De Telegraaf- en Telefoonwet 1904 regelde tussen 1 maart 1904 en 1 januari 1989 de telecommunicatie in Nederland. De wet werd ingevoerd door minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid J.C. de Marez Oyens en kwam in plaats van de Telegraafwet uit 1852. In 1989 werd de wet vervangen door de Wet op de telecommunicatievoorzieningen. Sinds 15 december 1998 is telecommunicatie geregeld in de Telecommunicatiewet.
Ontstaan De komst van de telefoon aan het einde van de 19e eeuw maakte nieuwe regelgeving noodzakelijk. Aanvankelijk werd de telefoon gezien als een "klanktelegraaf" die onder de Telegraafwet viel. De overheid legde echter zelf geen telefoonnetten aan maar liet de regeling over aan gemeenten. De gemeente bepaalde wie het telefoonnet mocht aanleggen en stelde de voorwaarden vast. Als de gemeente besloten had wie het net mocht aanleggen werd de door de Telegraafwet vereiste concessie bij koninklijk besluit verleend.
In de praktijk leidde dit stelsel tot juridische problemen. De Telegraafwet kende een vergaande gedoogplicht voor grondeigenaren. Deze gedoogplicht hield in dat zij de aanleg van telegraafpalen en -lijnen op hun grondgebied moesten gedogen. Voor het telegraafnet leidde dit niet tot problemen omdat alleen de telegraafkantoren met elkaar verbonden hoefden te worden. Bij een telefoonnet moeten ook alle abonnees met de centrale verbonden worden. Dit maakt een veel uitgebreider dradennet noodzakelijk. Toepassing van de gedoogplicht zou een vergaande beperking van het eigendomsrecht zijn. Al in 1883 oordeelde de rechtbank van Amsterdam dat de gedoogplicht van de Telegraafwet niet van toepassing was op de telefoon.
Om aan de onzekerheid over de status van de telefoon een einde te maken diende de regering in 1884 een voorstel tot wijziging van de Telegraafwet in. Dit voorstel en enkele gewijzigde voorstellen haalden echter geen meerderheid in de Tweede Kamer. In 1886 diende de regering een ontwerp voor een afzonderlijke telefoonwet in. Ditmaal verschilden regering en Tweede Kamer van mening over de exploitatievorm van de telefonie. De voorgestelde gedoogplicht ging minder ver dan die van de Telegraafwet: eigenaren hoefden alleen het spannen van draden boven hun eigendommen te gedogen. Ook dit voorstel haalde geen meerderheid. Uiteindelijk bepaalde de Hoge Raad in twee arresten uit 1902 en 1903 dat de Telegraafwet niet van toepassing was op de telefoon.
Lokale telefonie werd dus als een gemeentelijke aangelegenheid gezien. De regeling van interlokale telefonie was echter onduidelijk. Al in 1883 experimenteerde de Nederlandsche Bell-Telephoon Maatschappij (NBTM), die het Amsterdamse telefoonnet exploiteerde, met een interlokale lijn tussen Amsterdam en Haarlem. Zij mocht deze lijn echter niet openstellen voor het publiek. Pas in 1888, toen het er naar uitzag dat er voorlopig geen wettelijke regeling voor de telefonie kwam, verleende de regering een concessie die het de NBTM toestond om de verbinding open te stellen voor het publiek. In de jaren die volgden verleende de regering concessies aan de NBTM voor meerdere interlokale lijnen. In 1897 ging de overheid over tot naasting van het interlokale net. Zij had die bevoegdheid op basis van de concessiebepalingen. Dit was niet de eerste exploitatie van telefoonlijnen door het Rijk. De internationale lijnen met België en Duitsland werden ook door het Rijk geëxploiteerd.
Ook gingen de gemeenten zelf telefoonnetten exploiteren. Amsterdam ging het telefoonnet in 1896, toen de NBTM-concessie afliep, zelf exploiteren. Ook andere steden gingen dit doen. Sommige gemeenten waar nog geen telefoonnet was besloten om zelf een telefoonnet aan te leggen.
In 1897 stelde minister Lely van Waterstaat een commissie (commissie Havelaar) in die de regering moest adviseren over het telefoonvraagstuk. In 1900 bracht deze commissie haar eindconclusie uit. De belangrijkste conclusie was dat het gehele telefoonnet door de staat geëxploiteerd moest worden. De regering nam dat advies echter niet over en koos in de Telegraaf- en Telefoonwet voor handhaving van de bestaande situatie: exploitatie van telegrafen en telefonen door anderen dan het rijk was slechts toegestaan krachtens een concessie. Het Tweede Kamerlid Tydeman diende een amendement in om alsnog tot staatsexploitatie te komen. Dit amendement werd echter verworpen. De gedoogplicht voor de aanleg van telegraaf- en telefoonlijnen ging minder ver dan die uit de Telegraafwet.
Telegrafie en telefonie De regeling van telegrafie en telefonie De hoofdregel van de wet staat in artikel 2. Anderen dan de Staat mogen alleen openbare telegrafen- en telefonen aanleggen en exploiteren krachtens een bij koninklijk besluit te verlenen concessie. De concessie wordt voor onbepaalde tijd verleend en kan door de Staat worden opgezegd met een opzegtermijn van een jaar. De Staat kan dan tot naasting overgaan. De krachtens de Telegraafwet verleende concessies blijven gehandhaafd totdat zij door nieuwe zijn vervangen (artikel 21). De krachtens deze oude concessies aangelegde werken werden geacht te zijn aangelegd volgens de bepalingen van de Telegraaf- en Telefoonwet. De juridische onzekerheid met betrekking tot voor 1 maart 1904 aangelegde telefoonnetten werd hiermee weggenomen.
Artikel 3 regelt de aanleg en het gebruik van niet voor het openbaar verkeer bestemde telegrafen en telefonen. Hiervoor is een machtiging vereist van de minister van Waterstaat indien de telegrafen en telefonen in, op of boven openbare gronden worden aangelegd of tegen betaling in gebruik worden gegeven.
Het begrip "telegrafen en telefonen" in de wet heeft niet alleen betrekking op de toestellen maar ook op het hele netwerk. Tenzij anders aangegeven verstaat de wet onder dit begrip alleen de openbare telegrafen en telefonen.
Nadere regels met betrekking tot het gebruik, de volgorde van telegrammen en gesprekken en de tarieven van door het Rijk geëxploiteerde telegrafen en telefonen werden volgens het eerste lid van artikel 16 bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld. Sinds 1954 berustten deze regels op artikel 4 van de Aanwijzingswet PTT 1954. Vlak voordat de Telegraaf- en Telefoonwet werd ingetrokken waren op grond van dit artikel de volgende algemene maatregelen van bestuur van kracht: het Rijkstelefoonreglement 1929, het Telegraafbesluit 1976, het Telexbesluit 1957 en het Datanetbesluit 1982.
Gedoogplicht De weg naar staatsexploitatie Aanvankelijk veranderde er niet veel in de exploitatie van de telefoonnetten na het in werking treden van de Telegraaf- en Telefoonwet. Lokale netten werden door particuliere ondernemingen of gemeenten geëxploiteerd, het interlokale net en de internationale verbindingen door het Rijk. Vanaf 1906 ging de staat ook lokale netten aanleggen en exploiteren. Waar geen lokaal telefoonnet was konden onder bepaalde voorwaarden abonnees worden aangesloten op het dichtstbijzijnde rijkstelefoonkantoor.
De onder de Telegraafwet verleende concessies moesten door nieuwe worden vervangen. In deze nieuwe concessies moesten bepalingen met betrekking tot afschrijving en waardebepaling van het net worden opgenomen in verband met mogelijke naasting door het Rijk. In 1908 werd een commissie onder voorzitterschap van Lely ingesteld die dit moest regelen. De exploitanten en de commissie konden het echter niet eens worden. De regering ging daarom over tot naasting van de lokale netten. Eerst volgden de particuliere netten (vanaf 1912), daarna de gemeentelijke netten. In 1927 waren alle lokale netten, op die van Amsterdam, Rotterdam en Den Haag na, in handen van het Rijk. Het Rijk zag af van overname van de telefoonnetten van de drie grote steden omdat de vergoedingen die zij moest betalen te hoog waren. Bovendien was de technische staat van deze netten goed zodat naasting niet urgent was.
In 1940 voegde de Duitse bezetter de telefoonnetten van Amsterdam, Rotterdam en Den Haag alsnog bij de PTT. Daarmee behoorde gemeentelijke exploitatie tot het verleden en was de gehele telefoonexploitatie in handen van het Rijk gekomen. Na de bezetting is deze maatregel niet meer teruggedraaid. Hoewel de mogelijkheid van concessies in de wet bleef staan zijn er na 1945 geen nieuwe concessies meer verleend.
Radiocommunicatie en omroep De eerste regeling De enige verwijzing naar radiocommunicatie die in 1904 in de wet stond was het tweede lid van artikel 1. Dit lid luidde: "Deze wet is eveneens van toepassing op telegrafen en telefonen, waarbij de toestellen op de eindpunten niet onderling door draden of geleidingen zijn verbonden". Dit betekende dat ook voor de aanleg en exploitatie van openbare radiotelegrafen en -telefonen door anderen dan de Staat een concessie nodig was. Voor de niet-openbare telegrafen en telefonen lag het moeilijker. Zolang deze maar niet in, op of boven openbare gronden werden aangelegd of niet tegen betaling in gebruik werden gegeven was een machtiging volgens artikel 3 niet nodig. Voor radiotelegrafen en -telefonen was dit minder praktisch: radiogolven trekken zich immers niets van grenzen aan.
De oplossing die de regering vond was om de wet zo te interpreteren dat het tweede lid van artikel 1 alleen betrekking had op openbare radiotelegrafen en -telefonen. Dit gaf de mogelijkheid om de niet-openbare radiotelegrafen en -telefonen te regelen op basis van artikel 12 van de wet. Volgens dit artikel konden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld met betrekking tot het aanleggen en gebruiken van elektrische geleidingen en inrichtingen. Dit ter voorkoming van storing en belemmering bij het gebruik van openbare telegrafen en telefonen. Deze algemene maatregel van bestuur was het koninklijk besluit van 6 maart 1905. Behalve voor bepaalde kabels in de buurt van telefoonlijnen was volgens dit besluit ook een vergunning van de minister van Waterstaat vereist voor "eenige electrische inrichting bestemd voor het niet openbaar telegrafisch en telefonisch verkeer door middel van toestellen, welke op de eindpunten niet onderling door draden of geleidingen zijn verbonden".
Ook ontvanginrichtingen vielen onder deze vergunningplicht. Vele luisteramateurs luisterden echter illegaal naar wat er aan seinen werd uitgezonden. In 1913 demonstreerde de bekende radiopionier Jan Corver aan minister Lely hoe met eenvoudige middelen radiosignalen ontvangen konden worden. In het voorjaar van 1914 besloot de minister daarom om aan luisteramateurs kosteloos de benodigde vergunning te verlenen. Bij koninklijk besluit van 11 juli 1914 werd het besluit van 6 maart 1905 zodanig gewijzigd dat voor de meeste ontvanginrichtingen geen vergunning meer nodig was. Alleen indien de antenne binnen 1500 meter van een rijkskuststation voor radiotelegrafie stond en hoger was dan 30 meter bleef een vergunning nodig. Vanwege de Eerste Wereldoorlog werd spoedig weer een luisterverbod ingesteld, dat in 1917 weer werd opgeheven.
De wetswijziging van 1919