

Tachtigjarige oorlog en daarna Het strategisch doorsteken van de dijken in de Oosterhoek gebeurde opnieuw in 1583 tijdens de Tachtigjarige Oorlog, door Wigbold van Ewsum en Asinge Entens. Daardoor kon Oterdum als enige bruggenhoofd van het Staatse leger langs de Groninger kust stand houden tegen de Spaanse troepen van Francisco Verdugo. Al hield men hierdoor de vijand op afstand, in de acht jaar waarin deze situatie voortduurde (tot aan de Inname van Delfzijl door prins Maurits van Oranje in 1591) veroorzaakte het zoute water grote schade aan de landerijen en boerderijen. De protestantse Staatsen plunderden daarbij ook het katholieke klooster Oosterwierum. In 1586 viel dit aan brand ten prooi en de resten van het complex werden in 1610 gesloopt. Op deze plek verrezen vier grote boerderijen, waarvan er een in juni 1806 door brandstichting werd verwoest. De fundamenten van de kloosterkerk en de bijbehorende kerktoren werden omstreeks 1980 teruggevonden bij opgravingen. thumb|left|130px|Marcus Busch (1769-1843), bevelhebber in de strijd tegen de Fransen Elk van de drie dorpen had sinds de middeleeuwen een kleine kerk. Oorspronkelijk rooms-katholiek, werden ze hervormd bij de 'alteratie' van stad en ommelanden na de reductie van Groningen in 1594. Alleen die van Heveskes, die na de beschadigingen van de Tachtigjarige oorlog grotendeels opnieuw moest worden opgebouwd, staat nog overeind in een ontvolkte omgeving.

In de periode 1678-1717 maakte de Oosterhoek opnieuw vijf grote overstromingsrampen mee, zoals de Sint-Maartensvloed van 1686 en de Kerstvloed van 1717, waarbij onder zowel de bevolking als de veestapel veel slachtoffers vielen. Aanvankelijk was er in het gebied veel veeteelt, maar na massale uitbraken van de runderpest in de jaren 1710, 1715 en 1717 stapten de geruïneerde boeren, die dit niet nog eens wilden meemaken, over op akkerbouw.

Bij het beleg van Delfzijl (1813-1814), aan het eind van de Franse tijd, streed een coalitie van Hollanders, Pruisen en Kozakken, aangevoerd door Marcus Busch, kolonel van de schutterij, tegen de Franse troepen van kolonel Pierre Maufroy. In de Oosterhoek stonden batterijen in Weiwerd en Oterdum, waarvan de eerstgenoemde door de Fransen werd vernietigd.

Na 1814 Na de Franse tijd brak een periode van relatieve rust aan. Tot na de Tweede Wereldoorlog behield de Oosterhoek zijn agrarische karakter en onderging het landschap nauwelijks veranderingen. In 1808, nog onder het Franse bestuur van het Koninkrijk Holland, was de gemeente Delfzijl ontstaan en deze was in 1811 uitgebreid met onder meer Farmsum en de dorpen van de Oosterhoek. Hierna bleef de bestuurlijke situatie ongewijzigd tot 1990, toen enkele andere gemeenten, waaronder het aan de Oosterhoek grenzende Termunten inclusief Borgsweer, Termunterzijl, Wagenborgen en Woldendorp, aan de gemeente Delfzijl werden toegevoegd.

In de 19e eeuw werden twee middeleeuwse kerken wegens bouwvalligheid gesloopt. De kerk van Oterdum werd in 1827 (toren) resp. 1830 (kerkgebouw) vervangen door een nieuwe, die tegen de dijk aan was gebouwd. Weiwerd kreeg een nieuwe kerk in 1877. Delen van het kerkmeubilair, waaronder de 18e-eeuwse kansels, verhuisden mee. Alleen Heveskes behield de middeleeuwse kerk tot op de huidige dag, al is het een kerk zonder dorp geworden.

Waterhuishouding Voor het waterbeheer in het oostelijk deel van het gebied waren er naast het al uit de 14e of 15e eeuw daterende Oterdumerzijlvest nog vier waterschappen (Heveskes, Lalleweer, Oterdumerpolder en Smitspolder), die bij een reorganisatie in 1908 opgingen in het waterschap Oterdum. De belangrijkste watergang was het Oterdumerdiep, waarop het Kloostermaar, het Oortjesmaar en de Lalleweerstermolenwatering uitkwamen. In 1908 werd een stoomgemaal gebouwd voor de afwatering op de zeesluis. Dit ondanks tegenstand van de meeste boeren, die zo'n dure voorziening waaraan zij moesten meebetalen niet nodig vonden. Zij gingen akkoord toen hun een gedeeltelijke ontheffing van de waterschapslasten in het vooruitzicht werd gesteld. In 1923 werd de stoomaandrijving van het gemaal vervangen door de toen revolutionaire verstuiverbakmotor van de Appingedammer Bronsmotorenfabriek. Voor de westelijke polders waren er drie waterschappen, waarvan De Valgen en De Putten ieder afwaterden op een ander deel van het Weiwerdermaar. Na het omwaaien van een molen in 1880 loosden zij via een afsluitbare pomp (duiker) bij de Oude Til op dezelfde waterloop, zodat in 1913 deze waterschappen werden samengevoegd tot De Valgen en de Putten, dat in 1926 werd ingelijfd door het waterschap Weiwerd(ermolenpolder). Met de naam Weiwerdermeer werden twee meerstallen in het hoogveen ten zuiden van Weiwerd aangeduid, die kort na 1910 werden drooggelegd.

Verkeer en vervoer thumb|left|Station Weiwerd, waar de NOLS-lijn en het Woldjerspoor samenkwamen