Jerom is een van de hoofdfiguren uit de stripreeks Suske en Wiske. Hij werd in 1953 in opdracht van Willy Vandersteen ontworpen door Karel Verschuere. Jerom werd datzelfde jaar nog in een van de verhalen geïntroduceerd en heeft zich sindsdien ontwikkeld tot een van de belangrijkste en populairste personages uit de reeks. Jerom staat vooral bekend om zijn bovenmenselijke spierkracht en andere zeer bijzondere lichamelijke vaardigheden.

Het personage kreeg vanaf 1962 een eigen stripreeks, naar hem vernoemd en met hemzelf in de hoofdrol. Deze strip was een van de eerste spin-offs van de Suske en Wiske-hoofdreeks. Andere latere spin-off-stripreeksen waarin ook Jerom meedoet zijn Amoras, J.ROM - Force of Gold en De Kronieken van Amoras.

Introductie Jerom maakte zijn debuut in De dolle musketiers, een verhaal van Vandersteen uit 1953. Het personage was beïnvloed door de holbewoner uit de Amerikaanse stripreeks Alley Oop door V.T. Halmin.BRON: VAN HOOYDONCK, Peter, Willy Vandersteen: De Bruegel van het Beeldverhaal, Standaard Uitgeverij, Antwerpen, 1994 Hij werd aan het eind van dit verhaal met de tijdmachine van professor Barabas meegenomen naar de 20e eeuw. Voortaan was hij de vaste metgezel van de overige hoofdpersonages: Suske, Wiske, Lambik en Sidonia.

In enkele verhalen die al vóór De dolle musketiers waren gemaakt, is in de latere albumuitgaven alsnog de naam van Jerom toegevoegd. In De ringelingschat wordt bijvoorbeeld gemeld dat Jerom hier op vakantie is. In het laatste plaatje van De mottenvanger noemt Lambik in een aangepaste tekstballon Jeroms naam.

Rol en evolutie in de strip 180px|thumb|Standbeeld van Jerom, te midden van de stripstandbeelden Middelkerke Lichaamskracht Jerom is boven alles uitzonderlijk sterk, zodat hij bijvoorbeeld grote groepen tegenstanders en monsters in één keer kan verslaan. Hij heeft ook allerlei andere uitzonderlijke talenten, zoals een knoop leggen in een ijzeren staaf,Zijn allereerste handeling in De dolle musketiers, terwijl hij nog in zijn kooi zit en gebouwen met slechts één vinger verplaatsen. Daarnaast heeft hij allerlei andere heel opmerkelijke lichamelijke eigenschappen. Zijn ogen kunnen bijvoorbeeld lichtgeven en als eens soort röntgenapparaat door massieve voorwerpen heen kijken. Als hij aangesloten wordt op elektrische apparaten geeft hij hieraan energie (bijvoorbeeld in De knokkersburcht). In andere verhalen blijkt hij in staat om zeeën over te zwemmen, meren leeg te drinken, over gebouwen heen te springen of zich via een tunnel door de grond te boren. Hij kan zo hard blazen dat het lijkt of het stormt. In sommige verhalen blijkt Jeroms borst bestand te zijn tegen kogels, die erop afketsen, hoewel hij zich anderzijds soms gewoon in bedwang laat houden door een tegenstander met een revolver. Dat geldt ook voor toverkracht; soms heeft deze geen effect op Jerom (bijvoorbeeld in Witte Zwanen Zwarte Zwanen) en soms juist wel (Het drijvende dorp).

Hij is onder meer berucht vanwege zijn "T-slag" (T=tijd) (Wattman). Hij deelt dan een mep uit aan iemand, die zich vervolgens pas enkele seconden later realiseert dat hij knock-out is geslagen en dus in zwijm moet vallen.Deze "vertraagde reactie-humor" is ook heel vaak bij Lambik gebruikt

Zijn inspanningen lijken hem slechts zelden te vermoeien. In De wilde weldoener blijkt dat hij zijn ogen bijna altijd gesloten houdt omdat zijn oogleden te zwaar zijn; hij kijkt door spleetjes. Jerom heeft allerlei trucjes achter de hand om zijn krachten te sparen. Soms blaast hij zijn tegenstander gewoon omver, zonder te slaan. Hij vecht af en toe doelbewust in een stofwolk om het geweld te censureren, hij vraagt de rest (en/of de lezers) om even hun ogen te sluiten, of hij laat de tekenaars een prentje boven het geweld plaatsen (zie ook het doorbreken van de 'vierde wand').

Hij is ondanks zijn enorme kracht in enkele verhalen tijdelijk lichamelijk verslagen, bijvoorbeeld door de 'Hulkbik' in De Sterrensteen, waarin Lambik gemuteerd is door een meteoriet. In De kale kapper raakt Jerom door een toverdrank tijdelijk al zijn kracht kwijt. Iets dergelijks gebeurt ook in De slimme slapjanus, waar hij als gevolg van een jeugdtrauma tot niets meer in staat is.

Uiterlijk Vandersteen tekende Jerom in de eerste paar verhalen na diens debuut (bijv. De tamtamkloppers en De knokkersburcht) nog als een brute dommekracht, gekleed als een holbewoner en slechts gehuld in een lendedoek. Vandersteen kreeg in deze tijd echter boze brieven van lezers die vielen over Jeroms onbehouwen karakter. Hij besloot na een tijdje om Jerom gewoon hedendaagse kleding – een vest, broek en schoenen – te laten dragen. In De speelgoedzaaier, een van de eerste verhalen met een belangrijke rol voor Jerom, is zijn uiterlijk tot twee keer toe grondig aangepast, met het oog op de heruitgave in eerst de Tweekleurenreeks en daarna de Vierkleurenreeks.Weetje van de week: Jerom drie keer hertekend in De speelgoedzaaier, Suske en Wiske Shop In de eerste verhalen hierna kleedt en gedraagt Jerom zich nog als een ongemanierde holbewoner. In De tamtamkloppers draagt hij voor het eerst een stropdas, dan wel nog boven zijn dierenhuid.

Ondanks zijn enorme lichaamskracht is Jerom vrij klein van stuk (in De kleppende klipper zou hij volgens Suske en Wiske zelfs maar 1 meter 20 zijn; zelf beweert Jerom hier dat hij veel langer is).

In Amoras en De Kronieken van Amoras (spin-offreeksen gemaakt door Charel Cambré en Marc Legendre) is Jerom net als de overige personages realistischer getekend, hoewel zijn uiterlijk niet verregaand is aangepast.

Karakter Wanneer de andere hoofdpersonages in De dolle musketiers voor het eerst kennismaken met Jerom, is hij nog een kwaadaardige bruut die door de boosaardige hertog Le Handru wordt ingezet als geheim wapen. Het enige waarmee Jerom getemd kan worden is anijs, wat de hertog hem geregeld toedient. Wiske ontdekt dat Jerom dol is op Schanulleke en ze weet hem ertoe te bewegen zich voortaan voor het goede in te zetten, dan mag hij ook af en toe met Schanulleke blijven spelen. In de rest van het verhaal helpt Jerom de vrienden en aan het eind reist hij met hen mee terug naar de 20e eeuw.

Jerom heeft hierna in de meeste verhalen veel ethisch besef. Hij laat zich niet omkopen en verraadt zijn vrienden praktisch nooit (dit laatste in tegenstelling tot Lambik). Jerom zet zich ook belangeloos in voor goede doelen of mensen in nood, soms zelfs wanneer het om een tegenstander gaat. In Het sprekende testament helpt Jerom zelfs in het geheim de "kat",Dit is Anne-Marie van Zwollem in vermomming omdat hij vreest voor diens leven bij een gevaarlijke opdracht. Hij vecht ook niet meer tegen dieren en probeert indien mogelijk zijn krachten te beheersen.

Een enkele keer loopt Jerom over naar de verkeerde kant, bijvoorbeeld door betovering of hypnose. Dit gebeurt onder meer in De knokkersburcht, waar het Jeroms eigen spiegelbeeld is dat vervolgens "invalt" voor de goede zaak. In De circusbaron wordt Jerom door zijn ontvoerders onder volledige hypnose gebracht en gebruikt als instrument. In andere verhalen blijkt soms aan het eind dat Jerom alleen deed alsof hij zijn vrienden verraadde.

Qua gemoed gedraagt Jerom zich meestal kalm en nuchter. Wanneer de rest om hem heen in paniek is, blijft Jerom bijna altijd beheerst en meester van de situatie. Toch kan hij af en toe ook flink kwaad worden.

Jerom vertoont soms een buitengewoon grote eet- en drinklust.

Jerom vervult af en toe zelf een hoofdrol, zoals in De toffe tamboer (1981) en Jeromba de Griek (1965). In De circusbaron (1954) is zijn ontvoering de aanzet tot het hele verhaal.

Relaties tot andere hoofdpersonages Sinds hij naar het heden werd geflitst trok Jerom bij Lambik in. Vaak zijn Jerom en Lambik hevige concurrenten (bijvoorbeeld in de liefde, zoals in Tedere Tronica (1968), of in hun beroep, zoals in De zwarte zwaan. Lambik kan natuurlijk totaal niet wedijveren met Jeroms enorme lichaamskracht. Hun onderlinge relatie is dan ook tamelijk vilein. Jerom schrikt er niet voor terug om Lambik soms compleet belachelijk te maken, terwijl Lambik van zijn kant Jerom geregeld uitlacht als die bijvoorbeeld ergens veel verdriet over heeft (bijvoorbeeld in De mollige meivis). Als de twee elkaar daarentegen vinden in een gemeenschappelijke afkeer over een maatschappelijke onrechtvaardigheid vormen ze een hecht duo. Zo trekken ze bijvoorbeeld samen op tegen dierenleed in De straatridder (1956), verkilling in De vlijtige vlinder (1977) en dictatuur in De Krimson-crisis (1988).

Met Suske en Wiske kan Jerom over het algemeen goed overweg. Jerom heeft vooral een speciale band met Wiske, wellicht omdat zij in Jeroms debuutverhaal de eerste was die de zachte kant van zijn karakter ontdekte. Tante Sidonia lijkt over het algemeen maar weinig met Jerom op te hebben, ze heeft hem niet erg graag over de vloer en lijkt ook hooguit zelden echt onder de indruk van zijn lichamelijke prestaties.

Jeroms buitengewone lichaamskracht leidt er soms toe dat anderen zijn intelligentie onderschatten. Jerom krijgt meerdere, vooral spottend bedoelde bijnamen (zoals "kleerkast" en "domme kracht").

Biografie en familie Onder meer in De malle mergpijp (1973) staat de voorgeschiedenis van Jerom centraal. Het blijkt dat hij eigenlijk uit de prehistorie afkomstig is. Zijn enorme kracht dankt hij aan een sjamaan, die met een mergpijp kleurstof op een grottekening blies. Ook Jeroms moeder, Moe Mie, komt in dit verhaal voor het eerst in beeld. Hier blijkt ook dat Jeroms vader omkwam tijdens een gevecht tegen de Grotkastaars. Ergens tijdens zijn prehistorische leven raakte Jerom ingevroren, waarna hij in de 17e eeuw door de boosaardige hertog Le Handru werd ontdooid.

In De primitieve paljassen (2006) blijkt dat Moe Mie ook een broer heeft, die dus een oom is van Jerom.

In De nerveuze Nerviërs (1967) beweert professor Barabas in strook 31 dat Jeroms eerste geslacht in het Oude Gallië ontstond, vlak voor de Romeinen het gebied kwamen veroveren. Jerom zou zijn kracht dan te danken hebben aan het feit dat zijn voorouders in hun jeugd allemaal sterk en wilskrachtig waren. Dit spreekt echter het hiervoor genoemde gegeven tegen dat Jerom uit de prehistorie afkomstig is; zijn eerste geslacht kan dan immers nooit pas tijdens de periode van de Romeinse verovering van Gallië ontstaan zijn. In andere verhalen uit de S&W-hoofdreeks, waaronder de twee hiervoor genoemde, volgt men deze laatste verhaallijn. Hoe hij daadwerkelijk aan zijn sterke kracht is gekomen wordt duidelijk in De zwijgende lier (2026), een verhaal van de hand van Peter Van Gucht en Wout Schoonis. Professor Barabas ontdekt hier via internet dat Jerom deze kracht te danken heeft aan de Griekse oppergod Zeus en rechtstreeks gekregen heeft via de Magische Mergpijp van de Sjamaan.

Liefdesaffaires In De knokkersburcht wordt Jerom verliefd op Ellen, de dochter van de hoofdman van "The Black Hand Clan". In De zwarte zwaan is een zigeunerin erop uit om met Jerom te trouwen. In De zingende zwammen worden de drie gezusters Feriteel verliefd op Jerom. Een van hen, Lili, komt later terug in De schone slaper. In Tedere Tronica worden Jerom en Lambik allebei verliefd op een door professor Barabas uitgevonden robot met het uiterlijk van een zeer innemende dame. In De kale kapper vertegenwoordigt Jerom de bijbelse figuur Simson. Delila probeert hier Jerom het hof te maken. Als blijkt dat Jerom niets van haar wil weten, is ze zwaar beledigd waarna ze hem verraadt. In De mollige meivis (1975) wordt Jerom verliefd op Veerle, de dochter van de alchemist Abi Artolius. In Heilig Bloed wordt Jerom verliefd op zuster Odfella. Hij treedt toe tot de Basiliusorde om haar te helpen. In In de ban van de Milt moet Jerom afscheid van Odfella nemen. Zij komt terug naar België in De laatste vloek en gaat met de vrienden naar Chocowakije (De kus van Odfella en De gevangene van Prisonov). In De pronte professor worden Jerom en Lambik beiden verliefd op Vera Vanduren.